De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De laatste maatregelen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De laatste maatregelen

10 minuten leestijd

De Joden dan, opdat de lichamen niet aan het kruis zouden blijven op den Sabbath, dewijl het de voorbereiding was — want die dag des sabbaths was groot — baden Pilatus dat hun beenderen zouden gebroken en zij weggenomen worden. De krijgsknechten dan kwamen en braken wel de benen des eersten en des anderen, die met Hem gekruisigd waren maar komende tot Jezus, als zij zagen dat Hij nu gestorven was zo braken zij Zijn benen niet. Johannes 19 vers 31—33. 

Het is heel stil geworden rondom de Heere Jezus en zijn medegenoten in de dood. Hij heeft Zijn geest bevolen in de hand zijns Vaders, de arbeid, de zware arbeid van zijn ziel is volbracht, de rust breidt zich over Hem uit, zo wijd en diep als de zee. De mensen zijn weggegaan, de een verwonderd, de ander geërgerd, menigeen met schrik vervuld; zou die kruiseling dan toch Gods Zoon zijn? Johannes is weer teruggekomen, nadat hij Maria thuisgebracht heeft, hij laat zijn blik gaan over de nu bijna verlaten heuveltop, waar de levensboom van het kruis van Christus geplant staat.

Maar de Joden, de overpriesters nog altijd voorop, gunnen zich nog geen rust. Zijn zij niet onder de indruk van al de wonderen die er geschied zijn; de zonsverduistering, de aardbeving, het voorhangsel dat scheurde? Zij zijn zeer verhard in het kwaad, alles wordt deze dag op de spits gedreven, hemel en hel botsen met elkaar. Hen houdt slechts één gedachte bezig: Als deze Jezus toch nog aan de dood ontkwam! Dat mag niet, dan was al hun moeite tevergeefs geweest. Zij moeten ervan verzekerd zijn dat Hij écht dood is, en daarbij moet de stadhouder hen helpen. Zij dienen bij hem een verzoek in, om de beenderen van de kruiselingen te doen breken, en denken daarbij uitsluitend aan die Ene in het midden. Weer wordt een nieuwe smart toegevoegd aan de vorige, een wreedheid, die Jezus' dood moet verhaasten.

Soms brak men de kruiseling de benen, om te verhinderen dat hij zou ontsnappen; daarna liet men hem hangen onder de brandende zon. Het duurde dan lang eer hij de geest gaf; uren, dagen lang. De wondkoorts woekerde voort in zijn lichaam, en de dorst teisterde hem. Maar meestal maakten de soldaten korte metten met de veroordeelde. Zij braken de beenderen met zoveel geweld, dat het de dood ten gevolge had. Daar vragen de overpriesters om: Jezus moet spoedig sterven, er moet een einde komen, aan de spanningen van deze dag. Het is al vier uur in de middag; weldra valt de avond. De laatste maatregelen dienen genomen te worden en dat zo doeltreffend mogelijk.

Toch staat daarbij niet het breken van de benen, maar het wegnemen van het kruis, op de voorgrond. Want de wet stelt haar eisen. En terwijl zij Christus ter dood brengen zijn ze de ganse dag in de weer met de wet. Eigenaardig is dat, benauwend, voor ieder die met de wet verder wil komen. De haat tegen Christus, met de wet in de hand. U weet wat de wet zei: Vervloekt is een iegelijk, die aan het hout hangt. Daarom had God geboden: Wanneer in iemand een zonde zal zijn, die het oordeel des doods waardig is, dat hij gedood zal worden, en gij hem aan het hout zult gehangen hebben, zo zal zijn dood lichaam aan het hout niet overnachten, maar gij zult het zeker ten zelven dage begraven; want een gehangene is God een vloek. Alzo zult gij uw land niet verontreinigen, dat u de Heere uw God ten erve geeft. Dat geldt ook voor Christus: Gode een vloek. Het huivert door ons heen: Hij, de zondeloze. Hij is tot een vloek geworden aan het kruis.' Die vloek brengt onheil over het hele land. Dat onheil moet voorkomen worden, de vloek moet onschadelijk gemaakt worden. Neem de vervloekte weg en ga Hem gauw begraven. De vloek is dan begraven, het land is gereinigd, het volk mag herademen.

