De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE PERS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE PERS

10 minuten leestijd

De Bedoeïenen in Israël.

In de staat Israël vormen de 27.000 Bedoeïenen een apart probleem. De snelle economische veranderingen in de staat laten ook deze nomadenbevolking niet onberoerd. Velen van hen gaan over tot een gezeten levenswijze en zeggen het trekkend leven vaarwel. Als loonarbeider kunnen ook zij veel meer verdienen. Aldus prof. dr. J. Schoneveld in de Israëlkroniek in „Woord en Dienst" van 9 april j.l. Er blijken heel wat problemen overwonnen te moeten worden voordat de Bedoeïen zijn nomadenbestaan prijsgeeft en zich een vaste woonplaats kiest. Van de Negevbedoeïenen zijn velen overgegaan tot landbouw.

De Israëlische regering heeft deze bevolking meer vastheid in hun bestaan gegeven door ze bij misoogsten een schadeloosstelling in geld uit te keren, waarbij natuurlijk aan bepaalde voorwaarden voldaan moet worden, bijv. dat men geen landbouw beoefent in streken, waar gemiddeld een te geringe regenval is om opbrengst te kunnen verwachten. Maar ook In de Negev gaan de omstandigheden zich langzamerhand wijzigen. Men helpt de bevolking putten slaan en betrekt waar dat mogelijk is hun land in de kunstmatige bevloeiing. Er is echter meer en belangrijker. Naarmate de Negev meer ontsloten wordt voor de industrie en er steden gesticht worden bijv. Dimona en Arad, komt de bedoeïen meer tot loonarbeid, de huidige stand is al zo, dat het verrichten van loonarbeid onder hen een belangrijke plaats inneemt. Er zijn gezinnen, waarvan meerdere personen werken, die met allerlei overwerk na de achturige werkdag een aanzienlijk inkomen bereiken, terwijl ze daarnaast dikwijls nog wat schapen en geiten fokken, die weer op de markt van de hoofdstad van de Negev, Berseba, verhandeld worden. Velen beginnen door de gestegen inkomsten ook al huizen te bouwen, eerst nog een hut, bedekt met een dak van gegolfd metaal, maar daarna ook eenvoudige lemen huizen en tenslotte een stenen huis, soms zelfs met een etage. Zo voltrekt zich de overgang van het bedoeïenenleven naar de gezeten leefwijze.

Jeugd in Senegal.

Het Zendingsblad der Ned. Herv. Kerk schonk in het aprilnummer bijzondere aandacht aan Senegal, een gebied in Afrika waar een kleine groep christenen temidden van 'n in meerderheid Islamitische bevolking leeft. De geschiedenis van de protestantse" zending in dit gebied begon in 1862, toen vanuit het Evangelisch Zendingsgenootschap te Parijs enkele initiatieven genomen werden en Franse zendingsarbeiders naar dit gebied gezonden werden. Sinds 1961 is ook de zending van onze kerk in dit werk betrokken. Ds. C. Petri schrijft in dit interessante nummer over de jeugd van Senegal. We nemen hier over wat hij schrijft over de veranderende gezagsverhoudingen.

De gezagsverhoudingen in het gezin zijn sterk aan het veranderen, vooral in de stad. Op het platteland wonen verschillende gezinnen samen op één terrein, waarbij het oudste gezinshoofd als leider voor allen optreedt. Dit samenleven gaat echter in de grote stad verloren. De gezinnen komen geïsoleerd te leven, met als gevolg dat het gezag van de vader in verhouding groter wordt, althans in het begin. In Dakar is de autoriteit van de ouders en speciaal van de vader ook nu nog heel groot in de meeste kringen. Zo ontmoet men op de universiteit niet zelden studenten, waarvan het huwelijk geheel door toedoen van de ouders is tot stand gekomen. Het vaderlijk gezag doet zich vaak indirect gelden doordat een oom is ingeschakeld als drager van de verantwoordelijkheid voor de kinderen. Soms is deze rol aan een marahout toevertrouwd en in dat geval is de overgedragen verantwoordelijkheid nog groter. Wanneer studenten naar Frankrijk gaan voor hun verdere studie, is het vaak de oudste broer die de drager wordt van déze autoriteit.

De moeder zorgt vooral voor de opvoeding van de meisjes, en van de jongens als ze nog klein zijn. Daar de afstand van de kinderen tot hun vader zo groot is, wat vrees en geslotenheid met zich mee kan brengen, speelt zij vaak een bemiddelende rol tussen beiden. Het is duidelijk dat in deze verhoudingen een spontane en open gedachtewisseling tussen vaders en kinderen maar weinig voorkomt. Een familieleven zoals in Europa bestaat dus meestal niet. De vader wordt apart bediend en brengt zijn vrije tijd vaak bij vrienden door. Maar de nieuwe levenswijze in de stad leidt merkwaardigerwijze soms ook tot meer gezinsleven. De huizenbouw in Dakar-Noord bij voorbeeld, geheel naar Frans model met aparte woningen, omgeven door tuin en heg, begunstigt een nauwer samengaan der gezinsleden dan in Afrika meestal gebruikelijk is.

