Aandacht voor Pasen
„ziet de plaats, waar zij Hem gelegd hadden". Markus 16 6b.
Wat gaat de tijd toch snel; het is alweer tien dagen na Pasen. Stond u er even bij stil, dan ia dat weer verleden tijd. Wij moeten verder. Als we nu eens niet meer verder kunnen, wat dan? Daarom keren wij op onze schreden terug, om ons bij het geopende graf rekenschap te geven van het alles overtreffende heilsfeit: Hij is opgestaan. En wij bidden, dat deze overdenking ons alsnog een gezegend Pasen mag bereiden. Gezegend door de Heilige Geest, die het geloof in onze harten werkt en versterkt.
Onze aandacht wordt gevraagd, voor Pasen. Wij mogen er niet vluchtig aan voorbij gaan: ziet de plaats waar zij Hem gelegd hadden. Ziet u die plaats? Het graf van de Heere Jezus. Wie hadden Hem daar gelegd? U weet het antwoord natuurlijk wel te geven. Doe het echter niet te gauw! Hebt u er wel aan gedacht, dat God Hem daar gelegd had? En Gij, zo klaagde Jezus in zijn lijdenspsalm, legt Mij in het stof des doods. Gij! Die hoge en heilige God. Toen onze zonden aan Hem bezocht werden, moest Hij sterven. De dood zit aan de zonde vast, wij zijn gewaarschuwd. Wie zich met zijn leven losscheurt van God — en dat is de zonde — is een kind des doods. Wat wil dat toch slecht tot ons doordringen: Het stof des doods, dat is de straf Gods. Velen menen, dat zij God nog wel aan hun kant hebben, dat ze het met Hem wel aardig kunnen vinden. Satan draait ons het rad van deugd en godsdienst voor de ogen, en wij hebben van God niets te duchten. Zo is het echter niet. Hoort het voor de zoveelste maal; hoort het voor 't eerst: Gods recht eist uw dood. Ik weet dat het hard klinkt, maar Gods rechtvaardigheid is geen hardvochtigheid! Dat is Zijn eer te na. Geeft de Heere de eer van Zijn naam; Hij is rechtvaardig. Geeft Hem die eer, bij het graf van Zijn eigen Zoon Jezus Christus. Want Gods recht eiste de dood van Christus.
Welnu, Christus is gestorven, begraven. De zaak tegen Hem is afgehandeld. Het „neen" tegen de zonde is overduidelijk uitgesproken. Waar het oordeel des doods voltrokken werd, daar komt die andere zaak, waarvoor Hij Zijn leven gaf aan de orde. Met Pasen roept de Rechter: Volgende zaak. En het blijkt de zaak der zaligheid te zijn. De zaak van de opgewekte Christus, Die gestorven is, en wat méér is. Die ook opge wekt is. Zijn sterven is vol van kracht ter verzoening. Waar God Hem neergelegd heeft, daar blijft Hij niet liggen, o nee. Daar klinkt het „ja" van de genade op de morgen van de opstanding. Jezus kon niet in het graf blijven. Dan zou dit bevestigende woord niet gehoord zijn. Het was onmogelijk, dat Hij door de dood gehouden werd. Gods recht en Gods macht wekken Hem op. Mijn Zoon, zegt de Rechter, die Vader is. Ik ben over u volkomen tevreden. Ik ontsla u van verdere rechtsvervolging. Ik stel u in de vrijheid van het leven. Hij is hier niet. Dat kan niet, dat duldt Gods trouw en Gods waarheid niet. Zo wordt in Zijn opstanding de voldoening en de verzoening door Zijn dood, van kracht. De Heilige Geest leert ons dat; wat meer is. Want zo alleen krijgen arme zondaren recht ten leven.
