UIT DE PERS
Prof dr. A. J. Bronkhorst. Zoals u hebt kunnen lezen is tot opvolger van prof. dr. J. C. Hoekendijk benoemd aan de theol. faculteit van de R. U. te Utrecht prof. dr. A. J. Bronkhorst, thans hoogleraar aan de theol. faculteit van de protestantse kerken in Brussel. In „Hervormd Nederland" van 19 maart j.l. staat een interessant interview met de nieuwbenoemde hoogleraar afgedrukt, waarvan we hier een gedeelte overnemen. Het betreft de arbeid van prof. Bronkhorst in Brussel.
De Bond van kerken en de methodisten hebben samen de protestantse faculteit in Brussel in het leven geroepen. Ze hebben het eerst geprobeerd met zó maar enkele predikanten en medewerkers uit Nederland uit te nodigen, maar het verzandde. In 1950 werd de theologische faculteit gesticht — van het begin af was hij tweetalig — en in 1953 vroegen ze of Nederland niet iemand zou kunnen sturen en betalen om de Nederlandstalige sectie te organiseren. Op dat verzoek is de synode van de hervormde kerk ingegaan. Dr. Emmen en ds. Landsman namen mij mee naar een bespreking met afgevaardigden van de Belgische kerken in Brussel.
April 1954 ben ik in mijn eentje, alleen met een handtasje, in Brussel aangekomen en ben college gaan geven. Er waren 6 studenten, godsdienstleraren, die na-scholing nodig hadden. In september hebben we geprobeerd de zaak wat uit te bouwen. Ds. Attila Szekeres, predikant te Leuven en dr. Johan Bouman, godsdienstleraar in Gent, hebben mij hierin bijgestaan. Vijf Belgische predikanten gaven één a twee uur per week voor de faculteit. We hebben zo een paar predikanten opgeleid.
België is het land van de kleine dingen. We gaven grote zorg aan de opleiding van godsdienstleraren. Ze kregen het volledige theologische onderwijs, maar geen Grieks, Hebreeuws en wijsbegeerte. We noemden het de pedagogische sectie. Vrijdagavond begon de cursus en het ging zaterdagmorgen en zaterdagmiddag door. Ook zgn. „late roepingen" konden hier worden opgevangen, wat voor België heel belangrijk is. Er was geen geld. Voortdurend moest er met docenten gewerkt worden, die het werk vrijwillig deden. Het is reusachtig zo veel hulp we hebben gehad, ook vanuit Nederland.
Door zeer bekwame predikanten werd „con amore" medewerking gegeven in de vakken: Hebreeuws, kerkgeschiedenis en praktische theologie. Enkele Nederlandse profesoren gaven ieder jaar gast-college. Nog tientallen anderen hebben ons geholpen. Wat wij hebben kunnen bereiken is, dankzij al deze prachtige hulp. We kwamen er alleen als we van velen iets vroegen.
In 1963 kwam de officiële erkenning, door de staat, van onze wetenschappelijke graden af. Dat was voor ons een grote voldoening en het heeft ook weer geleid tot toename van het aantal studenten.
Alles met elkaar — in de beide taalsectoren — theologen en pedagogen, hebben we nu zo'n kleine honderd mensen, die bij ons studeren.
Tot 1965 zaten we in gehuurde huizen, maar het huurcontract eindigde 30 september 1965. We konden geen ander huis huren. Toen zijn we de wereld ingetrokken om geld bij elkaar te krijgen om een mooi huis te kopen, te verbouwen en in te richten. Het was een zaak van zo'n ƒ 500.000, —. We hadden wel wat, maar niet veel. Uit Duitsland, Zwitserland en Nederland hebben we mooie giften gekregen. Door persoonlijke relatie, die ik dankzij de presbyterian alliance had, kon ik hier veel aan doen.
Nu hebben we van het moderamen van de synode van de hervormde kerk toestemming, om aan alle kerkeraden in 1966 een collecte te vragen. Plusminus 150 hebben al spontaan met een gift geantwoord. Naar 1500 kijken we nog uit, want er is nog veel nodig. Ik ben dankbaar dat ik dat nog voor de faculteit heb mogen doen. Het godsdienstonderwijs op de staatsscholen maakt een stormachtige ontwikkeling door. In 1949 waren er 857 leerlingen; in 1965 waren er 7350; dat is 8 à 9 keer zo veel.
Tussen de drie-en vierhonderd mannen en vrouwen werken in het godsdienstonderwijs mee. Ik had best in Brussel willen blijven, want het is een prachtige taak om mee te werken aan de theologische faculteit, maar ik zou het op den duur niet hebben kunnen volhouden op deze manier.
