LEIDING EN ROEPING
No. 2.
Tegenover dit alles heeft de Bond de roeping haar beginsel vast te houden, de banier der waarheid vaster te omklemmen en alle afglijding tegen te gaan. Dit brengt met zich, dat wij de versaagde broeders hebben te bemoedigen met het ook weer vele, wat bemoedigen kan. Daar is voor eerst Christus, Die ten hemel voer, om van daaruit Zijn gemeente bij de verkregen verlossing te beschutten en te behoeden. Daar is Christus, Die Zijn Geest gezonden heeft, „niet de Geest der wereld, maar de Geest, die uit God is, opdat wij zouden weten de dingen, die ons van God geschonken zijn, dewelke wij ook spreken, niet met woorden, die de menselijke wijsheid leert, maar met woorden, die de Heilige Geest leert, geestelijke dingen met geestelijke samenvoegende". 1 Corinthe 2 : 12 en 13. Daar is Christus, de Koning, Die alle nood en moeite heeft voorzien en voorzegd: In de wereld zult gij verdrukking hebben, maar hebt goede moed, want Ik heb de wereld overwonnen". Dan is er een rijke historie der kerk, die het laat zien, dat het niet altijd even vlot gelopen is en dat de Heere de kerk in de moeilijkste tijden toch altijd in stand gehouden heeft, al zijn plaatselijk en landelijk de kerken niet altijd in stand gebleven. Ook is in de geschiedenis het beginsel der kerk, het geloof der kerk altijd aangevochten geweest, veel meer dan de kerk zelf, maar het is ook altijd bewaard gebleven, veel meer dan de kerk zelf door God, en door genade ook door getrouwe mensen.
De bemoediging, die wij de versaagden graag geven, is ook te ontlenen aan de geschiedenis van de Bond zelf. De Bond heeft in zijn bestaan hoogtepunten gekend, maar ook dieptepimten. Het voegt ons niet, om bij zijn jonge geschiedenis alle stukken uit die geschiedenis op tafel te leggen, maar de ingewijden weten, dat er golvingen geweest zijn tussen een praedestinatiaanse visie op de kerk en tussen een verbondsmatige visie op de kerk, evenals dat het geval geweest is in de kerken der afscheiding in het midden van de vorige eeuw, enkele tientallen jaren na het jaar van de Afscheiding. Deze golvingen zijn ook zichtbaar geweest achter de bestuurstafel en in de leiding, die van het toenmalige Hoofdbestuur is uitgegaan op de afdelingen, op de opleiding van de predikanten en op de gemeenten. Wij denken aan de controverse Waarheidsvriend - Gereformeerd Weekblad uit die tijd. Niet te min is de Bond de Bond gebleven. Terwijl andere richtingsorganisaties kwijnden, groeide de Bond. Vele predikant-leden verloren wij en toch groeide de Bond. God was goed over ons en betrouwde ons toe een dieper verstaan van de belijdenis. Wij zijn gaan zien, dat de kwestie verkiezing - verbond niet op te lossen was door te stellen het „of - of", maar het „en - en". Het is vandaag een moeilijk ding onder ons, om het juiste evenwicht te vinden tussen de prediking van de verkiezing en die van het verbond der genade, maar de rechte prediking hiervan zal ons èn een doel geven in de kerk (iets anders dan een politiek doel!) èn die zal ons ook moed geven. De prediking is het ontstaan van de Bond geweest. Die heeft ons doen wassen. Dat die het blijve: geen kerkelijke politiek, geen liturgisme, geen kerkelijke actie, van welke aard ook, de prediking, die is ons toebetrouwd, die is ons geboden. Hieruit mag een goede bemoediging ontleend worden voor hen, die zouden gaan wanhopen aan onze zaak.
Een andere zaak is nog te noemen voor het algemeen beleid. In het verleden speelde ook de controverse: regeneratie-prediking — Christus-prediking een rol. Deze had tevens wat met de koers te maken, 'k Ga nu niet in op dit probleem zelf. 'k Wil alleen wijzen op de richting, die deze prediking gaf aan het kerkelijk denken. De wedergeboorteprediking leidde meer naar de gedachte-sfeer van de Oud-Gereformeerden, de Christus-prediking leidde meer naar het objectieve, zoals men dat, in het algemeen gezegd, vond bij de Confessionelen. In onze tijd sloeg de prediking over van het eerste naar het tweede. Teveel werd hier gesteld het of — of. Mij dunkt, dat men deze beide noties van de bijbel behoorlijk tot him recht moet laten komen en dat men alleen verschraling, vereenzijdiging van de prediking voorkomt, door het ene te prediken èn het andere te prediken. Wederom niet „of — of", maar „en — en", en dan beide dingen in de verhouding, waarin zij voorkomen in de bijbel. Dit kan geven een zeker evenwicht, een gerustheid en ook een vastheid in lijn. Het zal dus ook kerkelijk dit gevolg hebben, dat de Bond weinig lijden zal aan het op de prediking uiteenvallen in de meer onderwerpelij ke stroming en in meer voorwerpelijke stroming. Kerkelijk zal het dit gevolg kimnen hebben, dat de positie bewaard wordt, die wij willen inne-
men en dat tevens de Bond in zijn breedte kan uitgroeien. Minder moeilijkheden in eigen gemeente, meer werfkracht in het geheel der kerk, zo naar rechts als naar links.
