UIT HET NIEUWE TESTAMENT
1 Corinthe 11 vers 17-34.
De vorige maal bespraken wij de waarschuwing van de apostel, gericht tot de Corinthische gemeente, om het Avondmaal toch niet te ontheiligen. In deze gemeente onderscheidde men te weinig tussen het Avondmaal en een gewone maaltijd en ontbrak het te zeer aan echte liefde. Wij zagen hoe deze waarschuwing ook voor ons nog van betekenis kan zijn.
Thans willen wij er nog op letten, hoe Paulus deze waarschuwing als het ware onderstreept, door daaraan toe te voegen, dat niemand zich straffeloos aan de heilzame, doch heilige inzettingen Gods vergrijpt. Zo lezen wij in vers 29: “Want die onwaardiglijk eet en drinkt die eet en drinkt zichzelf een oordeel. In verschillende handschriften staat hier het woord onwaardiglijk niet. Dan staat er dus alleen: »die eet en drinkt”
Doch ook dan is het duidelijk, dat de apostel bedoelt het eten en drinken, dat hij zojuist heeft veroordeeld. En dat is toch het eten en drinken, op een onwaardige wijze, zonder de nodige zelfbeproeving en bezinning op het aangaan aan de tafel des Heeren Wij zouden hier dus kunnen vertalen: „Wie maar eet en drinkt als was het een gewoon eten en drinken!”
Men kan zich, volgens de apostel, dus een oordeel eten en drinken Nu is de vraag, wat hij hiermee bedoelt. Het valt niet te ontkennen, dat men in de gemeenten nog wel eens de gedachte aantreft, dat het hier gaan om het vonnis van de eeuwige straf, zoals daarover wel meer in de Schrift gesproken wordt Van die straf is natuurlijk geen ontheffing meer mogelijk die is definitief Is het wonder, dat wij als gevolg hiervan in de gemeenten soms leden aantreffen - schuchter met in hun hart de begeerte om aan het Avondmaal deel te nemen - doch die terugschrikken om dit te doen. Zij mijden dit versterkende Sacrament en blijven liever, wat dit betreft, onbevredigd, dan dat zij, zo denken zij, zich bloot zouden stellen aan het oordeel van de eeuwige straf!
En wanneer bij deze leden soms ook nog leeft die verkeerde opvatting aangaande het woordje „onwaardiglijk", in vers 27, als zou dat zien op een eten en drinken als onwaardige, - dan ligt het temeer voor de hand, dat men zich van het Avondmaal onthoudt.
Echter, het is wel zeker, - en dit moge ter geruststelling van deze verontruste leden gelden, - dat Paulus hier niét het definitieve eindoordeel op het oog heeft. Dit blijkt uit het feit, dat hij hier niet spreekt van hét oordeel, doch van een oordeel. Hierdoor krijgen zijn woorden wel een andere betekenis. Hij bedoelt te zeggen: wanneer de Corinthiërs op een onjuiste wijze, zonder zelfbeproeving, het Avondmaal gebruiken, moeten zij niet denken, dat dat iets is, wat in dit wege hun schuldig doen, éen oordeel van God op de hals. En wij kunnen dit direct in wijder verband toepassen. Wanneer ook wij, zómaar, zonder zelfbeproeving en werkzaamheden van het echte geloof, aan de dis des Heeren aangaan, moeten ook wij niet menen, dat het een neutrale zaak is. Baat het niet, - het schaadt evenmin. Neen, dan blijven wij er niét dezelfden onder!
Wij dragen altijd iets van de tafel des Heeren weg. Het gaat er om, en daartoe is ze van de Heere voor Zijn gelovigen ingezet, - dat wij er geestelijk voordeel van zouden wegdragen, - dat ons geloof erdoor versterkt zou worden. Doch gebeurt dit niet, dan zal ons aangaan ons tot éen oordeel zijn. Dit kan in ons leven openbaar komen op bepaalde wijze. Wij zullen straks zien, op welke wijze dit in de Corintische gemeente gebeurde. In elk geval kan dit maar al te zeer geschieden in het feit, dat ons innerlijk, dat greep naar iets, waarop het zo geen recht had, almeer toegesloten raakt voor de werking van Gods genade.
Dit behoeft dan in ons leven nog niet iets definitiefs te zijn. Hier is nog bekering mogelijk. En dan kan deze gevaarlijke gesteldheid alsnog doorbroken en opgeheven worden. Natuurlijk is het anderzijds mogelijk, dat er géén bekering plaats vindt. Dan kan dit eerst nog tijdelijke, niet definitieve oordeel wél definitief worden. En dit definitieve kristalliseert zich dan reeds in een volslagen verharding.
