De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

LEIDING EN ROEPING

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

LEIDING EN ROEPING

8 minuten leestijd

No. 1.

Door het Hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond is mij opgedragen voor deze jaarvergadering enkele lijnen te trekken voor onze onderlinge verhoudingen als bestuur en leden en als leden en leden binnen de Bond en voor ons gemeenschappelijk staan in de kerk van vandaag. De toestanden van de kerk — en daar valt onze groepering niet buiten — zijn wel zodanig verward, dat een gedurige bezinning op wat wij zijn en wat wij willen nodig is. Daarbij komt, dat het proces van aantrekking en afstoting, wat men interkerkelijk zich ziet voltrekken, wel gedurig ons nopen moet, om ons standpunt te bepalen naar buiten. En niet te vergeten ook naar binnen. Daar hebben wij niet een standpunt te zoeken of te vinden, maar het fundament, dat ons gegeven is in Gods Woord en in de belijdenis van onze kerk, in te nemen.

De Bond is ontstaan uit tweeërlei noodzaak, namelijk de ontkerkelijking der kerk, de uitholling van het beginsel enerzijds, het ontstaan van afgezonderde kerken en de afvloeiing van veel volks naar die afgezonderde kerken, anderzijds. Als derde noodzaak voor het bestaan van de Bond is in de loop der jaren gebleken het binden van veel volk, dat onkerkelijk op twee manieren dreigde te worden en het weer op vangen van veel volk, dat onkerkelijk op die twee manieren geworden was. Op zichzelf is de afval van leden van een kerk, hoe spijtig die ook mag zijn, een normaal verschijnsel, dat wel in élke tijd zal voorkomen. Alle bloesem wordt geen vrucht en de gelijkenis van het zaad leert ons, dat er wel drie kansen zijn, waardoor het gestrooide zaad niet tot vrucht dragen komt. Dan ook is het ontstaan van andere kerken van min of meer gereformeerd type niet altijd als verlies te beschouwen. Dochter kerken. Hun ontstaan heeft alleen de positie van de Gereformeerden in de Hervormde kerk verzwakt en de algemene toestand van de Gereformeerde gezindte gecompliceerder en minder overzichtelijk gemaakt.

De Bond is ontstaan hoofdzakelijk als een binnen kerkelijke vereniging, als een Hervormde vereniging. Aan deze kerk op haar best danken de leden van de Bond hun bestaan, in deze kerk ligt het ideaal van de Bond, zijn hoop, zijn liefde. Het bestaan van de Bond wordt louter en alleen gedragen door het geloof, dat de Bond, ondanks veel, voor deze kerk heeft. Dit zijn ten diepste de wortels van het bestaan van de Gereformeerde Bond. 't Ligt uitgedrukt in de naam. Hij wil gebonden houden, mensen, die wortelen willen in de belijdenis van onze kerk, welke geen Anglicaanse, geen Lutherse, geen Rooms-Katholieke, maar een Gereformeerde Confessie is. Daarbij wil hij alleen staan in deze kerk, niet daarbuiten, en wil hij werken ten bate van deze kerk. De Bond wil niet werken ten bate van deze vereniging, ook niet ten bate van de vereniging en zo ten bate van de kerk, maar zonder meer ten bate van de kerk. Het orgaan van de Bond, de „Waarheidsvriend", dat uitgegeven wordt ten voordele van het leerstoel en studiefonds, bewijst dat. De gelden, die ingezameld worden ten bate van dat Studiefonds en vooral de grote schare predikanten, die op deze manier aan de kerk geschonken is in de loop van vijftig jaren, bewijzen dat. Als vereniging mag er dan ook een zekere losheid zijn, als het goed is weinig zich weren, waar het eigen naam en zaak geldt, maar zeker mag er geen losheid zijn, als het gaat om het beginsel, als het gaat om het op de bres staan voor de naam en de zaak der, kerk. Als de kerk maar welvaart!

De kerk, hoe zij dan ook is, hoe zij dan ook reilt en zeilt, is meer dan een vereniging, zij bestaat door haar ambten, door het ambt aller gelovigen, die de roeping hebben zich bij de ware kerk te voegen en te houden, door haar ambten, die haar m Christus' naam leiden. Een vereniging heeft geen ambten, al zijn daar ook nog zo veel ambtsdragers samen. Zij mag zich dan ook niet aanstellen, als was zij de kerkeraad van een plaatselijke groepering van mensen, die van één kerk en van dat ene beginsel der kerk zijn. Zij mag zich ook niet regionaal opwerpen als tot een classis, evenmin landelijk als tot een soort synode, of schaduwsynode. Intussen is onze Bond in de kerk geboren en heeft hij als binnenkerkelijk orgaan, als gij wilt semi-kerkelijk orgaan, wel een zeker gezag, in het geheel van de kerk en zeker ook in eigen kring. Ieder, die naar de bijbel of naar de belijdenis der kerk spreekt, heeft een zeker gezag en hij moet dat zeker hebben in de kerk, als die op haar eigen beginsel wordt aangesproken. Onnodig te zeggen, dat hij dit niet het minst moet hebben binnen een vereniging, die zichzelf op dat beginsel stelt. De Bond heeft dan een legitieme plaats in de kerk, welke plaats door de leeftijd en het werk van de Bond een min of meer erkende plaats mag heten.