Wanneer men dit alles zo leest krijgt men grote bewondering voor de werkkracht van deze hoogleraar, die temidden van dit vele werk ook nog verschillende publicaties het licht deed zien, o.a. een beknopte, maar zeer lezenswaardige Geschiedenis van Israël van Alexander de Grote tot Bar Kochba, in de reeks „Bibliotheek van boeken bij de Bijbel". In Utrecht zal Bronkhorst kerkgeschiedenis van de twintigste eeuw en oecumenica gaan doceren. Wie zijn boeiende commentaren op het 2e Vaticaanse concilie kent (week aan week gepubliceerd in Hervormd Nederland) weet dat hij met de huidige theologische ontwikkelingen in het geheel van de oecumene uitermate goed op de hoogte is. Terecht is gezegd dat zijn vertrek uit Brussel voor de Protestantse 'kerken in België een groot verlies betekent.
„Maar” aldus prof. dr. A. F. N. Lekkerkerker in het januari-nummer van „Kerk en Theologie" — „wij hopen dat het dit verlies zal nemen, omdat de leerstoel te Utrecht voor oecumenica een goede bezetting vereist”
Moge het de nieuwbenoemde hoogleraar gegeven zijn op zijn belangrijke post lange jaren mede te werken aan de opleiding van de dienaren des Woords en alzo werkzaam zijn tot zegen van het kerkelijk leven.
De Kerk in China.
In het Utrechts Kerkblad van de Geref. Kerken (van 19 febr.) schrijft dr. J. v. d. Linden over de kerk in China, een kerk die als een kleine minderheid leeft in een communistisch-geregeerd land. Het blad „Waarheid en Eenheid" van 11 maart nam een en ander over. We citeren hieruit het volgende:
De kerk in China heeft twee periodes aan zeer bittere vervolgingen blootgestaan. Direct aan het begin en In het midden van de jaren vijftig. Daarna hebben de Chinese machthebbers getracht de kerk voor hun karretje te spannen, waarbij de kerk dienstbaar gemaakt werd aan de idealen van de staat. Op initiatief van de machthebbers kwam tot stand „een patriottisch-christelijke-chinese beweging" met het drievoudig doel om de kerk te brengen tot zelfregering, zelfonderhoud en zelfidentificatie.
In de periode van de „honderd bloemen", toen de teugels niet zo strak werden aangehaald, was het voor de kerk mogelijk iets ruimer adem te halen. Uit die tijd dateert een redevoering van een der Chinese kerkelijke leiders, die ons een goed beeld geeft van de situatie in die tijd. Verscheidene kerken hebben geen godsdienstoefeningen mogen houden. In dorpen en vele steden heeft de overheid op kerkelijke bezittingen beslag gelegd. Dat betekende een rechtstreeks ingrijpen in het religieuze leven van de christenen.
De politiek van de regering zou geen rechte lijn volgen en op vele plaatsen had zij in haar vertegenwoordigers een vijandige houding aangenomen tegen de kerk. Tot zover deze redevoering uit de kerkelijke kring, die nogal enige critische noten laat horen.
Niet lang bloeiden de honderd bloemen. De ijzige wind die direct daarna gaat waaien brengt ook voor de kerk grote veranderingen. Opnieuw breken vervolgingen uit. Van 1956—1958 zijn duizenden predikers en priesters en leken gevangen gezet. Zij die weigerden toe te treden tot de beweging van de drie zelfstandigheden, werden streng gestraft. Alle kerkelijke activiteit werd nog sterker dan tevoren gebracht onder staatscontrole. Bijzonder moeilijk hebben in die tijd het gehad, de trouwe belijders van kleine secten, zoals bijv. de „Jezusfamilie”.
In de laatste tijd maakt de Chinese regering zich echter grote zorgen over de politieke apathie van het Chinese volk ten aanzien van de communistische idealen. Telkens weer worden campagnes op touw gezet om de tweede generatie op te voeden in politiek denken en socialistische levenshouding. Men wil de „reine kinderzielen met glanzend rode verf kleuren”. Alleen tegen deze achtergrond zal men iets verstaan van de strijd en de moeite van de Chinese kerk.
Er zijn tekenen dat de regering in Peking de godsdienst verantwoordelijk stelt voor de overal optredende moeheid onder het volk en de weerstanden tegen het strenge regiem. Sedert 1963 wijzen artikelen in couranten en tijdschriften erop, dat de communistische leiders zich bewust zijn van het „gevaarlijke" interesse van vele chinezen in de godsdienst.
