De Dordtse Leerregels
Hoofdstuk 5, artikel 8
Hoofdstuk 5, artikel 8
Alzo verkrijgen zij dan dit, niet door hun verdiensten of krachten, maar uit de genadige barmhartigheid Gods, dat zij noch ganselijk van het geloof en de genade uitvallen, noch tot het einde toe in de val blijven of verloren gaan. Hetwelk, zoveel hen aangaat, niet alleen lichtelijk zou kunnen geschieden, maar ook ongetwijfeld geschieden zou.
Doch ten aanzien van God, kan het ganselijk niet geschieden; terwijl noch Zijn raad veranderd, noch Zijn belofte gebroken, noch de roeping van Zijn voornemen herroepen, noch de verdienste, voorbidding en bewaring van Christus krachteloos gemaakt, noch de verzegeling des Heiligen Geestes verijdeld of vernietigd kan worden.
De heiligen.
In deze leerregel wordt een antwoord gegeven op de vraag of de diepste oorzaak van de volharding der heiligen moet gezocht worden in de vrije wil der mensen, dan wel moet toegeschreven worden aan God de Heere.
Het eerste wonder is, dat er heiligen zijn en het tweede wonder is, dat er mensen zijn, die heiligen blijven. Hoe is het mogelijk, dat hen dit gelukt, wat Adam en Eva niet hebben kunnen volbrengen?
Er zijn dus heiligen. Welke heiligheid is dit? Het is geen inklevende heiligheid, waardoor zij in al hun zijn en denken en begeren en doen heilig zijn. Voor zover de gelovigen vlees zijn, zijn ze niet heilig. Het vlees onderwerpt zich der wet Gods niet, want dat kan ook niet. Deze heiligen nu zijn vlees en Geest, oude en nieuwe mens. Naar het vlees zijn zij zondig, naar de nieuwe mens heilig. Is de heiligheid van de nieuwe mens een vrucht van de verdienste of de arbeid van deze herschapen mens? Neen, de heiligheid van de nieuwe mens is geheel uit Christus.
Eerst was 't volk van Israël Gods heilig volk, zoals Exodus 19 : 6 zegt. Maar door en in Christus is er uit het joodse volk, het oude volk Gods, een nieuw Godsvolk ontstaan, dat in 1 Petr. 2 : 9 een koninklijk priesterdom, een heilig volk wordt genoemd. Dat volk heeft zich afgezonderd van het joodse volk naar de opwekking uit Hebr. 13 : 12 e.v.: Daarom heeft ook Jezus, opdat Hij door Zijn eigen bloed het volk zou heiligen, buiten de poort geleden. Zo laat ons dan tot Hem uitgaan, buiten de legerplaats, Zijn smaadheid dragende. Want wij hebben hier geen blijvende stad, maar wij zoeken de toekomende”.
In deze teksten wordt het werk van Christus samengevat onder de naam: heiligen. Zijn werk heeft één doel: dat Zijn gemeente zonder vlek en zonder rimpel voor de Vader zou gesteld worden. Het volk van Christus trekt weg uit het joodse volk. De joden hebben Jezus verworpen. De christenen gaan met Hem mee buiten het joodse volk. Bij dat volk van Christus komen de heidenen. Zij worden ingeënt in de olijfboom van het Oude Verbond, waarvan Christus de, wortel is.
Zo zijn joden en heidenen die in Christus geloven, in Hem geheiligd. Het burgerschap Israëls en de verbonden der belofte uit Efeze 2 is door Christus over de gehele christenheid uitgebreid, zodat de heiden-christenen niet meer vreemdelingen zijn en bijwoners, maar medeburgers der heiligen en huisgenoten Gods. Dit burgerschap Israëls is het Israël naar de Geest, omvattende allen. Joden en heidenen, die in Christus geloven.
