De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE PERS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE PERS

11 minuten leestijd

Beroepingswerk.

Rondom het beroepingswerk doen allerlei ware - en ook wel onware - verhalen de ronde. Daarin worden de ervaringen die door de kerkeraad, predikant in kwestie, of gemeente opgedaan zijn, vaak breed uitgemeten. Het zijn nogal eens ervaringen van minder prettige aard. Geen wonder dat de kwestie van het beroepingswerk regelmatig in de kerkelijke pers aan de orde gesteld wordt.

Zo vertelt ds. J. H. Velema in de rubriek „Voor de lens" in het orgaan van de Chr. Geref. kerken „De Wekker" (van vrijdag 18 maart) het volgende:

Een kerkeraad van een vacante kerk, ijverig pogingen in het werk stellend „om te komen tot het bezit van een eigen predikant" heeft een onaangename ervaring opgedaan. Aangezien het hier geen incidentele ervaring betreft, maar er meerdere kerkeraden zijn, die met deze feiten in aanraking komen, willen we de betreffende misstand signaleren.

Wat is het geval?

De kerkeraad beriep een dominee nadat de gemeente hem verkozen had. De betreffende predikant neemt het beroep in ernstige overweging. Een beroep geeft als het serieus wordt genomen — en dat mogen we van iedere predikant verwachten — altijd de nodige onrust en spanning. De dominee staat op een tweesprong, vooral als reeds meerdere beroepen in de loop der jaren op hem zijn uitgebracht en hij reeds een aantal jaren zijn gemeente mocht dienen; of wanneer de beroepende gemeente reeds vele keren tevergeefs een beroep heeft uitgebracht. Er is regelmatig contact tussen predikant en beroepende kerkeraad. De kerkeraad voelt dat de predikant het moeilijk heeft; de hoop vermeerdert; het gebed wordt sterker; de spanning stijgt: zou het deze keer „de man van Gods raad" zijn? Maar als de laatste week van beraad is ingegaan krijgt de predikant in kwestie plotseling een ander beroep, dat zonder tweetal tot stand komt, hetzij bij acclamatie of, zoals tegenwoordig ook steeds meer de gewoonte wordt, bij enkele kandidaatstelling. Het is duidelijk dat de beroepen predikant daardoor in nog grotere moeilijkheden komt. Nu wordt hij drie kanten uit getrokken. Ik zou me kunnen voorstellen dat de betrokken predikant, hoe eervol het ook is om beroepen te worden, door deze gang van zaken gedeprimeerd wordt en bij voorbaat argwanend komt te staan tegenover elk beroep.

De kerkeraad vraagt: zouden we niet met elkaar kunnen afspreken dat we een predikant die een beroep In overweging heeft, het niet nog moeilijker maken door hem een tweede beroep of zelfs een derde te doen toekomen, maar eerst zijn beslissing af te wachten, opdat deze beslissing niet op een verkeerde wijze wordt beïnvloed?

Uiteraard kan men nooit zeggen: De kerkeraad die een beroepen predikant het tweede of derde beroep bezorgt, mag dit niet doen. Het is bovendien mogelijk - ds. Velema erkent dit ook - dat twee kerkeraden op dezelfde man een beroep uitbrengen, zonder dat men dit van elkaar weet. Maar er is ook een andere zijde. Er wordt wel eens gezegd: „De krant beroept". Waarmee men dan bedoelt, dat vermelding van iemands naam in de rubriek kerknieuws voldoende is om hem regelmatig in diezelfde rubriek te laten voorkomen. In zijn algemeenheid is dit uiteraard te veel gezegd en niet billijk aan het adres van kerkeraden. Maar dat genoemde uitdrukking geheel uit de lucht gegrepen is, kan men nu ook weer niet zeggen. Er spelen vaak allerlei wereldse motieven mee. Het „onbekend maakt onbemind" doet ook in het beroepingswerk wel eens opgeld.

Wij zijn - terecht - bijzonder huiverig voor een verplichte mutatie, waarbij door een centraal orgaan wordt ingegrepen en de vrijheid en mondigheid van kerkeraad en gemeente wordt aangetast. Terecht is door ds. C. M. Luteyn in 't Herv. Weekblad „De Geref. Kerk" (van 24 maart) gezegd: „Aan deze presbyteriale grondslag van onze kerk moet niet getornd worden”.

Maar juist wanneer we hierop staan, zullen we wel misstanden in de praktijk hebben tegen te gaan, opdat de beroeping van predikanten geen ongeestelijke zaak worde, waarin allerlei onzuivere motieven, die met het ambt en de ambtsvervulling niets te maken hebben, gaan meespelen. „Er is" - zo schrijft Velema in het aangehaalde artikel - „een ethiek voor het beroepingswerk". Een ethiek die te maken heeft èn met de genoemde presbyteriale grondslagen der kerk èn met de werkwijze en methode van het beroepingswerk. Of deze ethiek ons altijd even helder voor ogen staat, wagen wij te betwijfelen. Misschien moeten we het vragenderwijs stellen: „Waar blijft een goede (bijbelsreformatorische-) ethiek voor het beroepingswerk? ”

De preekbeoordeling in het beroepingswerk.