Trouwens, hoe kon Jezus in het machtsgebied van de dood blijven? Zou Hij uit dat hevige gevecht, dat Hij met dood en hel voerde, niet als overwinnaar tevoorschijn komen, dan was het verloren. Dan heersten dood en duivel en de poging, de heldhaftige poging om mensen uit hun macht te bevrijden zou schipbreuk geleden hebben. Gods heilsplan zou mislukt. zijn. Pasen betekent, dat, wat een mislukking scheen, toch geslaagd is en door God aan het licht gebracht: Hij is hier niet. Hij was er eenvoudig niet te houden; Hij overwon, die sterke held. Waar God Hem neerlegde, daar neemt Hij Hem weer weg: Hij is opgestaan. Aan Zijn opstanding hangt heel het heil. Zijn opstanding is heilsopenbaring en heilszegepraal. Daarom is de prediking niet ijdel, zij kan het tegen alle machten opnemen. En daarom is het geloof niet ijdel. Het heeft weet van deze overwinning, die in de rechtvaardiging haar grond vindt. Wie hieraan voorbijgaat, kan zich in de strijd des geloofs niet staande houden. Zoekt zich te rechtvaardigen, tracht te overwinnen, en komt nooit tot de vrijheid van de kinderen Gods. Deze daden Gods dienen uitgeschreven te worden in ons hart en leven, door de Heilige Geest; dat is de rechte bevinding.
Waar zij Hem gelegd hadden. Wie, vragen wij nogmaals. Zijn vijanden. Zij zijn nu van Hem af. Zij houden Hem , angstvallig in het graf. Trachten dat althans. De steen met het zegel, de soldatenwacht, en nog later het hardnekkige gerucht: Hij is toch dood. Hij is nog dood. De plaats waar Hij gelegen heeft moge leeg zijn. Hij werd slechts verplaatst. Hij stond niet op, dat in geen geval. Heeft Hij al geleefd, nu is Hij dood. De wereld viert geen feest. Geen Paasfeest. Hoe kan het ook? Zij hebben Hem ergens in het dood verleden weggelegd en weten niet eens meer waar. Wanneer het verkondigd wordt: Hij is opgestaan, ontkennen zijn vijanden dat om het hardst. Onder die vijanden vinden wij allen die de opstanding van Christus loochenen, ook al klimmen ze met Pasen op de preekstoel.
Geen wonder. Als het waar is; als Jezus leeft, dan is hun plan in duigen gevallen. Dan worden zij als vijanden aan de kaak gesteld; dan is het uit met hen, niet met Hem! Denkt het u eens in. Paulus heeft het meegemaakt. Ik ben Jezus, Dien gij vervolgt. Toen sloeg hij tegen de grond. Jezus, dien wij dood wanen, doodwensen, doodverven, doodzwijgen, leeft. Wat moeten wij met die levende Jezus aanvangen? Vandaar dat verbeten: Hij is dood. Pasen, dat overleven zijn vijanden niet. Hij is hier niet. Hoe vergist ge u. Ziet de plaats waar gij Hem gelegd hebt, om u van Hem te ontdoen. Deze Jezus heeft God opgewekt. Dat sloeg in als een bliksemstraal, op Pinksteren. Wat zullen wij doen? Hij komt weldra om de levenden en de doden te oordelen. Wie Hem voor dood houdt, houde zich dat voor gezegd.
De plaats waar zij Hem gelegd hadden. Dat zijn Zijn vrienden geweest. Zij prentten zich die plaats goed in het geheugen; daar ligt Hij in het graf. Het is afgelopen met Hem. Wie windt de wekker op, als de veer gesprongen is? Wie wentelt de steen weg van het graf; grafstenen laten wij liggen. Achter die steen houden wij Hem voor dood. Wat doet het ongeloof anders? De liefde fluistert nog haar woorden, maar het ongeloof geeft de toon aan: Hij is hier. Dat dachten de vrouwen, dat dachten de jongeren, Thomas vooraan, dat dachten de Emmaüsgangers nog in de late avond. Zij kwamen terug van een begrafenis, en ziet daar de Levende liep met hen mee: Hij is opgestaan. Dat woord werpt hen uit hun evenwicht, het bindt heden nog de strijd aan met dat taaie ongeloof van u of van mij.