Wij bedenken hierbij, dat élke onheilige omgang met de inzettingen des Heeren en de middelen der genade, zó, dat daarbij niet geworsteld wordt om de zégen daaruit en het erge van het missen van die zegen niet gevoeld wordt, een bepaalde schade, een oordeel, met zich meebrengt!
Dit geldt niet alleen bij het Avondmaal, doch op een veel ruimer terrein. Wanneer wij steeds weer opnieuw met een onbewogen hart het Woord Gods lezen en er niet eens last van hebben, dat wij dat zo doen, - wanneer ons bidden alleen maar lippentaal is en dit ons niet eens verontrust, - wanneer wij onder de prediking van het Woord met onze gedachten heel ergens anders zitten en de boodschap, welke van Godswege daarin tot ons komt, ongeïnteresseerd naast ons neerleggen, - dan is het niet zó, dat wij alleen de zegen van dat alles missen, doch, erger! Dan zullen wij er innerlijk schade door ondervinden. Wanneer er geen verandering optreedt, zal er een groeiende onverschilligheid over ons komen en zullen wij al minder ontvankelijk worden voor het werk, dat de Heilige Geest anders in ons hart wil verrichten. Is hier de omgang met de heilige dingen Gods ons niet tot voordeel, dan is ze ons tot een oordeel. Een oordeel, dat eerst nog niet definitief behoeft te zijn, doch later dat wel worden kan! Het is dus op déze wijze, dat men zich ook aan het Avondmaal een óórdeel kan eten en drinken.
En het is stellig niet onjuist, om hier aan geestelijke schade te denken, zoals wij zojuist memoreerden. Echter, uit wat Paulus in vers 30 verder schrijft, blijkt, dat dit oordeel zich evenzeer kan openbaren in andere schadelijke gevolgen. Wij lezen n.l., dat hij daar schrijft: „Daarom zijn onder u vele zwakken en kranken en velen slapen”. Wat de apostel hier zegt, is eveneens wel in geestelijke zin opgevat. Hij zou hier dus denken aan verschijnselen van geestelijke inzinking en slaperigheid in de gemeente. Echter, de woorden, welke hij hier in het oorspronkelijke gebruikt, wijzen stellig in een andere richting. N.l. dat wij hier moeten denken aan lichamelijk zwakken en zieken. Die waren er blijkbaar in de Corinthische gemeente in een groot aantal. Bovendien waren er dus velen, die sliepen. Men heeft hier wel gedacht aan een „slaapziekte", welke dodelijk was. Doch beter is hier te denken aan ontslapenen. Dit woord gebruikt Paulus op andere plaatsen in zijn brieven voor gestorvenen. Er waren dus blijkbaar ook veel sterfgevallen in de gemeente. En het belangrijke hier is dus, dat de apostel dit alles niet als iets „toevalligs" ziet, doch verband legt tussen de verkeerde Avondmaalsviering in Corinthe en die vele ziekte-en sterfgevallen. Met apostolisch gezag duidt hij deze als een oordeel, dat de gemeente zich door die verkeerde Avondmaalsviering op de hals gehaald heeft.
Dit alles is merkwaardig. Paulus legt hier dus verband tussen deze schaduwen, welke vielen over het leven der gemeente, en het gebrek aan geestelijke tucht rondom het Avondmaal. Hij doet hier iets, wat wij wel méér in de Schrift terugvinden. De ongelovige wereld glimlacht, wanneer wij bij ernstige gebeurtenissen op natuurlijk gebied, b.v. bij oorlogen, ziekten, natuurrampen, verband leggen tussen deze dingen en de afval van God en van Zijn dienst.
Zeker, wij zullen hier wel altijd voorzichtig moeten zijn en niet rechtlijnig, nog minder hooghartig oordelen. Bovendien zullen wij hier steeds moeten bedenken, dat Gods wegen hoger zijn dan de onze en Zijn gedachten anders dan de onze. Hij kan met deze gebeurtenissen ook geheel andere bedoelingen hebben. Toch laat de Schrift ons deze ontzettende voorvallen wel meer als oordelen Gods zien, ook Jezus Zelf doet dit in Zijn grote eschatologische rede in Mattheüs 24.
Nog eens, men zij hier voorzichtig. Anderzijds echter is hier geen reden voor een ongelovige glimlach. Het natuurlijke leven hangt samen met het geestelijke. Wanneer dit laatste op schuldige wijze ontheiligd wordt, heeft dat gevolgen in het eerste.
Geldt dit niet in bijzondere zin in het gemeenteleven? De gemeente heeft de bijzondere roeping tot geestelijke tucht. Verzaakt zij deze roeping, dan heeft dat schadelijke gevolgen.