Ds. Luteyn, lid van de commissie voor het beroepingswerk - een adviescommissie die inderdaad probeert door haar advies werkwijze van het beroepingswerk te verbeteren - gaat in „De Geref. Kerk" van 31 maart nader in op de kwestie van, het beluisteren van de preek. Hij wijst er op, hoe in de praktijk vaak allerlei factoren die met de vorm van de preek te maken hebben (stem, voordracht, stijl, spreektrant, etc.) doorslaggevend zijn. Voeg daarbij de modaliteiten problematiek en de kwestie van allerlei verschuivingen en het zal duidelijk zijn dat hoorcommissies geen gemakkelijke taak hebben. Luteyn is er niet gerust op dat het inzicht om naar Schrift en belijdenis te oordelen, altijd aanwezig is. Hij schrijft onder meer:

Maar daarbij voegt zich ongetwijfeld nog een ander, zeer belangrijk argument: men mist het inzicht om naar Schrift en belijdenis te oordelen; men stelt zich tevreden met eigen traditionele begrippen, waarvan men zonder meer aanneemt, dat zij de enig-juiste zijn, in plaats dat men er ernst mee maakte om juist die eigen begrippen te onderwerpen aan het licht van Schrift en belijdenis. Ik noem die twee in één adem en naar ik meen terecht. In onze kerk mogen wij verlangen een Bijbelse prediking in overeenstemming met het karakter onzer kerk, die immers gereformeerd is. Hoe velen, beter gezegd: hoe weinigen, kennen die belijdenis! Men zweert er bij, men gebruikt ze als grondslag, maar in vele gevallen heeft men er geen exemplaar van in huis, laat staan dat men haar gelezen en in zich opgenomen heeft. De Heidelbergse Catechismus is misschien nog het meest bekend, maar de geregelde prediking daarvan is sterk aan het achteruitgaan. De Nederlandse Geloofsbelijdenis is voor velen een antiquiteit, waarvan men het bestaan weet, maar waar men zich nooit mee inlaat. En de Dordtse Leerregels staan zo ver buiten onze horizon, dat zij niet meer meetellen: die zijn uit de tijd en moeten nodig herzien of afgeschaft worden. Ik schrijf dit alles met droefheid neer en het geeft mij vaak zorg, als ik dit alles van nabij moet vaststellen. En och arme, nu zullen de vaak zo slecht onderrichte hoorders, die tot aan de rand vol zitten met hun eigen wijsheden, moeten gaan uitmaken, of de preek van de beluisterde predikant wel goed is!

Dat zijn behartigenswaardige woorden, die we ons zullen hebben aan te trekken. Al mogen we ook hier niet generaliseren en al zullen er gunstige uitzonderingen zijn, wat betreft de kennis van de Schrift en de belijdenis, hebben we ook als Hervormd-Gereformeerden beslist geen reden tot enige roem of zelfverheffing. Hier zullen we in een eerlijke zelfkritiek ook de hand in eigen boezem hebben te steken.

Vreemde uitingen.

Dat het beroepingswerk vaak langs vreemde wegen gaat, laat ds. Luteyn ons zien aan de hand van een tweetal verhalen, die ik de lezers niet wil onthouden. We citeren dus nog eenmaal uit dit lezenswaardige artikel:

Als consulent van een vacante gemeente moest ik de vergadering leiden, waarin de hoorders verslag zouden uitbrengen van hun bevindingen. De eerste spreker begon met te verklaren, dat de gehoorde dominee „niets" was en de anderen vielen hem daarin bij. Ik nodigde hen uit, dit gevoelen voor de anderen te verduidelijken, b.v. door hun te vertellen van die preek en voordracht, maar het enige, dat ik er na veel aanhouden uit kon persen, was: „Toen wij hem zagen, hadden wij al genoeg". Toen ging mij een licht op: de gehoorde predikant droeg nl. een baard en dat was in die tijd geen gewoonte. De godzalige Bogerman zou dan ook in deze gemeente geen kans gehad hebben en van Calvijn zouden zij zich met afschuw afgewend hebben. Hoe staat de gemeente tegenover de „baardmannetjes" van tegenwoordig? Of is zij langzamerhand zo ver gevorderd, dat zij werkelijk en ten volle de inhoud van de preek bovenaan plaatst?