De Waldenzenkerk.

Van Afrika naar Italië. Daar leeft een kleine Waldenzenkerk met een sterk missionair besef temidden van een rooms-katholieke meerderheid. De Waldenzen danken hun naam aan Petrus Waldus, die in de twaalfde eeuw een beweging op gang bracht welke het bijbels-evangelie, ontdaan van de middeleeuws-roomse insluipsels wilde beleven en verbreiden. Rondtrekkende kooplieden bezochten huizen en kastelen en brachten in alle eenvoud het Evangelie van Christus. Deze voor-reformatorische kerkgroep — met een overigens solide reformatorische belijdenis — is door de R.K. kerk fel en zwaar vervolgd in de loop der eeuwen. Maar ze bleef bestaan en ontving in 1848 vrijwel volledige godsdienstvrijheid. N.a.v. het bezoek van ds. Th. Soggin aan de Geref.-Kerken in Nederland schrijft dr. D. van Swigchem in het Geref. Weekblad (Uitgave Kok, Kampen) enkele artikelen over deze kleine zendingskerk, die 20 grote nadruk legt op de evangelisatorische roeping der gemeente. Op de jaarlijkse synode van de Waldenzen wordt bijna 25% van de tijd besteed aan het evangelisatiewerk. Dr. v. Swigchem laat in het artikel in het nummer van 15 april enkele facetten van dit kerkewerk zien.

Dank zij het evangelisatiewerk zijn er naast 27 „autonome" gemeenten, die selfsupporting zijn, ook 90 kleine gemeenten, naar ons begrip „hulpbehoevende kerken", maar vaak echte evangelisatieposten, die als zodanig worden geholpen tot ze ook „autonoom” worden.

De predikantstraktementen worden uit een centrale kas betaald. Predikanten van de niet-autonome gemeenten (en ook van de autonome als ze na 2 maal zeven jaar niet door een beroep verhuizen) worden door het kerkverband in een bepaalde gemeente of voor een bepaalde post aangesteld. Dat alles vloeit voort uit de grote aandacht voor de uitbreiding der kerk.

Bij het verkiezen van afgevaardigden naar de synode is er voor deze kleine gemeenten een andere regeling dan voor de autonome, zodat ze nooit kunnen worden overvleugeld.

Een ander kenmerkend iets: De Tavola (bestaande uit 7 leden, waarvan 2 ouderlingen) is een lichaam met sterker besluitvormende en uitvoerende macht dan wij kennen. Dit komt de dynamiek en de spanning ten goede. De synode komt jaarlijks één week bijeen om gewichtige voorstellen van de Tavola te behandelen en haar rapport over het verstreken jaar kritisch te bekijken, — zéér kritisch zelfs, zodat het uitbrengen van dit beoordelende rapport altijd een heel spannend ogenblik is op de synode —, maar ondanks dit echt calvinistisch democratisch principe is de Tavola in staat om krachtig leiding te geven en zaken te doen, met groter bevoegdheid dan b.v. ons moderamen.

Tenslotte een voorbeeld, hoe het missionair aspect ook het financiële beleid beheerst. U zult al wel begrepen hebben, dat de Waldenzen hun vaak heel modern opgezet evangelisatiewerk onmogelijk geheel zelf financieren kunnen. Met name uit de Verenigde Staten komt jaarlijks een flink bedrag aan steun, waardoor vele mensen kunnen worden ingezet. Men wil dat bedrag nu zelf gaan opbrengen en deze mensen zelf betalen, terwijl de inkomsten uit het buitenland dan geheel kunnen worden aangewend voor de bouw van nieuwe kerken en andere gebouwen ten dienste van het evangelie.

Onder die laatste nemen ook de scholen een belangrijke plaats in. In de Waldenzer dalen met hun protestantse meerderheid (op één plaats zelfs 100%!) zijn tientallen lagere en drie middelbare scholen, die niet gesubsidieerd worden door de staat en dan ook grote tekorten opleveren. Maar ook in vele andere gemeenten is een protestantse school, zodat het aantal analfabeten onder de Waldenzen, in tegenstelling vooral met Zuid-Italië en Sicilië, praktisch nihil is.