Volgens mededelingen van een hoge Chinese functionaris die uitweek naar Hongkong volgde de regering vanaf 1963 meer de tactiek om geleidelijk aan het kerkelijk leven te vernietigen. Alle godsdienstige activiteiten moesten zoveel mogelijk worden beperkt. Het gevolg is dat overal huisgemeenten ontstonden, die verzorgd werden door rondtrekkende priesters en predikers. Ondanks de druk en het kruis gaat het werk voort. Het blijkt dat velen uit de tweede generatie der communisten ontgoocheld zijn en gedreven worden in de armen van het Evangelie.
Geen wonder dat de Chinese machthebbers dit alles met lede ogen aanzien. Zij hebben nog niet het masker afgerukt. Nog heeft de kerk een zekere vrijheid. Nog is geen campagne gestart tot uitroeiing van het christendom. De rode machthebbers zouden desnoods een prestigeverlies tegenover het buitenland wel nemen, maar zij zijn er zich van bewust, dat ook in China het bloed van de martelaren het zaad van de kerk is. Zij concentreren zich nu op bijzondere campagnes, waarin het evangelie van Moa wordt verheerlijkt. Ware kruistochten worden door het land gehouden, waarin het communistisch evangelie in haast christelijke vormen wordt aan de man gebracht.
Tot nu toe is het resultaat niet groot. In de rijen van de christenen blijkt het evangelie te zijn een kracht van God, die hen doet standhouden. Zo gaat het verhaal van een hoge christen-functionaris in Tibet, die naar de gevangenis werd verwezen, omdat hij bleef bidden en voor zijn geloof opkwam. Hij heeft er niet lang gezeten. Hij was op zijn post onmisbaar. Rustig zet hij thans zijn getuigende arbeid voort.
God houdt Zijn gemeente in stand ook in China. Het is beschamend en bemoedigend dit alles te lezen. Beschamend, als we letten op de laksheid en lauwheid die we in ons rustige Nederland menigmaal aantreffen. Vertroostend, omdat we ook hieruit zien mogen hoe in spijt van alle tegenstand en tegenkanting Gods werk voortgaat.
Zending in Nigeria.
Nog een bericht over de kerk in de wereld. Ds. A. Elshout en ds. H. Rijksen brachten een bezoek aan het zendingsveld van de Geref. Gemeente in Nigeria. In „De Saambinder" van 10 maart vertellen zij van hun indrukken, die zij opdeden bij hun bezoek aan de zendingsposten:
’s Zondags zijn we met de heer Ten Voorde naar het dorpje geweest, waar hij sedert lange tijd iedere zondag samenkomsten houdt. Ongeveer 200 mensen kwamen samen om te luisteren naar het Woord van God. Ook hebben wij de heer Ten Voorde gadegeslagen in zijn dagelijks werk, waarin hij opzicht oefent over het onderwijs op verschillende zendingsschooltjes op de dorpen, waar inlandse onderwijzers het onderwijs verzorgen. Wij kwamen onder de indruk van de goede leiding, die ook hierin van hem uitgaat.
’s Maandags zijn wij bij de familie Ten Voorde vertrokken om te gaan naar de zendingspost van de zusters Sonneveld en Van Rossum. Hun post ligt ongeveer 40 mijl van Octurkpo vandaan, midden in de bush, in de jungle.
De heer Ten Voorde leeft temidden van de Idoma-stam, terwijl onze zusters werken onder de Kgedde-stam. De kliniek ligt op een heuvel en reeds vanaf een afstand schitteren de witte gebouwen in de stralen van de tropenzon, een prachtig gezicht.
Bij de poort van de kliniek werden wij met gezang ingehaald door de Nigeriaanse werkers en werksters op onze kliniek, bij elkaar 40 meisjes en jongens. Het was natuurlijk een blij weerzien met onze zusters. De tijd, die wij bij hen doorbrachten, vloog natuurlijk ook voorbij. U kunt begrijpen, dat er heel wat is afgepraat. Ook moesten er, in verband met de arbeid aldaar, heel veel beslissingen worden genomen, die wij nu ter plaatse zelf konden beoordelen. Vanuit Holland is dat vaak, zonder de toestand ter plaatse zelf gezien te hebben, niet denkbaar.
Wij hebben van nabij hun zegenrijke arbeid mogen aanschouwen, die onze zusters daar in hun eenzaamheid verrichten. Iedere dag worden er zo ongeveer 200 patiënten behandeld, die vaak reeds de vorige dag aankomen en dan in de buitenlucht overnachten. Daarnaast zijn er de patiënten, die opgenomen worden in het ziekenhuisje. Ook worden door hen de lessen gegeven aan de meisjes en jongens, die opgeleid worden, en daarnaast zijn er de samenkomsten met vrouwen, die uit verschillende dorpen naar de kliniek komen om onderwezen te worden in Gods Woord. En dan nog de samenkomsten des zondags in de dorpen. Wij zijn heel sterk tot de overtuiging gekomen, dat versterking van het getal verpleegsters heel dringend noodzakelijk is.
