LEIDING EN ROEPING
No. 3.
Liever echter geeft het bestuur leiding door moeilijke tijden heen, ook zelfs aan wankelmoedigen. Het is zo goed te verstaan, dat het moeilijk is in deze tijd, om de weg te vinden, door de wirwar van problemen, waarvoor deze tijd èn de kerk èn ons allen stelt. Vele malen heeft men al zijn tijd als een „geweldige" tijd gezien. Maar de dingen, die in en na de oorlog aan de orde gekomen zijn maakten deze tijd toch wel heel wat gigantischer dan elke tijd. Wij vergeten niet de geweldige dingen, die aan de orde kwamen in de Franse tijd, in de Reformatie-eeuw, in de Romeinse keizertijd, in de volkeren-verschuiving. Maar déze tijd heeft ook zijn doorbraak en overstromingen van ideeën. Ontzettend veel doet zich ook aan de kerk voor. Wij weten dat en wij leven daarin mee. Het is moeilijk om de weg te vinden, om het blazoen, het veldteken, zuiver te houden. Met al dat volk achter ons, met heel de kerk rondom ons, met een moderne wereld rondom ons, willen wij een leiding hebben en geven en aanbevelen, eenvoudig ontleend aan de letterlijke zin van Gods Woord, een leiding in de lijn van een grote traditie, die voorheen ontstaan is uit het bewaren van Gods Verbond en woorden. Als wij dat in de problematiek van deze tijd moeizaam zoeken, dan is het, dacht ik, roeping om dat gezamenlijk te doen, gehoorzaam ons onderwerpend aan de geopenbaarde wil van God. Wij hebben elkander nodig, om met elkander te staan tegen zo grote menigte van veranderingen, die geen vernieuwingen zijn.
De kerk is al door zoveel heengegaan, door allerlei ketterijen, door allerlei geestesstromingen, door volkeren-verschuivingen, door tijden van oorlogen en van vrede, door tijden van revoluties, van verscheuringen der kerk, van eenheidspogingen in de kerk. De kerk is er altijd door gekomen en zij is gebleven, al kan ik niet zeggen, dat de kerk daar altijd even moedig in is geweest. Wel zijn door al die tijden heen het eeuwig blijvende woord en het geloof de enige houvasten geweest.
Al onze berekeningen, al onze krachtsinspanningen falen tenslotte, hoeveel te meer zal het falen, als men voor de moeilijkheden het hoofd in de schoot legt, en als men tracht het op een zo gunstig mogelijk akkoord te werpen. Laat ons onze kracht zoeken niet in de kerkelijke politiek, maar in de religie. Dat is iets anders dan lijdelijk verzet, dat is positief werken, gaan zover als men gaan kan en niet doen, wat door Gods Woord verboden is. Wat ook falen moge, dit faalt niet, als men in het geloof op God ziet, als men het eenvoudig bij Gods Woord houdt. Zodra er kansberekening in het spel komt, is men de vrijheid in het woord kwijt. Het geloof heeft kerkelijk altijd wegen moeten gaan, waar geen wegen waren. De wegen van onmogelijkheid zijn doorgaans de wegen Gods geweest. Daar heeft het geloof geschitterd.
Daar is God gebleken te zijn de God, Die wonderen doet, de God, Die een afgesneden zaak doet in Zijn kerk en voor Zijn kerk. Dat doet ons altijd vasthouden aan deze, onze Hervormde kerk, en dat doet ons ook altijd voor haar hopen, ook als er hoe langer, hoe minder voor haar te hopen schijnt. Daar is een nieuwe stroming bezig zich baan te breken, die ook in Synodale kringen met vrees wordt gesignaleerd, namelijk de stroming, die de kerk in haar oude verschijningsvorm meent te moeten afschrijven. Dat is een overleefde zaak! Het geloof wordt geheel in het persoonlijke vlak getrokken, met hoogstens huisgodsdienstoefeningen. Het wordt daarom te meer zo kwalijk, omdat dit liquidatiegeloof aan anderen wordt voorgeschreven. Ik ga daar nu niet op in. Gij zult verstaan, dat wij daarom zo van harte begeren, als Hoofdbestuur, om de banier onder u en onder het volk van onze kerk en onder het volk, dat daarbuiten legert, op te heffen, de banier van dat geloof (een geloof óók aangaande de kerk), dat zo heerlijk eens beleden werd, dat daar bij documente ligt in het hart van onze kerk, als ik artikel X van de kerkorde zo noemen mag, van dat geloof, dat leeft in de harten van duizenden onder ons volk. Dat geloof is rijk beleden, het omvat wel alles, wat er over de kerk te geloven valt. Dit is ook het geloof, wat óók onze Bond in de kerk, met de kerk en voor de kerk wil geloven.