Als wij dit alles als leiddraad menen te moeten geven, dan wil dat natuurlijk niet zeggen, dat er geen excessen zullen zijn. Het wil dan óók niet zeggen, dat er geen grenzen zijn. Het zal duidelijk zijn, dat er' zo ter eherzijde als ter andererzijde zullen zijn, die èn in pre^diking èn in kerkelijk beleid, anders denken, anders^ willen, en ook door willen breken naar kerken of richtingen, die met onze opvattingen niet verenigd zijn. Het is him recht om dan te gaan, waar zij menen te moeten zijn, maar het is niet hun recht ons mede te drukken in een richting, die de Bond niet past en die de Bond niet wil. U voelt, dat wij maar twee hoofdmomenten genoemd hebben. Er is natuurlijk meer te noemen, b.v. de liturgische stromingen in de kerk of de Pinkstergroepen in de kerk. Men moet, als men naar andere dan de Gereformeerde structuur wil leven en leren, daaruit de consequenties trekken. De Bond kan geen tucht oefenen, zoals de kerk dat kan. Hem ontbreken daartoe de organen, de commissies en de bevoegdheden. Als de kerk niet iemand van zijn stcindplaats losmaakt, dan kan niemand dat doen, ook geen enkele richtingsorganisatie. Dat is maar goed ook. Waar zouden wij aankomen, als ieder of iedere groep van mensen recht kan spreken. Wel is er een soort volkstucht: de gemeenten oefenen een zekere tucht. Men kan daarover denken, hoe men wil, maar die is er. Wijzigt iemands prediking zich, dan zal dat gevolgen hebben in de gemeente, zo ten kwade als ten goede.
Waar wij echter wel een zekere discipline kunnen-oefenen en hebben te oefenen, dat is in onze vereniging. Niet alles kan op naam van de Bond en ook op kosten van de Bond geleerd en voorgestaian worden in de kerk. Laat mij het zo stellen: Het lid zijn van de Bond, bijzonder het predikant-lid zijn van de Bond zal zijn bezwaren aan zich hebben, het heeft ook bepaalde voorrechten. Het brengt dus ook bepaalde verplichtingen met zich. Men vatte mijn bedoeling wel! Er is geen enkele reden, om ons te verhovaardigen of om ons boven anderen te verheffen. Daar zijn ook anderen in de kerk, die wij gaarne uitnemender achten dan onszelven. Daar zijn ook anderen in de kerk, die ons in prediking en in leven overtreffen. Ik zou zeggen: hoe meer, hoe liever! Maar dit mag toch eerlijk erkend worden, dat wij ons diep verwant voelen aan Dordrecht. En dit moet helaas ook eerlijk gezegd worden, dat er in de kerk zijn, die niet aan de kant van de Dordtse Gereformeerden staan. Zij keren rustig de besluiten van Dordrecht om, zij spreken de Remonstranten vrij en veroordelen daarmede de Gereformeerden.
Wij nu achten het een voorrecht te zijn, om in de gemeenschap met deze vaderen te staan, te belijden, te leren en te leven. Reeds enkele geslachten voor ons uit hebben in de Bond deze zaak voorgestaan, zij hebben daaraan hun krachten en hun leven gewijd. Een rij van mannen mogen wij met ere noemen, op wie wij gaarne terugvallen, aan wie wij ons diep verwant voelen, en aan wier beginselen wij ons gaarne conformeren. Er is een volk uit gevormd, dat een niet onaanzienlijk deel van de kerk beslaat, waar een Godsdienstig leven gevonden wordt, dat zeker zijn maren en zijn ^bezwaren heeft, maar waarbij toch duidelijk de bijbelse noties te vinden zijn en ook duidelijk de religie van de belijdenis is weer te vinden. Toegegeven, dat onder dit volk veel is, wat de toets van de bijbel en de belijdenis niet kan doorstaan, toegegeven dat onder dit volk veel zondigs gevonden wordt. Maar wij voelen óns toch met dit volk één, één in belijden, één in religie, één in het leven, dat het leeft. Wij vóélen ons zelfs één in de smaadheid, die dit deel des volks van jaren her heeft moeten dragen en die het ook nog heden moet dragen, omdat wij geloven, dat er iets van de smaadheid van Christus in is.
Is het wonder, dat wij van onze leden vragen te staan in deze zaak, trouw te staan in deze zaak? Wij mogen dat vragen, moeten het zelfs vragen. Het recht der kerk vraagt dat. De nood der kerk vraagt het. De statuten van de Bond vragen dat. Wie dat met ons zo niet gevoelt, niet kan en wil gevoelen, die zal daaruit als eerlijk man de consequentie moeten trekken. Dat hebben reeds velen gedaan. Zij gingen van ons uit, omdat zij van ons niet waren. Innerlijk waren zij van ons niet. Wij vonden hen later bij degenen, die ons gram zijn. Omdat zij ons eertijds kenden, kunnen zij ons nu het best bestrijden. Iemand, die eerlijk tot een andere overtuiging komt, kunnen wij dragen; zijn critiek en bestrijding kunnen wij verdragen, omdat die voortkomt uit een gewijzigd inzicht en uit een eerlijk gemoed. Wil men echter bij gewijzigde inzichten blijven en de Bond maken, wat hij naar oorsprong en wezen niet is, dan moet men duidelijk weten, dat wij beslissingen zullen nemen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 maart 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 maart 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's