De speerstoot
„Maar een der krijgsknechten doorstak zijn zijde met een speer en terstond kwam er bloed en water uit." Johannes 19 vers 34.
Neen, Zijn beenderen werden niet gebroken. Hij was, — zo voegt Johannes er straks aan toe — immers het Paaslam. Geen been van Hem zal verbroken worden. Maar het Lam is wel aan het spit geregen, „gebraden in de vlamme van 's hoogsten Richters strenge hand". Daarover gaan wij nu samen wat denken en spreken. Mediteren is overwegen, ter harte nemen, bewaren. Een meditatie dient ertoe, dat u mee gaat denken en mee gaat spreken. Dat wij ons samen, o wonder voorrecht, bezighouden met Hem, Wiens dood de oorzaak van eeuwig leven is.
Maar een der krijgsknechten doorstak Zijn zijde met een speer. Hij moet er zich van vergewissen, dat Christus gestorven is. Met het brede lemmet van Zijn lans steekt hij toe in de hartstreek, die stoot zal geen mens overleven. Hij doet het niet uit wreedheid, maar hij moet het zekere voor het onzekere nemen. Zo vertoont het lichaam des Heeren een nieuwe, gapende wond. Zo ook staat het onomstotelijk vast, dat Hij gestorven is. Aan deze wond herkent men het Lam; Thomas zal er over enkele dagen zijn hand in leggen.
Het is overigens wel verschrikkelijk, wat die soldaat doet. In deze speerstoot is alles samengetrokken, wat mensen Jezus aandeden. Zij stonden Hem naar het leven. Zij ontzien de Zoon niet. Deze is de Zoon, laat ons Hem doden. Zij trappen Hem op het hart, zij treffen Hem in het hart. Dat hart, dat zo warm klopte voor ellendigen en nooddruftigen. Zij, dat is die soldaat en dat zijn wij. Onze zonden zijn een moordaanslag op de Zone Gods, niets minder dan dat. De doornenkroon, het kruis, de spijkers en de speer: onze zonden-. Wij willen niet graag bij de terechtstelling betrokken worden, wij kijken liever uit de verte toe. Maar die soldaat duwt u de speer in de hand en zegt: Steek maar toe. Dan worden wij op heterdaad betrapt: onze zonde maakt ons tot medeplichtigen. Valt het licht over de vale heuvel Golgotha, dan zien wij, in Welken wij gestoken hebben. Dat is in hoge mate ontdekkend licht. Wat heb ik gedaan! Christus doorstoken, en daarmede God in het hart geraakt. Dat is de laatste ernst van de zonde: zij stoot door naar het hart Gods. O wee! Wie zou niet wenen, een goeddoend God naar het hart te steken.
Maar zo ook wordt het hart van Christus, het harte Gods, open gelegd voor snode zondaren. Wij dachten het ten kwade, maar God keerde het ten goede. De genade is veel meer overvloedig geworden. God stelt zijn hart open, en het is vol van liefde. Hij heeft Zijn eniggeboren Zoon gegeven, overgegeven tot in de dood. Wie zal de liefde peilen! Nooit hadden wij het hart Gods ontdekt, wanneer onze zonden het niet doorstoken hadden. Dat pleit ons niet vrij, integendeel. Dat doet ons duizelen, voor de lengte, de breedte, de diepte van de liefde Gods, die de kennis te boven gaat. Waar onze schuld open en bloot gelegd wordt, daar laat God zich in het hart kijken. Hoe lezen we dat in het Avondmaalsformulier: Zijn hartelijke liefde en trouw jegens ons, bevestigt God daarmee. Inderdaad, om duizelig van te worden, zodat we ons vasthouden aan Hem, Die hier doorstoken wordt.
Die vijfde wond van Christus heeft de Kerk vanouds veel stof tot overweging en aanbidding gegeven. Kerkvaders en kerkhervormers staren er vol verwondering naar, ze gaan stamelen onvermoede weldadigheden. Ze denken terug aan het paradijs. Toen Adam sliep werd zijn zijde geopend en Eva kwam stralend tevoorschijn. Zijn bruid, zijn vrouw. De bruid van Christus komt uit die doorstoken zijde tevoorschijn. Zijn doodswonde is de baarmoeder van haar leven. Christus oneindige liefde, liefde tot de dood, is de band die hen beiden verbindt. Christus is eerst gestorven, daarna kon Zijn gemeente pas leven. En nooit zullen wij een andere bruiloft kunnen vieren, dan de bloedbruiloft.