„En zij weggenomen werden". Hij vooral. De wet moet worden gehouden. Het is goed voor het land, dat Jezus uit de weg geruimd wordt. Zij kenden de gewoonte der Romeinen die de lichamen lieten hangen totdat ze vergaan waren. Dat mag in Israël volstrekt niet! En, inderdaad, de wet eist, dat Christus' lichaam vandaag nog wordt weggenomen. Hij is immers een vloek geworden. Het ongenoegen Gods over de zonde, is samengetrokken in Zijn lichaam, daar aan het kruis. God deed Hem de eeuwige dood ondergaan. Zolang Hij daar hangt, is die vloek nog niet uitgewerkt, kan er van zegen geen sprake zijn. De vloek verspert de zegen de weg, de vloek houdt de zegen tegen. Daarom moet hij weggenomen worden. Hij weggenomen worden. Dan komt de weg vrij voor de zegen, dan zal de Heere ons het goede weer doen zien. Hij zal niet meer toornen en schelden in der eeuwigheid.

Wat een heilsbetekenis krijgt zodoende dit verzoek van de Joden. Het betekent niets minder, dan dat de vloek wordt verwijderd en de zegen vermenigvuldigd, nu Jezus gestorven is. De vloek, die vervloeking Gods, die over onze zonden vaart als een orkaan. Waartegen wij ons niet staande kunnen houden, die wij niet kunnen wegwerken. Wat een nood: God kan met mij geen genoegen nemen, zijn vloek verteert mijn leven, wat ik doe, wat ik laat, waar ik ga, waar ik sta, steeds achtervolgt mij die vloek Gods. Dat is benauwd, mijn lezer. Dat veroorzaakt een grote onrust in ons leven, en bij al de weldaden die wij ontvangen, komt die vloek zich telkens weer melden. Mag ik u dan meenemen naar Hem, die aan het kruis hing; maar neen, Hij werd weggenomen! De vloek werd weggedaan. Waar is hij gebleven? Hij is in de dood van Christus begraven. Zo alleen raken wij hem kwijt. Zo alleen kan de zegen zich laten gelden. Waar Christus al niet goed voor is in zijn dood!

Dat spreekt nog sterker, omdat het heden de voorbereiding is. De dag vóór de Sabbath. Een bijzondere Sabbath, de Paas-sabbath. Die dag van de Sabbath was groot. Schande als er dan nog iemand aan het hout hing. Hoe konden zij de dag heiligen, als de vloek nog van kracht was? Och, de Joden weten ternauwernood wat ze vragen en waarom ze het vragen. Doch wij verwonderen ons heden zeer. Want zie, die dag van de Sabbath was groot. De grootste, na de eerste, toen God gereed was met Zijn werk en rustte. De rust breekt aan, wanneer de vloek is weggedaan. Opdat de lichamen niet aan het kruis zouden blijven op de Sabbath. Dat draagt de goedkeuring des Vaders weg. En de Heilige Geest verklaart het in de harten; doet verzekering van die grote rust, aan door onweder voortgedrevenen. Wij hebben een vloek wegdragende Christus. Dat wordt een Sabbath! God rust in het werk van Christus, en daarom mag een moegestreden mens daar ook in rusten. Er is geen rust, dan in de rust Gods. Waar de vloek ons niet meer treft, waar de zegen als ons een fontein laaft. Voor eeuwig is de vloek verzonken in het graf van Christus. Op deze rustdag is God bevredigd, wat moet dat een vrede zijn, weergaloos en tot in eeuwigheid.

Pilatus willigt het verzoek in. De soldaten die de wacht houden bij het kruis krijgen opdracht tot het breken van de beenderen. De krijgsknechten dan kwamen en braken wel de benen des eersten en des anderen, die met Hem gekruisigd was. Links en rechts van Hem doen ze hun ruwe en wrede werk, met een zware moker. De middelste bewaren ze tot het laatst.

Links en rechts vallen de dodelijke slagen. Enerlei wedervaart hen beiden, maar tweeërlei is hun einde. Die rechtermoordenaar moet ook dit nog doorstaan. De poort naar het paradijs werd hem opengedaan, maar niets wordt hem bespaard, voor hij daar door treedt. Hij geloofde in Christus, ter elfder ure. Heden! Houdt daaraan vast, mijn broeder, nu de soldaten naar u toekomen. Ze slaan u het paradijs binnen. O neen, de engelen Gods dragen u erbinnen, Christus staat er borg voor. Wat een dag voor u. Vanmorgen nog onder de smaders, vanmiddag onder de bidders, vanavond onder de zangers. En braken wel de benen van de eerste. Zalig zijn de doden, die in de Heere sterven, van nu aan. Het wordt Sabbath, de verschrikkingen van de dood kunnen daaraan niets veranderen.