Het is de moeite waard van dit alles kennis te nemen. Niet slechts omdat het hier een kerkgroepering betreft die de sympathie verdient van allen die de reformatorische belijdenis liefhebben. Maar vooral ook, omdat wij voor de bezinning en de praktijk van het evangelisatiewerk veel van deze Waldenzenkerk kunnen leren, zoals v. Swigchem terecht schrijft.

Reformatie en oecumene.

Het „Kerkblaadje", orgaan van „de kring van vrienden van Kohlbrugge" publiceerde in 't nr. van 8-4 de vertaling van een rede van Pf. O. Waffenschmidt (van Neustadt in Duitsland). Deze rede, uitgesproken in de Domkerk van Neustadt is gewijd aan de nagedachtenis van Zacharias Ursinus, de opsteller van de Heid. Cat. Helaas staat de ruimte ons niet toe het gehele stuk hier over te nemen. Ik moge belangstellenden dus verwijzen naar het genoemde nummer van het „Kerkblaadje". Het referaat van Pfarrer Waffenschmidt is niet alleen uit kerkhistorische motieven interessant, maar vooral omdat er lijnen getrokken worden naar de kerkelijke verhoudingen van vandaag. Waffenschmidt karakteriseert Ursinus als een man, die zich met zijn ganse persoon inzette in de worsteling voor de Waarheid Gods, maar tevens een man des vredes was, een irenische en oecumenische figuur. In dat verband maakt hij een aantal behartigenswaardige opmerkingen over het oecumenisch streven. Hoe verblijdend dit oecumenische streven moge zijn, het gevaar van een valse eenheid is levensgroot.

Maar er bestaat vlak daarnaast ook die andere hoogst twijfelachtige en gevaarlijke eenheidsbeweging: de poging tot toenadering tot elke prijs; het streven naar een-wording uit onverschilligheid, lauwheid, moeheid en berusting; het samensmeltingsproces uit tactische, praktische en politieke overwegingen; het uitwissen van de tegenstellingen, niet omdat men ernst maakt met de waarheid van het geloof, maar omdat men haar in de grond der zaak voor een bijzaak houdt; niet omdat men door haar vragen nog bewogen is, maar omdat men met betrekking tot die vragen met rust gelaten wil worden.

Dit anti-confessionalisme, zoals Waffenschmidt deze houding betitelt is de grootste vijand van elke waarachtige christelijke gemeenschap. Wij mogen geen eenheid nastreven ten koste van het reformatorische erfgoed.

Is deze ijver om zich aan te passen, niet reeds midden onder ons te bespeuren? Stuiten wij niet binnen de ruimte van onze eigen kerk hoe langer hoe meer op meningen, wensen en gevoelens, waarvan gezegd zou kunnen worden: Ach ziet toch, de mensen, die zo krachtig het lied van „de vaste burcht" gezongen hebben, nu buigen zij weer de knieën, nu zetten zij weer kaarsen en beelden op hun altaren, nu scanderen en psalmoderen, nu huppelen en springen zij weer in het oude, wisselende misgezang, nu laten zij de harde, klare waarheid van hun vaderen weer in de wierookwalm van vrome stemmingen en plechtige liturgieën ondergaan; nu hebben zij weer vergeten, wat in vraag 98 van de Heidelbergse Catechismus stond geschreven: „God wil Zijn christenen niet door stomme beelden, maar door de levende prediking van Zijn Woord alleen onderwezen hebben”.

Graag geef ik dit geluid uit de Duitse kerk aan u door. De vele kritische geluiden die op theologisch gebied vanuit Duitsland te horen zijn — men denke aan Bultmann en de post — Bultmannianen — waarbij het Evangelie van zijn wezenlijke inhoud ontledigd wordt, geven ons een wel eens wat eenzijdig beeld op de Duitse kerk en theologie. Het is goed te bedenken dat ook deze stem er is. En dat de belijdenis der reformatie, de Heidelbergse Catechismus ook vandaag nog functioneert.

Tenslotte geef ik in dit verband nog een bericht door dat ik vond in het Evangelisch-Luthers weekblad van 16 april, dat ook deze kwestie raakt.

De bisschoppen van de lutherse kerken in Duitsland hebben op hun bijeenkomst — gescheiden gehouden in Oost-en West-Berlijn — een resolutie aangenomen waarin gezegd wordt dat de boodschap van de reformatie opnieuw en intenser dan ooit tevoren gebracht moet worden. Er wordt verder gezegd dat de verschillen in geloof en leer nog niet overwonnen zijn en dat het probleem van de gemengde huwelijken niet is opgelost. De weg naar de eenheid der christenen is niet die van hereniging met Rome onder de paus. Er wordt echter ook door de lutherse bisschoppen uitgesproken dat er gelukkig veel verbeterd is in de verhouding tussen Rome en reformatie.

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 april 1966

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE PERS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 april 1966

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's