’k Dacht, dat dit niet een ijdele zaak was. Dat het dat dan ook onder ons niet zij. Men besef f e wél, dat dit geloof ons midden in de religie van ons beginsel stelt. Men kan nog zoveel spreken over de beginselen, men kan dat doen, zodat dat toch ons zelf geen goed doet, dat dit toch kwalijk werkt op anderen. Dat moge ons het brevet van getrouwheid leveren in eigen gelederen, maar dan maken wij ons eigen volk meer tot strijders voor dat beginsel, dan tot leerlingen van dat beginsel. Waar dit geloof, in onze prediking, in ons pastoraat, in ons apostolaat, in ons kerkelijk handelen en spreken leeft, omdat het in ons leeft, daar zal het wat doen in onze gemeenten, in de kerk. Ontveins het u niet, dat u niet allen achter u krijgt, dat u niet terugwint de van de kerk, de van God en Zijn dienst vervreemden. Maar dat geloof werkt zo goed in zijn veroordelende kracht, als in zijn winnende en zaligende kracht. Het één is zo goed zegen als het ander. Als het geloof de wereld overwint, dan is de overwinning tot zaligheid winst, maar dan is de onderwerping, al is die geveinsd, dan is de veroordeling des geloofs óók winst. Wij moeten in deze tijd duidelijk spreken, opdat men goed weet, waar men aan toe is, in de kerk en daarbuiten. Laat het ons eerlijk doel zijn, niet dat de Bond het wint, ook niet dat de kerk het wint, maar dat het geloof het wint. En dan zien wij van Kaïn af een Kaïnslijn lopen en van Abel af een Abelslijn, maar zij ontstaan allebei aan het geloof. Omdat Christus gezet is tot een val en tot een opstanding. Dit levend geloof te praktiseren, is onze kerk ons waard. Zij kan daar geen bezwaar tegen hebben, omdat dit haar eigen geloof is, uitgangspunt en doel van haar kerkorde.
Als wij nog één hoofdstuk willen aansnijden, waar in het Hoofdbestuur orde op zaken wil hebben, dan is dat over de wijze, waarop ons volk in de kerk verkeert.
De kerk is voor ons niet maar een operatie-gebied, waar wij onze arbeid uitvoeren, omdat daar gelegenheid voor is en in zoverre daar gelegenheid voor is. De Bond wil werken in, maar ook ten bate van de kerk. Aan deze kerk hebben wij onnoemelijk veel te danken, meer dan wij ons bewust zijn. Velen buiten de Hervormde kerk leven uit de erfenis van onze kerk, ook wij doen dat. Deze kerk heeft ons als een moeder geestelijk gebaard. Wat een onderwijs heeft zij ons meegegeven. Uit haar handen ontvingen wij onze Doop, in haar handen legden wij belijdenis af, uit haar handen ontvingen' wij het Avondmaal, ontvingen onze predikanten hun ambt. Laten wij daar eens góéd over denken! De kerk heeft toch recht op iets meer dan onze kritiek, namelijk hierop, dat wij vóór alles het goede der kerk graag erkennen. De gebreken der kerk moeten ons stil maken, want het zijn de gebreken van onze kerk en als wij onze rechtvaardige critiek uiten, dan moet dat zijn niet op Askelons straten, maar daar, waar zij kerkelijk binnen gebracht kan worden en moet worden. En als wij denken aan onze eigen zonden, die wij doen in de kerk en aan de kerk, dan past ons wel grote bescheidenheid.
Het zou een groter ramp zijn, als wij alles, wat in de kerk scheef gaat, stilzwijgend lieten passeren. Het zou nog groter ramp zijn, als wij stilzwijgend het verkeerde gingen aanvaarden, omdat het nu eenmaal door de kerk gedaan of besloten wordt. Maar zou het zo'n ramp zijn, als wij eens wat meer zeiden: „Zwijg gij stil, ik weet het ook wel? " Al ons klagen beneemt ons en anderen zo de moed.
Een zaak, waarmee de gemeenten nogal eens stroken met de kerk is die van de Evangelisaties onzerzijds in andere gemeenten en die van de II 10 a of 235 gemeenten in onze gemeenten. Ik vermoed dat de aantallen wederzijds elkander slaan. Het is de nood van de noodgemeenten. Op de ruim 300 Bondsgemeenten is een aantal van 15 noodgemeenten niet zo enorm. Omgekeerd is ook het aantal Evangelisaties in andere gemeenten niet zo, dat daarmee de hele kerk in nood zou verkeren. Van onze kant is het de prediking, die in andere gemeenten niet voldoet, hunnerzijds is het de liturgie en de manier van Hervormd zijn, die niet voldoet. Ik laat nu rusten het ontstaan van déze noodgemeenten in onze gemeenten. Dat is voor hun verantwoording, al doen wij goed alle schuld, die er bij ons kan liggen, in het verleden of in het heden, nauwkeurig te wegen. Niemand heeft hier het verlossende woord kunnen spreken en ook ik kan hierover geen uitspraak doen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 april 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 april 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's