En van de andere. Voor hem houd ik mijn hart vast. Vreselijk is het te vallen in de handen van de levende God. Dat breken van de benen, maakt geen einde aan de vloek Gods. De eeuwige onrust, wordt het deel van allen, die hoe dicht ook bij Hem, zich toch verre van Hem hielden. Omdat ze er niet aan wilden: Wij toch rechtvaar­dig. De slag van de soldaat dreunt door ons hart heen: Verhardt uw harten niet. Zo heb Ik dan gezworen in Mijn toorn, zo zij in Mijn rust zullen ingaan! De een of de ander, daartussen is geen verschil. Maar het maakt een oneindig groot verschil Wie Hij, die in het midden hangt, voor ons is. Want daar is geen onderscheid, maar er voltrekt zich wel een scheiding. Zo wordt u Christus en Dien gekruisigd gepredikt.

Maar komende tot Jezus, als zij zagen, dat Hij gestorven was, zo braken zijn Zijn benen niet. Jezus hangt in het midden, en om Hem gaat het ons toch. Om Hem ging het de Joden: Hij moest sterven. Welnu, Hij is gestorven. De krijgsknecht, die naar Hem toegaat, merkt het meteen: de dood heeft hier zijn slag geslagen, de soldatendienst is daardoor overbodig geworden. Uiteindelijk hebben de mensen Hem de dood niet aangedaan. Boven hun kwaadwilligheid, steekt zijn vrijwilligheid torenhoog uit. Hij werd de ganse dag achtervolgd; nu is Hij hen vóór. Niemand neemt Zijn leven van Hem af. Hij legt het af. Die bevoegdheid heeft Hij van de Vader ontvangen, zo even deed Hij het: Vader in Uw handen beveel Ik mijn geest. Zo is de offerande Gode welgevallig: Hij heeft zichzelf Gode onstraffelijk opgeofferd, de priester heeft zijn werk verricht, daar komt geen soldaat aan te pas.

Dat Hij nu gestorven was. Eerder waren de Joden niet tevreden geweest. Eerder was God niet tevreden. Het was niet voldoende, dat Jezus leed en duldde, dat Hij gehoorzaamde tot het einde toe. Hij moest de dood smaken. Wij hadden gegeten van de verkeerde boom, de dood is de bittere nasmaak van de verboden vrucht. Christus zal die smaken, daarom moet Hij sterven. Waarom? Daarom, dat vanwege de gerechtigheid en waarheid Gods, niet anders voor onze zonden zou betaald worden, dan door de dood van de Zoon van God.

Komende tot Jezus. Mag ik u uitnodigen met die soldaat mee te gaan? Ziet dan, dat Hij gestorven is. Ziet wat de zonde aan loon uitbetaalt! Ziet aan Wien het werd uitbetaald. Hij is gestorven in onze dood, dat is om onze zonden. Hebt u de dood verdiend? Dan schiet er niets over van onze verwachtingen, dan hebben wij geen vooruitzichten meer. Maar o wonder van genade, dan ontvangen wij op de late avond van deze vrijdag een uitzicht, dat ons hart verheugt, dat de doodsschaduw in de ochtendstond verandert: ziende, dat Hij nu gestorven was. Ik zal niet sterven maar leven en de werken des Heeren vertellen. Dit werk des Heeren, dat Christus gestorven is, naar de Schriften. Want de liefde van Christus dringt ons: als die dit oordelen, dat, indien een voor allen gestorven is, zij dan allen gestorven zijn! Hoe bevrijdend wordt ons dan die dood van Christus. Onze eigen dood kan ons niet meer vasthouden. Ziende! De Heilige Geest opent ons de ogen. Hebt u zich al zo lang blindgestaard op uw dood? Wordt het u soms zwart voor de ogen? Ziet dan toch, dat Hij gestorven is. Voor één blik is heel het heil van zijn dood, uw deel. Uit genade. En genade is genoeg.

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 maart 1966

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

De laatste maatregelen

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 maart 1966

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's