Wij vinden dit terug b.v. in Openbaring 2, waar de Verhoogde Christus het Woord richt tot de gemeente van Thyatira. Daar is een vrouw Jazebel die optreedt als een valse profetes en verleidt tot afgoderij en andere zonden. Zij wil zich niet bekeren en de gemeente blijft in gebreke de noodzakelijke tucht over haar uit te oefenen. Dan kondigt de Verhoogde Heere aan, dat Hij haar, zo zij zich alsnog niet bekeert, ziek te bed zal werpen en haar kinderen door de dood zal ombrengen! En ook de bekende geschiedenis van Ananias en Saffira in de Jeruzalemse gemeente, beschreven in Handelingen 5, is hier leerzaam!
Nog kunnen er over het gemeenteleven bijzondere schaduwen vallen. Soms in lichamelijke zin, doch ook in geestelijk opzicht!
Er kunnen zich geestelijke inzinking, moeilijkheden, scheuringen in de gemeenten voordoen. En wij zeggen dan zo licht dat er gebrek is aan vrucht op de prediking des Woords. Dit kan dan inderdaad het geval zijn. Of is hier soms ook een schadelijk gevolg van een verkeerde Avondmaalsviering? Dat er te weinig geestelijke tucht is rondom het Avondmaal? En dat men niet recht leeft in verband met het Avondmaal?
Laten wij ons hierbij goed realiseren: dit is mogelijk, wanneer er een aangaan is zonder de rechte zelfbeproeving en onderscheiding. Doch dit is even zeer mogelijk, wanneer er een onverantwoordelijk wegblijven is! Er is wel bezinning en men kan niet ontkennen, dat de Heere een goed werk begonnen is, maar men zoekt nog zoveel waardigheid en gronden bij zichzelf. En men stoot niet door tot de overgave des geloofs aan Christus en aan Diens werk alleen. Men komt niet tot dat steunen op Zijn werk alleen, waarin de echte vrijmoedigheid om toe te treden ons geschonken wordt!
Niet voor niets besluit de apostel dit gedeelte over het aangaan tot 't Avondmaal met de woorden uit de volgende verzen. „Indien wij onszelf oordelen, wij zouden niet geoordeeld worden", zo lezen wij in vers 31. Hij doelt hier weer op de rechte zelfbeproeving. Deze houdt immers in een oordelen van zichzelf. Als de Corinthiërs dit meer deden, zouden zij zich van het Avondmaal hebben onthouden om dit niet op ee^ onwaardige wijze te gebruiken. Of, — én dat zou béter zijn en daarom ging het, — zij zouden hun zonden beleden en zich bekeerd hebben. En alzo zou de weg open gekomen zijn voor een viering van het Sacrament op een waardige wijze.
En dan ook zouden de Corinthiërs, naar de mens gesproken, de Heere niet gedwongen hebben om hen met Zijn oordelen te bezoeken. Daarom zet de apostel deze oordelen nog in een bijzonder licht. „Als wij geoordeeld worden", zo schrijft hij verder nog, „zo worden wij van den Heere getuchtigd, opdat wij met de wereld niet zouden veroordeeld worden”. De apostel wil hier natuurlijk zeggen, dat die oordelen, juist omdat zij nog niet definitief waren, een positieve bedoeling hadden. Het waren tuchtroeden des Heeren, wel straffen, maar genadige bewijzen, dat Hij hen nog niet had losgelaten. Roepstemmen, om hen nog tot bezinning en bekering te leiden! En zou dit inderdaad gebeuren, dan zouden zij niet éénmaal als de ongelovige wereld door het eindgericht getroffen worden!
Wij begrijpen, dat de apostel, na alles, wat hij geschreven heeft, eindigt met de hartelijke opwekking in vers 33: „Zo dan, mijn broeders, als gij samenkomt, om te eten, verwacht elkander". Met andere woorden: houdt uw liefdemaaltijden en vooral het Avondmaal niet in die verkeerde gesteldheid, zonder de echte liefde en levend geloof. Laat het anders zijn! Staat daarnaar! 't Is als horen wij deze opwekking ook tot óns gericht. Wij mogen het Avondmaal nooit zomaar mijden, ook niet zómaar gebruiken. Het gaat om een aangaan niet zonder de rechte zelfbeproeving en voorbereiding, in levend geloof. Dan krijgt dit „verwachten" een diepe zin. Wij wachten op elkaar om samen in geloof en broederlijke liefde toe te treden, wachtend op onze Heere, Die aan Zijn tafel wacht op de zijnen!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 april 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 april 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's