Zij denken terug aan de woestijnreis van Israël. Het volk dreigde van dorst te sterven. Waar moest het water vandaan komen, soms uit die kale harde rotsen? De rotssteen werd gespleten en terstond vloeide het water eruit. Hier golft het water des levens uit de zijde van de Heere Jezus. Hier hoor ik Zijn stem: Wie dorst heeft, kome tot Mij en drinke. Daartoe werd Ik geslagen, doorstoken, opdat er wateren zouden zijn in de wildernis. Om dorstenden te laven ten eeuwigen leven. En de rotssteen die volgde was Christus.
Zij denken aan Mozes, die de heerlijkheid Gods wenste te zien. De Heere liet al Zijn goedigheid aan hem voorbijgaan, maar Mozes kon Zijn aangezicht niet zien. Toen zeide de Heere: Daar is een plaats bij Mij; Ik zal u in de klove der steenrots zetten. Hier is de klove van de steenrots, de plaats waar wij door de hand Gods overschaduwd worden, om iets van Zijn heerlijkheid te schouwen. De enige plaats. Dit is daarom de poort des hemels, het voorhangsel dat gescheurd werd. Het ene beeld verdringt het andere.
Misschien bevreemden u deze overwegingen en een enkele zegt: mystiek. Zou het ook kunnen zijn, dat wij deze zeer bijzondere aandacht voor het lijden van Christus niet meer kennen? Wij nuchtere mensen, die ons niet spoedig in heilsgeheimen en heilsbespiegelingen verdiepen. Ook in de lijdenstijd houden wij ons vaak meer bezig met de mensen, dan met Hem. Wij zoeken zo zelden en daarom vinden wij zo weinig. Het geloof, door de liefde gedreven vindt allerlei vertroosting in Zijn wonden. Er gaan werelden van genade en zaligheid voor ons open, wanneer wij in stille overpeinzing, het Woord ter hand nemen, nu de soldaat de zijde van Christus doorsteekt.
Doch genoeg. En terstond kwam er bloed en water uit. Dat vergeet Johannes nooit, hij stond erbij, zijn getuigenis is betrouwbaar. Hij handhaaft dat getuigenis met klem. Is het, omdat hier het bewijs geleverd wordt dat Christus geen schijnlichaam had, zoals de dwaalleraars in zijn dagen beweerden? Dat Hij dus ook geen schijndood gestorven is? Ongetwijfeld. Doch het houdt nog meer in.
Water en bloed. U wilt mij wel ontslaan van de plicht, om een onderzoek in te stellen naar de aard van dit wonderlijke verschijnsel. Er zijn veel verhandelingen over geschreven. Mij dunkt, dat wij uit eerbied voor deze gestorven Heiland, hier geen uitsluitsel moeten geven over de samenstelling van het bloed en de eigenaardigheid van het water. Het is van groot belang: en terstond kwam er bloed en water uit. Christus wiens mond verstrakt en verstomd is in de dood, predikt van het kruis, dat Hij gekomen is door water en bloed.
Daar legt Johannes de nadruk op: Deze is het, die gekomen is door water en bloed namelijk Jezus; niet door het v/ater alleen, maar door het water en het bloed. En de Geest getuigt, dat de Geest de waarheid is. Daardoor is Zijn komst gekenmerkt, zoals wij nog heden ten dage in de sacramenten met water en bloed te maken hebben. Zei Augustinus dat de sacramenten uit de zijde van Christus gevloeid zijn, Calvijn voegt daaraan toe: Dan worden wij eerst waarlijk van onze vuiligheden gewassen en tot een heilig leven vernieuwd; dan leven wij voor God van de dood verlost en van de schuld ontslagen, wanneer Doop en Avondmaal ons tot de zijde van Christus leiden, opdat wij daaruit als uit een fontein, door het geloof scheppen, hetgeen de sacramenten ons afbeelden. En het is goed, zo zeggen wij, bij onze meditatie de sacramenten niet te verwaarlozen.
