De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

LEIDING EN ROEPING

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

LEIDING EN ROEPING

5 minuten leestijd

No. 4 (slot).

U voelt, dat de vraag naar de Gereformeerde prediking een stringenter vraag is. Deze vraag is legitiemer. Het niet vragen van een noodoplossing — bijna nergens vroegen onze evangelisaties: II 10 a of 235 aan. Dat niet vragen is ook legitiemer. Men wil een gewone plaats in de gewone kerk. Hoezeer wij rond 1834 en rond 1886 de noden en de zorgen en de onbillijkheden verstaan (wij kunnen waarlijk de afscheiding en de doleantie niet zomaar veroordelen!) — wij achten toch niet de scheiding de juiste weg, zeker niet de uitnemendste weg. Voor 1619 zochten de Contra Remonstranten een uitweg in een binnenkerkse doleantie. Dat lijkt dus wat op onze evangelisaties. Dat is iets waarop wij structureel ons op de vaderen kunnen beroepen, bij de uitweg, die wij zoeken. Wij weten ook zeer wel, wat de Gereformeerden moeten aanhoren en ondergaan van de kerkeraden. Maar nu dan die kerk, waarover wij spreken, die geen gelijke partner is van onze Bond en van onze Evangelisaties. Als wij nu de weg van de scheiding buiten de kerk afwijzen, zullen wij dan deze weg binnen de kerk voor ons zo vlot accepteren? Daar zijn voorbeelden van eindeloos geduld, van biddend aanhouden bij de Koning der kerk, een gelovig wachten vele, vele jaren, wat bekroond werd met de zegen van het in de kerk zijn en werken naar een goed geweten. Die weg is dan de uitnemendste weg, welke wij zien. Dit wil ik graag zeggen. Het tweede wat ik zeggen wil is dit: Men moet wel grondige bezwaren hebben wil men tegen zijn wettige predikant en tegen zijn wettige kerkeraad iets ondernemen. Het derde wat ik zeggen wil, is dit: Laat ons ook in onze kringen eens wat voorzichtiger worden met oordelen en veroordelen en met allerlei misprijzende benamingen toe te delen aan de voorgangers der kerk. Laat ons bedenken, dat niets minder dan de Heilige Schrift zegt: „Wie wind zaait, zal storm oogsten”.

Ik doe hier de zaak niet mee af, maar een strakke tucht op onszelf in eigen kring, in eigen kring, is de zaak, die ik hier bepleiten wil. Wat anderen doen, dat is niet voor onze verantwoording. Wij stellen ons voor, dat niet ieder doe, wat goed is in zijn ogen.

Nog één ding wil ik onder uw aandacht brengen. Het is het tucht bewaren in eigen kring. Wij hadden het ettelijke malen over de discipline. Dat was toch een kenmerk van de ware kerk. Wij zijn niet de kerk, maar een deel van de kerk.

Intussen een deel, dat gaarne staat op da kenmerken van de ware kerk. Ik mag verwachten, dat het ook gaarne zelf die kenmerken vertoont. Men spreekt van modaliteiten in de prediking. Wij verwerpen dat. Men heeft wel gesproken van modaliteiten van prediking in eigen kring. Dat heeft men onder ons aanvaard. Men heeft er in de kerk uit gelezen, dat er wel drie of vier stromingen zijn in de Bond. Persoonlijk aanvaard ik ook dit liever niet, ik aanvaard die modaliteiten visie ook niet in eigen kring. Wij zijn toch niet verplicht ieder naar elke bijzonderheid te loketteren? Kunnen wij nu van elkander niet dragen, dat wij wel hetzelfde geloven, maar dat wij toch van elkander verschillen?

Daar is toch een regionaal verschil tussen de nuchtere Fries en de mystieke Zeeuw? Er is toch een verschil in afkomst, in scholing, in uitdrukkingswijze, zelfs in voorkeur bij tekstkeuze? Er is toch ook een verschil van volk, waaronder men te arbeiden heeft! Dit alles is mogelijk, voluit mogelijk, binnen de grenzen van het goede geloof, van het goede belijden, van de goede prediking en van die bepaalde liturgie, die wij bezitten en volgen. Ik meen, dat wij onszelf wat meer tucht moeten opleggen in onze omgang met elkander. En wij moeten het ook elkander doen, eerlijk en op de man af. Niemand bezondigt zich, als hij een ander het zwijgen oplegt, die lichtvaardig over predikanten — veel geliefd conversatie-onderwerp — oordeelt. Wij moeten ook als kerkeraden tot een ernstig punt maken, om over de eer en goede naam van onze predikanten te waken. Al te veel schade werd aangericht aan de levensvreugde van de predikanten en aan de vrede van de gemeenten. Waarom toch altijd dat naar beneden praten van de prediking. Goede discipline is ook een zaak tot behoud van de Bond. Wij bedoelen hiermede dus niet te zeggen, dat wij in bescherming moeten gaan nemen, wat zich innerlijk van ons verwijdert, maar wel, dat wij erkennen, aanvaarden, en de goede naam bewaren van hen, die zich innerlijk bij ons gevoelen. Daar zijn toch altijd mannen, eerlijke mannen, vaak heel kundige mannen, vaak mannen met vijf of tien talenten, die achtergezet worden om allerlei volkse kenmerken en onbenulligheden bij mannen met één talent. En een eerlijk en vroom man met het ene talent telt net zo goed mee als de man met de vijf talenten. Dit kunnen verschillen zijn in kundigheden of begaafdheden, het kunnen ook verschillen zijn van geestelijke aard: dieper of minder diep kennen, hoger of minder hoog schouwen, verder of minder ver ingeleid zijn, nader bij God leven of verder van Hem afstaan. De goede orde vraagt, dat wij als christenen in de kerk en onder elkander leven, en ook als heren.

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 april 1966

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

LEIDING EN ROEPING

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 april 1966

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's