Deze heiligen vormen de kerk, waarvan zondag 21 spreekt: e heilige ... Kerk. Het zijn de uitverkorenen, die door de Zone Gods vergaderd zijn door Zijn Geest en Woord. Het zijn geroepen heiligen, persoonlijk één voor één geroepen. In Rom. 1 : 7 en 1 Cor. 1 : 2 adresseert Paulus zijn brief aan de geroepen heiligen. Zij zijn heiligen, omdat zij in Christus ingelijfd en dus in Hem volmaakt of heilig zijn. Zij zijn in Christus ingeplant door de roeping. Dit is de krachtdadige roeping, die bestaat in een verlichting van het verstand en een overbuiging van de wil. Na alles wat er gebeurd is, om het heil'te verwerven, moet er ook veel gebeuren om het toe te passen. De heiligen zijn hoofd voor hoofd met zichzelf bekend gemaakt, zij zijn ook gebracht tot een beginnende kennis van Christus. Zo wordt in de uitverkoren zondaar 't geloof gewerkt. Door de roeping en de inplanting in Christus zijn de christenen heilig. Het zijn uitverkorenen, heiligen en beminden, die bekwaam gemaakt zijn om deel te hebben aan de erve der heiligen in het licht (der genade).
De heiligen blijven in Christus.
Dat de heiligen niet afvallen is in art. 7 betoogd. Laat echter niemand denken, dat dit vanzelfsprekend is. Ik zal niet zeggen, dat zij niet enige daden van gehoorzaamheid in zekere mate verrichten. Maar de allerheiligsten komen toch niet verder dan een (klein) beginsel van gehoorzaamheid. Dit beginsel bestaat in het brengen van hun leven op aarde als een offerande. Israël was geroepen om allerlei zaken als offergaven te brengen. Het nieuwe Israël brengt het offer van het (aardse) leven. In dit stuk komen het heilige en het zedelijk goede dicht bij 'elkaar. De christen is heilig, omdat hij in een nieuwe staat leeft, opnieuw geboren is en daarom heeft hij een lust en doen van alle goede werken. Het geloof brengt in een nieuwe toestand en zo tot een nieuw handelen. Dat handelen bestaat in het brengen van een heilige, levende offerande aan God, zodat de oude mens gedood wordt en de nieuwe de geboden zoekt te doen van beide tafels.
Maar, nog eens, de heiligste heeft maar een klein beginsel van gehoorzaamheid. Hij is, naar de oude mens, vleselijk en verkocht onder de zonde. Hij struikelt dagelijks in vele dingen. Is het nu uitgesloten, dat iemand een geroepen heilige is gemaakt, Christus ingelijfd, door het geloof gerechtvaardigd en weer terugkeert met de gewassen zeug tot de wenteling van het slijk?
Ja, dat is uitgesloten. Zijn deze mannen en vrouwen dan zo sterk van geloof en zo groot in hun liefde en zo trouw in hun-gehoorzaamheid? Volsterkt niet. Het is niet uitgesloten vanwege hun verdiensten of krachten, zegt ons artikel. Daar is niets zo veranderlijk als een mens. Hij zou de Geest uit kunnen blussen. Het kan gebeuren, dat iemand een geestelijke sensatie voor Nederland is en dat hij eindigt met een opgaan in de wereld. Als het van de mens afhing zegt het artikel, zou hij zeker van Gods genade afvallen. En toch gebeurt dit niet. Er kan een terugslag komen. Een kind Gods kan tot een moord of een ergerlijke hoererij komen. Hij kan alle band aan Christus ontkennen, maar hij kan niet voor goed afvallen. Dat is ook een wonder! Hét is zelfs, zoals ik het geformuleerd heb, een weinig ergerlijk. Maar Kohlbrugge maakt ergens deze opmerking: „Het heeft mij altijd verwonderd, dat er mensen gevonden worden, die bekeerd willen heten of gelovig, en dan de stoutmoedigheid hebben om de vraag op te werpen: hoe zulk een heilig man als David tot zulk een val gekomen is? Alsof zij in het verborgen niet dagelijks nog veel erger dingen pleegden. Ik zou dezulken aanraden de Heere te bidden om ogenzalf om te erkennen hun aangeboren blindheid, waardoor zij hun eigen verdorvenheid niet zien. Want menige man, menige vrouw bedekt met zulke huichelachtige vragen zijn of haar eigen onkuise overlegging des harten en deszelfs heimelijke streken, waardoor zij menig huwelijk, dat anders gelukkig kan zijn, geheel en al beroeren”.