Zelf hebben ds. Elshout en ik ook op verschillende dagen het Woord Gods mogen brengen. Wij hebben meer dan eens mogen ervaren, dat de Heere daar een geopende deur ons gegeven heeft voor de verkondiging van Zijn Evangelie. Wij spraken dan steeds in de Engelse taal, terwijl een jongen van de kliniek, die Engels spreekt en verstaat, ons dan vertaalde in de Egedde taal.
Dwaalwegen der polemiek.
In het Geref. Weekblad (Uitg. Kok, Kampen) schrijft de redacteur prof. dr. G. C. Berkouwer nu al enkele weken over de polemiek in de theologie en in de kerk. Het boeiende is dat de Amsterdamse hoogleraar daarbij op een vaak verrassende wijze de Schrift laat spreken. In het nummer van 4 maart wijst Berkouwer er op, hoe de apostel Paulus wel waarschuwt liegen de onheilige woordenstrijd, die uitloopt op verderf, maar dat dit niet betekent dat daarom elke discussie, elke polemiek ongeoorloofd zou zijn. Juist omdat de apostel weet van de zegen van het Woord, verzet hij zich tegen de woordenstrijd, die een misbruiken van dit Woord der waarheid betekent. Het komt er op aan dat de woorden gezond zijn (vgl. de vaak weerkerende uitdrukking: de gezonde leer). Paulus' leven is gevuld geweest met „woorden". Ook in de situatie van strijd en vermaning, waarschuwing en appèl. De „twist" is voor Paulus wezenlijk met de verkondiging van het Evangelie verbonden geweest. Vanuit het Evangelie deinst Paulus niet terug voor strijd en discussie (zie Hand. 9 : 22). Alles komt hier dus op de positie aan, waarin men staat.
Dat alles neemt niet weg dat de discussie, de polemiek op dwaalwegen kan geraken. In het nummer van 18 maart schrijft Berkouwer daarover onder meer, dat één van deze dwaalwegen de strijd is tegen karikaturen. De polemiek wordt onzuiver, wanneer men vecht tegen mistekeningen, wanneer men eerst een vertekend beeld gaat geven en daartegen gaat polemiseren. Dat is onbillijk en nutteloos.
„Want daarin ligt niet alleen, dat men elkaar s geen recht doet, maar ook bespeuren we daarin een gevaar voor onszelf. Men kan namelijk door de accentuering van bepaalde gedachten van de ander zelf op een verkeerd spoor komen. We noemen dat meestal het gevaar van de reactie en de eenzijdigheid. Talloze voorbeelden zijn er uit de geschiedenis van kerk en theologie aan te halen, waarin men inderdaad bij de anderen een eenzijdigheid waarnam maar — in reactie — haar trachtte te weerstaan met een nieuwe eenzijdigheid (in een andere richting). Die voorbeelden zouden kunnen worden aangewezen in de genadeleer (de verhouding tussen rechtvaardiging en heiliging), de leer der laatste dingen (heden en toekomst), in de verhouding van Woord en Geest en in de leer der verkiezing. De polemiek neemt dan de vorm aan van een verschraling van het evangelie, omdat men zich laat beïnvloeden door de eenzijdigheid van de ander en zich laat verleiden — ter overreding! — naar een andere kant eenzijdig te worden Men vergeet dan, dat het niet onze taak is, aparte accenten te gaan leggen maar dat het onze roeping is het uitzicht te bewaren op „de veelkleurige wijsheid Gods" (Ef. 3 : 10) en dat uitzicht niet te laten verstoren door onze voorkeur en eenzijdigheden.
Dwaalwegen in de polemiek — ze zijn er in velerlei vorm. Het is goed om ze te onderkennen. Opdat de discussie niet vertroebele. Men schrikt menigmaal van het langs elkaar-heen-praten, het onvermogen, bijna zou je zeggen: de onwil om de ander in zijn diepste bedoelingen te verstaan. En het ergste is dat in de onzuivere polemiek onze woorden het Woord zelf niet aan het woord laten komen. Wij overheersen het dan met onze discussies, we leggen het zo vaak brutaalweg het zwijgen op. Alleen de gebondenheid aan het Woord der waarheid, waarin onze gedachten gevangen genomen worden tot de gehoorzaamheid aan Jezus Christus, biedt hier uitzicht.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 maart 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 maart 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's