Het tweede verhaal. Daar was een dominee, die telkens hoorders kreeg, maar nooit een beroep. Men vond dat algemeen zeer vreemd, want de man preekte heus niet gek en de inhoud mocht er zijn. Een goede vriend zei tegen hem: Je moet op de preekstoel meer lawaai gaan maken en harder schreeuwen! De goede raad werd opgevolgd en het volgende bezoek van hoorders leidde terstond tot een beroep. Arme kerk, waarin dit opgaat! Arme dominee, die deze weg volgt!

De naaste.

Het spreken over de naaste dreigt een slogan te worden, waarin op een theologisch en bijbels zeer onverantwoorde wijze gesproken wordt. Prof. Berkhof maakt in een artikel over dit onderwerp „De naaste" in het blad „In de Waagschaal" (van 2 april) de opmerking dat er in een tijdsbestek van ongeveer 16 jaar veel veranderd is. Ook op dit punt. Had men zo'n vijftien jaar geleden nog te maken met een vorm van geloof, waarin de naaste nagenoeg geheel uit de gezichtskring verdween, thans wordt God bijna geheel door de naaste weggedrukt.

Berkhof geeft dan enkele aspecten aan die het woord „naaste" in de Schrift heeft. Allereerst wijst hij er op hoe de naaste nooit zonder meer een andere naam is voor iedereen. „De naaste is de ander in een concrete ontmoeting". Juist dat dreigen we in een tijd van mondiaal denken te vergeten.

Een tweede aspect in dit woord is, dat in het N.T. de naaste primair „de broeder om wiens wil Christus gestorven is", betekent. Ook in de bekende gelijkenis uit Matth. 25 (vs. 31 v.v.) gaat het om hen die in het geloof met Christus verbonden zijn. Deze nadruk op de broederliefde in de gemeente van Christus zal niet mogen leiden tot clubjesgeest, maar mag evenmin uit reactie hiertegen verdoezeld worden.

In de derde plaats laat Berkhof zien hoe in de Schrift de mens, die mijn naaste wordt, het wordt óf krachtens zijn schuld, of krachtens zijn nood.

De onomkeerbare volgorde.

Van hieruit benadert de Leidse hoogleraar dan de actuele problematiek rondom Robinson c. s. Nadrukkelijk wijst hij er op hoe de volgorde van het grote gebod onomkeerbaar is.

Daarmee naderen we de kern van de zaak. Het blijkt nu immers dat we zelf niet in staat en bereid zijn om onze naaste te zien. Hij wordt pas zichtbaar in het licht van Gods genadige toewending tot ons, relbellen en slachtoffers. Pas doordat God in Christus onze naaste geworden is, ons nabij gekomen is in onze concrete leefruimte van schuld en nood, daarom weten we wat een naaste is en wat liefhebben betekent. Bij theologen als Braun en Robinson krijgt men vaak de indruk, dat de naaste ons van nature een onbekende grootheid is en dat we met zijn hulp de x moeten oplossen die we met de naam God aanduiden. Geen wonder als God dan een andere naam wordt voor de naaste, een naam die we terwille van de helderheid van de zaak zelfs beter weg kunnen laten. In het bijbels denken is het omgekeerd. Daar is een God die zich openbaart en krachtens openbaring de x van de naaste oplosbaar is geworden. Daarom is de volgorde van het grote gebod ook onomkeerbaar.

Met dat alles is niet gezegd dat wie God in Christus niet kent, daarom blind zou moeten zijn voor de werkelijke naaste. Maar er is wel mee gezegd dat we dan voor we het weten, de kans lopen met onze naastenliefde naar rechts te derailleren in de wet of naar links in de eros. Als de naaste niet meer thuishoort in het evangelie, in het licht dat over onze schuld en nood is opgegaan vanuit de grote Naakte, dan komt hij in het kader van de wet te staan, van een „verantwoordelijkheid" die wij als een last volvoeren en waarvan we ons afmaken zodra we er goede reden voor hebben (en die hebben we tegenover de schuldige naaste eigenlijk altijd). Of de naastenliefde wordt uitdrukking van onze eros, van ons verlangen naar zelfrechtvaardiging en zelfverrijking. Dat is het geval als ze haar grond (en dus haar grens) vindt in nationalisme, paternalisme, romantiek of een slecht geweten.

De auteur raakt hier een bijzonder belangrijk punt aan. In verschillende hedendaagse theologische beschouwingen wordt het tweede gebod: „Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf" losgemaakt van het eerste en praktisch verzelfstandigd. Het eerste en het grote gebod gaat op - men kan ook zeggen: gaat onder - in het tweede. Zeker, wij zullen in ons spreken hierover nooit mogen vergeten, dat Christus gezegd heeft: „En het tweede aan dit gelijk " Maar wie op de wijze van Braun e.a. de naaste gaat maken tot openbaringscategorie, komt terecht in een humanisme waarin de wezenlijke inhoud van het Evangelie geen plaats meer heeft.

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 april 1966

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE PERS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 april 1966

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's