Wordt de Paasboodschap verkondigd, dan gaat het hard tegen hard. Leeft Jezus of is Hij dood? Hij is dood, daarom ben ik zo moedeloos, zo uitzichtloos. Daarom kan ik niet geloven in de zaligheid, daarom is al mijn klagen en vragen zo vruchteloos. Ondertussen leggen wij Hem, waar Hij niet is. Hij is opgestaan. Nu openen zich nieuwe levensmogelijkheden, nietwaar? Nu zal de ' dood het niet winnen en de zonde 'liiet en de duivel niet. Zelfs Thomas .moet er voor zwichten, en hoe bevrijd breekt het geloof door in de belijdenis: Mijn Heere en mijn God. Hoe is alles plotseling veranderd; niet omdat wij ons leven weer wat kunnen opmonteren en voortslepen, maar omdat Hij leeft.
Hij is opgestaan. Hij is hier niet. Ongelooflijk! Stellig. Waarom doen wij één ochtend alsof de opstanding vanzelfsprekend zou zijn, terwijl wij haar alle dagen ten diepste betwijfelen. Laten wij het toch ruiterlijk toegeven: Ongelooflijk. Het ongeloof kan er geen vat aan krijgen, ook mijn ongeloof niet, in allerlei omstandigheden van het leven, en voor mijzelf. Wie het krampachtig probeert is spoedig aan het eind van zijn krachten. Hij is opgestaan? Wat een dwaasheid! Als het eens waar was! Dat klopt met geen enkele berekening en op geen enkele ervaring.
Wat ongelooflijk is behoeft daarom nog niet ongeloofwaardig te zijn. Integendeel, ook dit is een getrouw woord en alle aanneming waardig. Het verdient geloofd te worden. Hoe wij ook rekenen, de uitkomst is telkens weer de dood. En het graf is de proef op de som. Bent u ook zo'n rekenaar? Er gaat een streep door onze berekening met Pasen: Hij is opgestaan. Dat de Heere nu met zo'n kort woord, het ongeloof te lijf gaat. Dat de levende Christus zich als de Levende wil bewijzen door Woord en Geest, dat is de grote verrassing, telkens weer, voor allen die hun hoop op Hem leerden vestigen.
Zoeken wij het leven buiten onszelf in Jezus Christus, dan zoeken wij het niet tevergeefs. Dat schijnt wel zo, de aanvechtingen werpen ons op onszelf terug, alsof er geen opstanding uit de doden was. Christus vinden wij tussen de levenden. Hij is dood geweest. Hij lag in de banden van de dood en in de angsten van de hel. Hij is weder levend geworden. De strik is gebroken en ik ben ontkomen. Ik? Door Hem, met Hem en in Hem. Wie zonder Jezus leeft en sterft blijft waar zij hem gelegd hebben. Midden in de dood, in de eeuwige dood. Wie de aansluiting met Hem mist, die komt er niet uit, want er is geen tweede, die de eerstgeborene uit de doden genoemd wordt. Maar Christus wil ons daar ontmoeten, waar wij machteloos gebonden liggen; de plaats waar zij Heni gelegd hadden is de plaats waar ik lag. De Heilige Geest legt de band tussen deze Jezus en deze zondaar, zodat wij mede opgewekt zijn met Hem. O dat, met Hem, dat is mijn levensgeheim en mijn levenswaarborg.
Door een waar geloof met Hem verenigd ben ik niet meer, waar u mij zoekt. Zonde en oordeel wijzen ons onze plaats, de plaats des doods. Daar zocht Hij mij op, daar wekte Hij mij op. Hij nam mij mee in Zijn zegetocht, de dood kan mij niet meer houden, sinds hij Hem moest laten gaan. Ik ben de Opstanding en het Leven. Door Zijn kracht worden wij opgewekt tot een nieuw leven. Het leven van een Christen is een opgewekt leven. Ik leef, zo spreekt de Verrezene, en gij zult leven. Dat is het leven van de hoop. Als stervende en ziet, wij leven. En als het sterven wordt? Dan worden de vuren gedoofd; dan schijnt het licht van Pasen: Wij zullen toch leven. Wat ons lichaam betreft, dat wordt in het graf gelegd. Zelfs dat begraven worden is niet zonder belofte: zijn opstanding is ons een onderpand van onze zalige opstanding.
Ziet de plaats, waar zij Hem gelegd hadden!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 april 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 april 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's