De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE DOOPVRAGEN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE DOOPVRAGEN

5 minuten leestijd

4

We komen nu toe aan de eerste vraag. Daarover zal het meeste te zeggen zijn. Daarover is ook al heel wat te doen geweest.

De vraag bestaat:

1e. uit een aangrijpende tekening van hetgeen wij en onze kinderen van nature zijn en van de positie, waarin zij in verband daarmede van nature verkeren;

2e uit een verklaring, waarin de positie getekend wordt, waarin onze kinderen uit kracht van het verbond der genade mogen staan;

3e uit de vraag, of de ouders, 't éérste met schaamte en schrik belijdende, het tweede, als een van God omtrent hun kinderen gegeven blijde boodschap, beamen.

Ten eerste dan de met korte, scherpe lijnen getrokken tekening. Het is maar een bijzin: „hoewel onze kinderen in zonden ontvangen en geboren zijn, en daarom aan allerhande ellendigheid, ja, aan de verdoemenis zelf onderworpen". Maar, al is dit maar een bijzin, het is de bedoeling niet, dat we daar nu maar snel overheen zullen lezen, en de ernst ervan weg zullen laten vallen door ons spoedig te laten troosten met de milde klanken van het evangelie van het verbond der genade.

Woelderink wijst in zijn boek over het Doopsformulier op de ergernis van deze belijdenis en zegt: „voor velen ligt hier een steen des aanstoots en ik vrees wel eens, dat daarom velen gaarne veronderstellen, dat de genade reeds bij de geboorte in het hart geplant wordt, om in deze weg te ontkomen aan die ontzettende en verschrikkelijke waarheid, dat onze kinderen van zichzelf door en door bedorven zijn en dat het gedichtsel van hun hart van der jeugd af boos is.

Wij zullen deze bijzin moeten beginnen te lezen, alsof het een hoofdzin was, die onwrikbaar zou blijven gelden, wanneer er niets meer op volgde. Dit had een laatste woord kunnen zijn. En dat dit niet een laatste woord is, is niet een vanzelfsprekende zaak, terwille waarvan wij de hardheid van dit woord wel even gedachteloos willen „slikken". Maar dat er nog iets anders op volgt. is alleen een zaak van genade. Hoe groot de rijkdom van die genade is, wordt alleen beseft, wanneer wij dat eerste, waarmede deze vraag aanvangt, in volle omvang laten staan en laten gelden.

Het eerste wat de ouders dus voorgehouden wordt is de diepte van de val in Adam. Het is de belijdenis van de erfzonde. Juist de kinderdoop, waarbij het water als teken en zegel van de afwassing der zonde tot onze kinderen gebracht wordt, is een verootmoedigende uitbeelding en bevestiging van al wat de Schrift ons zegt van het verderf, waarin wij en onze kinderen van nature liggen.

Dat is in het begin van het leerstellig, onderwijzend gedeelte van ons formulier reeds uiteengezet als behorende tot „de hoofdsom van de leer des heiligen Doops", nl. dat wij en onze kinderen in zonde ontvangen en geboren, en daarom kinderen des toorns zijn, zodat wij in het rijk Gods niet kunnen komen, tenzij wij van nieuws geboren worden.

Dat wordt ons geleerd door de onderdompeling (ondergang) of besprenging met het water. En dan wordt gesproken over de onreinheid onzer zielen, over zelfmishagen en over het zoeken van onze reinigmaking buiten onszelf. Maar dat het zó erg is als hier in de korte tussenzin van vraag één wordt uitgesproken! Wat wordt dat weinig beseft! En wat is dat om stil van te worden.

Dan mag alle aandacht voor de strikjes en kwikjes van het doopkleed wel totaal verdwijnen, wanneer een vader en moeder er hun kind op aanzien, dat het (afgedacht van Gods genade) een leven tegemoet gaat, waarin het aan allerlei ellendigheid onderworpen zal zijn, omdat het uitnemendste van dit leven moeite en verdriet is. Wie weet, wat onze kinderen aan ziekte en ongeval, ramp en leed, aan de mogelijkheid van een jong aangrijpend sterven, of een heengaan na een uitgebluste ouderdom, wacht!

Maar het zwaarste weegt dat koolzwarte woord „verdoemenis”. Ons gevoel verzet zich hiertegen. Wij protesteren van binnen en opperen vele bedenkingen en bezwaren. Wij werpen hier vele problemen op. Een mens kan immers alleen maar door eigen schuld verloren gaan. „Vreemde" schuld, schuld, die een ander bedreven heeft, kan ons toch niet worden toegerekend. Een zoon zal toch niet dragen de ongerechtigheid zijns vaders. Ieder zal toch alleen om eigen zonde gestraft worden. De ziel, die zondigt, die zal sterven. Het is een door God Zelf verworpen spreekwijze, dat de tanden der kinderen stomp geworden zijn, omdat de vaders zure druiven gegeten hebben. (Jeremia 31 : 29, 30; Ezechiël 18 : 1, 2).

Daarmede zitten we midden in het probleem van de erfzonde. Augustinus is de man, die deze met grote nadruk geleerd heeft en gehandhaafd tegen zijn tegenstander Pelagius, een Engelse monnik, die leerde, dat de zonde alleen ontstaat door de invloed van het slechte voorbeeld van anderen. Volgens Pelagius komt de mens ter wereld in dezelfde onbedorven toestand, als waarin Adam verkeerde voor de val. Hij zou dan ook, zij het niet zonder ernstige strijd, in staat zijn zondeloos te leven. Deze optimistische beschouwing van de menselijke natuur wordt in deze vorm slechts door zeer weinigen gedeeld. Wie zijn oor te luisteren legt naar de grote denkers van ons geslacht, hoort uit hun mond vaak zeer sombere klanken.

Het Pelagianisme is in de oude kerk reeds verworpen. Maar het heeft in de loop der eeuwen wel plaats gemaakt voor het semi-pelagianisme, dat de opvatting vertegenwoordigt, dat de mens sedert Adams val wel niet dood in de zonden en misdaden is, maar dat zijn wil ernstig verzwakt is. De genade moet hem te hulp komen. Maar ook dit semi-pelagiaanse standpunt is door de Reformatie verworpen. Daarvan getuigen onze Belijdenisgeschriften.

We willen de volgende maal daarnaar, maar bovenal naar het Woord der Heilige Schrift luisteren.

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 maart 1966

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE DOOPVRAGEN

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 maart 1966

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's