Van de christen is dus geen verwachting. Wij prediken de christen niet noch in het stuk der ontdekking noch in het stuk der inlijving in Christus noch in het stuk der dankbaarheid. Maar die leren, dat de mens zichzelf bekeren kan en zichzelf bewaren kan en min of meer uit zichzelf geloven kan, zij prediken de christen. Wij prediken, dat alleen God machtig is, om de geroepen heiligen te bewaren. De aard van een mens laat zich niet uitdrijven, zolang wij in dit leven zijn. Voor de zonde, voor de aangeboren verdorvenheid en haar droeve werking is geen mens, is geen wedergeborene op zichzelf beschouwd, zelfs niet in hoge ouderdom, veilig. Ook daarvoor is hij niet veilig, dat deze werking zich niet bij herhaling bij hem zal openbaren. Daarom sprak de Heere: „Gij nu, o mijn schapen, schapen mijner weide! gij zijt mensen". De Heere zegt ook in Jesaja 10: „Ik heb geweten, dat gij gans trouweloos zoudt handelen”.
Van de mens, van de bekeerde of vrome mens moeten we dus maar niets verwachten, dan dit ene, dat hij door genade zich voor God verootmoedigt en altijd bang is, dat openbaar zal komen, wat in hem leeft. „Zie dan toe, hoe gij voorzichtig wandelt niet als onwijzen doch als wijzen". Daar staat niet voor niets in de Schrift: Welgelukzalig is de mens, die gedurig vreest" (Spr. 28 : 14). Vrezen nl. om kwaad te doen en het goede na te laten.
Dus van de mens is geen verwachting. Er zit ook niets verdienstelijks in het volharden, want het is zuiver een gave Gods. De volharding is geen vrucht van ons verdienen. Zo denken de remonstranten het wel. Zij leerden: „dat God de gelovige mens wel voorziet met genoegzame krachten om te volharden, en bereid is die in hem te bewaren, zo hij zijn ambt (plicht) doet; doch al is het nu ook, dat alle dingen, die nodig zijn om-in het geloof te volharden en die God gebruiken wil om het geloof te bewaren, in het werk gesteld zijn, dat het dan nog altijd hangt aan het believen van de wil, dat deze volharde of niet volharde" (Verw. d. dw. V, 2).
Het lijkt een aannemelijke oplossing.
God doet heel veel. De gelovige beschikt over genoegzame krachten om tegen zonde, wereld, duivel en eigen vlees de overwinning te behalen. Daarbij krijgt hij de bijstand van Gods genade, zodat de geschonken krachten bewaard worden. Maar de mens moet beslissen. Hij moet ook de geschonken krachten goed gebruiken. De wil des mensen is de naaste oorzaak der volharding.
De reformatorische leer is echter anders. Daar is God alles. God wil, dat deze mens zalig wordt. God zorgt, dat dit ook geschiedt. Hij roept de uitverkorenen krachtdadig en zij moeten komen. Hij plant ze over in Christus. Hij houdt ze vast en niemand zal ze uit Gods hand rukken. Het gebeurt, dat zij dagelijks in zonde vallen, doch nooit verder dan God het toelaat. Het gebeurt ook, dat zij heel erge dingen doen, maar God laat niet toe, dat zij in hun val blijven. Het is altijd God zelf, die de beslissingen neemt, zodat ook de gelovigen goed beslissen. Maar de beslissingen, die de mensen nemen tot terugkeer of schuldbelijdenis of wat ook, zijn van God gewerkt. De apostel zegt in 1 Cor. 1 : 8, dat God de geroepen heiligen zal bevestigen en dat Hij dus tot het einde toe hen zal geleiden, opdat zij onstraffelijk zouden zijn in de dag des oordeels. Dan zullen zij door Gods bewarende kracht onberispelijk zijn. „God is getrouw, door Welken gij geroepen zijt tot de gemeenschap van Zijn Zoon Jezus Christus, onze Heere”.
We zien in Davids leven, dat David niet eens uit zichzelf terugkeert. God moet hem door Nathan terugroepen.
Kan hier misbruik van gemaakt worden? Ongetwijfeld. Wij kunnen proberen op de genade te zondigen. Maar zelfs het afleren van dit misbruik is een zaak van God. De uitverkorene krijgt geen kans om verloren te gaan, anders zou hij die kans zeker benutten. Anderzijds: verloren gaan is altijd eigen schuld.
L. Vroegindeweij
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 april 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 april 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's