Nu is het goed, om ook de ordeningen binnen de Bond in hét oog te vatten en in het oog te houden en de gezagsverhoudingen te bewaren. Er zijn altijd wel krachten van buitenaf, van buiten onze kerk en van binnen onze kerk, wie het niet onwelgevallig zou zijn, als zij doorbraken konden te weeg brengen. Er zijn ook binnen een vereniging, aan de verschillende flanken, wellicht figuren, die van binnenuit doorbraken zouden willen te weeg brengen. Aan de linkerkant kan men dat doen, door met een zekere veronachtzaming van het eigen beginsel een hoog kerkelijk standpunt zo ver door te voeren, dat de hele Bond zonder meer kerkelijk zal gaan leven, met aanvaarding van al de gewoonten en methoden, die men in de kerk aangenomen heeft. Aan de rechterkant kan men dat doen, door te wanhopen aan de toekomst van de Hervormde kerk en uit louter trouw aan het Gereformeerde belijden en vooral aan het Gereformeerd leven, op te roepen tot aansluiting bij een of andere Gereformeerde kerkformatie of om te komen tot de vorming van een eigen kerkelijk leven. Van beide kanten eist men van het Hoofdbestuur, dat het wat positiever stappen zal doen, door namelijk het volk te voeren in de vrijheid en in de ruimte van het Hervormd kerkelijk leven, ontdaan van alle enghartige bepalingen en gebondenheden, of door het volk te voeren in de vrijheid van geweten, om God te dienen, ontdaan van allerlei bindende Synodale bepalingen, ordeningen en diensten.

Ettelijken braken zo met de Bond en gevoelden dit als een bevrijding.

Elk bestuur van elke vereniging is gebonden aan zijn statuut en heeft de roeping om de leden te binden aan dat statuut. In ons geval, waar het de Bond betreft, wiens statuut gefundeerd is op de Heilige Schrift en op de Belijdenisgeschriften van de kerk, heeft het Hoofdbestuur wel zeer zeker de roeping om de leden te houden aan de Schrift en aan de Belijdenis in al haar kerkelijk doen en laten. Als de Bond dit gezag aan de Schrift en aan de Belijdenis ontleent, dan doet de Bond slechts wat de kerk behoort te doen. En als de Bond dit gezag bovendien aan zijn reglement ontleent, dan doet hij dit temeer, waar de nood der kerk hem daartoe machtigt. Het gaat hier niet om de vrijheid van de leden, maar het gaat om het welzijn van de leden, van de gemeenten, ten diepste van de kerk. De leden, ook de predikant-leden zijn dan ook gehouden zich aan dit gezag, wat het Hoofdbestuur ontleende aan het eens gemaakte reglement en ontleende aan de belijdenis der kerk, te onderwerpen.

Natuurlijk mag ieder zijn inbreng doen en is de vrije meningsvorming en ook de vrijheid van spreken niet alleen niet verboden, maar ook gaarne welkom. Maar waar moeten wij heen met allerlei particularisme, zeker dan wanneer die georganiseerd zou worden via studiecommissies tot segmentvorming. Lakend is vanuit de kerk wel eens gezegd, dat er wel drie Bonden in de Gereformeerde Bond zijn. Men bedoelde dan denkelijk, dat er drie stromingen in de Bond zouden zijn. Uit de aard der zaak kent elke groepering in de kerk zijn flanken. De kerk kent die ook zelf. De Bond maakt daarop geen uitzondering. Wij willen wel vast mededelen, dat het ons niet zoveel moeite kost, om ons volk en ook onze predikanten bij elkander te houden. Wij menen oprecht van binnenuit te kunnen zeggen, dat ons beginsel zo wel omschreven is, en dat de gebondenheid aan dit beginsel bij het volk in de gemeente zo diepgeworteld is, en dat dit „in het algemeen gezegd" ook bij de predikanten van de Bond zo diep zit, dat men nog altijd van die ene hechte Bond kan spreken. En wij kunnen er ook dit bij zeggen, dat het beloop van de dingen in de kerk onze positie, in het geheel genomen, eerder versterkt dan verzwakt. Al ontveinzen wij ons niet, dat nederlagen, die wij leden, teleurstellingen, die wij opdeden, de sterke invloed, die er uit gaat van heel het moderne leven in de staat en in de kerk bij verschillenden onzer een zekere moeheid teweeggebracht heeft, die er hen toe zou doen neigen, om hetzij naar rechts een goed heenkomen te zoeken, hetzij naar links toe te geven aan de sterke drang tot gelijkschakeling en tot vorming van een éénkleurige eenheid. En als ik heel eerlijk ben, dan behoor ook ik bij degenen, die het soms niet meer weten, wat zij aanmoeten met de kerk, die ons allen lief is. De kerk moet het ons niet onmogelijk maken, haar trouw te zijn.

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 maart 1966

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

LEIDING EN ROEPING

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 maart 1966

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's