Bloed en water. De volgorde zelfs is hier van belang. In de schaduwendienst speelden bloed en water een grote rol. Wie het bloed plengde, moest door het water gereinigd zijn. De offeranden werden met water besprengd. Het oude verbond werd met bloed en water ingewijd (Hebr. 9 vers 19) zo wordt het nieuwe daarin bevestigd. Hoe treffend was de reiniging van de melaatse in Israël. Twee reine vogels waarvan de een werd geslacht boven levend water, en de ander weg mag vliegen, nadat hij in het water met het bloed ondergedompeld is. Dit alles predikt ons Christus, die ons van God geworden is tot wijsheid tot rechtvaardigmaking, tot heiligmaking en tot een volkomen verlossing.
Het bloed heeft kracht tot rechtvaardigheid. Het is de weg, waarlangs de vergevende genade tot ons komt: zonder bloedstorting geschiedt er geen vergeving. Christus is een Christus in Zijn bloed. De ganse borgtocht wordt in dat bloed volbracht. Hij grondt daarin het nieuwe en eeuwige testament, waarin alle schatten van vergeving en verlossing, vermaakt worden aan alles missende zondaren. Door dit dierbare bloed wordt de schuld gedelgd en de schande uitgewist. Hoe wordt Christus ons dierbaar in Zijn bloed tot rechtvaardiging. Zijn bloed spreekt betere dingen dan het bloed van Abel. Abels bloed verklaarde Kaïn schuldig en riep de wraak Gods in. Christus' bloed spreekt schuldigen vrij, en voert het pleit, tot eeuwig leven. Waar wij moeten zwijgen, daar gaat het spreken. Waar wij als aan de grond genageld bij het kruis staan, daar horen wij de stem van dit bloed. Het bloed van Jezus Christus Gods Zoon reinigt ons van alle zonden. Acht het toch niet onrein; alleen eigengerechtigheid verleidt u daartoe. Schat het toch niet gering, als zou het geen kracht tot rechtvaardiging hebben.
Het water heeft kracht tot heiliging. Het maakt, levend, het vernieuwt, het zuivert. Ik zal rein water op u sprengen, belooft de Heere, en gij zult rein zijn. Onze harten dienen gereinigd te worden van het kwade geweten. Wat al het water van de zee niet afwassen kan, dat kan dit water schoonspoelen. Wij hebben het water even hard nodig als het bloed. Welnu, Christus heeft Zijn gemeente gereinigd met het bad des waters door het Woord. Hij is een volkomen Zaligmaker. Al wat wij tot een leven voor God behoeven, is in Hem gegeven. Zoekt het niet buiten Hem! De Heilige Geest dringt er op aan. Het water is Zijn Geest. Die Geest neemt het uit Hem, en eigent het ons toe. Zodat wij gaan roemen in bloed en water. In Hem, uit Wien het stroomt, ja stroomt, voor de grootste der zondaren, en van geslacht tot geslacht.
Waar vinden wij oever en bodem?
Wij drijven rond in een zee van genade en heil. Welgelukzalig die het ziet: En terstond kwam er bloed en water uit. Zij zullen zien in Welken zij gestoken hebben. Zacharias heeft het geprofeteerd. Het twaalfde hoofdstuk eindigt met de rouwklacht over de doodsteek, die wij Christus toebrachten. Maar die doodsteek wordt in het 13de hoofdstuk een levensteken: Te dien dage zal er een fontein geopend zijn voor het huis van David en voor de inwoners van Jeruzalem tegen de zonde en tegen de onreinigheid. Daar is een bron ontsprongen van liefde uit Gods troon Uit 's Vaders hart gedrongen gegoten door de Zoon. Hij welt en straalt en vloeit zo schoon den geest, vaart uit de hoogte, om 't dorstig hert te noón.
Komt al tot mij, o mensen Komt al die dorstig zijt Ik hen, na 's Geestes wensen een levende fontein. Komt al tot mij en drinkt om niet dit is het eeuwig leven dat uit mijn wonden vliet.
Ik hen voor uwe zonden als water uitgestort en als een druif bevonden, die uitgewrongen wordt dit is het loon van al mijn dat gij maar komt genieten dat u geschonken werd.
Wie van Mij heeft gedronken die dorst altijd na mijn Mijn Vader heeft geschonken zijn allerbeste wijn. Wie die verzuimt, blijft in de dood en mist het eeuwig leven die schaad' is al te groot.
Nu wilt niet langer beiden o ziel, treed aan, treed aan eer d' aangename tijden des levens ons ontgaan. Geloofd zij God in eeuwigheid Die zulken bron des levens de ziele heeft bereid.
En terstond kwam er bloed en water uit.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 april 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 april 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's