De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

WEDUWEN EN DIENARESSEN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

WEDUWEN EN DIENARESSEN

8 minuten leestijd

Dit is het laatste artikel in de reeks over de apostolische voorschriften aangaande de positie van de vrouw in de gemeenten. Nog enkele teksten verdienen tot slot onze aandacht.

Vrouwelijke diakenen of vrouwen van diakenen ?

In de verzen 1 tot en met 7 van 1 Tim. 3 omschrijft Paulus de vereisten waaraan de opzieners moeten voldoen. In de verzen 8—10 en 12 somt hij de vereisten van de diakenen op. De reeks van aan de diakenen te stellen eisen wordt onderbroken door vers 11. Dit luidt in de Statenvertaling: „De vrouwen insgelijks moeten eerbaar zijn, geen lasteraarsters, wakker, getrouw in alles". De Nieuwe Vertaling leest: „Evenzo moeten (hunne) vrouwen zijn . . . ”.

Op dit „hun" komt het nu aan. Zijn er vrouwelijke diakenen bedoeld, of vrouwen van diakenen? Het is een zeer omstreden tekst. De theologische discussie hierover zal de lezer in het algemeen niet interesseren, terwijl enkelen er wèl belang in stellen. Daarom wordt er een overzicht van gegeven in een aantekening '). We kunnen volstaan met te zeggen dat de exegese van de tekst niet voor honderd procent vaststaat. Het is echter uiterst onwaarschijnlijk dat de positie van de hier bedoelde vrouwen gelijk is aan die van de diakenen uit Hand. 6. Zij die in 1 Tim. 3 : 11 aan diaconessen denken, gronden hun redenering voornamelijk op het uit later tijden bekende vrouwelijke diaconaat. Men probeert dan de kerkelijke praktijk van de eerste eeuwen te verbinden met de in het Nieuwe Testament genoemde dienares­ sen (diakonoi) en acht 1 Tim. 3 : 11 een verbindingsschakel. Hoewel deze methode voor de hand ligt, moet ze toch worden afgewezen. Men moet de tekst vanuit het verband waarin hij voorkomt, verklaren, niet van gebruiken uit veel later tijd.

Er zijn enkele argumenten aan te voeren die ervoor pleiten om in dit vers aan vrouwen van diakenen te denken. De voorafgaande verzen (vs. 8-10) en het volgende vers (vs. 12) spreken van mannelijke diakenen. Men verwacht daartussen niet een aantal eisen voor vrouwelijke ambtsdragers. Het twaalfde vers spreekt over de huiselijke omstandigheden van de diakenen. Ze moeten de man van één vrouw zijn, ze moeten aan hun kinderen en hun huisgezin goede leiding geven. Er bestaat geen enkel gegrond bezwaar tegen om ook VS. 11 reeds te betrekken op het gezin van de diakenen nl. hun vrouw. De in dit vers gestelde eisen zijn: aardigheid, niet kwaad spreken, nuchterheid en betrouwbaarheid. Deze deugden zijn van bijzonder belang voor vrouwen van diakenen. Bij afwezigheid van hun man kunnen zij gemakkelijk in diaconale zaken worden betrokken. Wanneer hier van diaconessen sprake was, zouden dezen moeilijk te onderscheiden zijn van de in 1 Tim. 5 : 9 genoemde weduwen ³).

Weduwen.

„Dat een weduwe gekozen worde niet minder dan van zestig jaren, welke de vrouw van één man is geweest; getuigenis hebbende van goede werken: zo zij kinderen opgevoed heeft, zo zij der heiligen voeten heeft gewassen, zo zij de verdrukten genoegzame hulp heeft gedaan, zo zij alle goed werk betracht heeft" (1 Tim. 5:9).

Wij weten niet precies welke gemeentelijke regel Paulus hier op het oog heeft en op welke praktijk deze verordening doelt. Met welke bedoeling en bestemming werden deze weduwen gekozen? De kanttekening van de Statenvertaling beantwoordt deze vraag als volgt: „Namelijk tot het ambt ener diacones, die in de eerste kerk de gemeenten dienden onder zieken, vreemden en arme lieden en die daartoe door de gemeente, indien nodig, werden onderhouden". Tal van hedendaagse uitleggers volgen dezelfde weg.

Van groot belang is het echter wat het woord betekent dat in de Statenvertaling door „gekozen worden" is weergegeven. Prof. Brouwer vertaalde: „een weduwe worde ingeschreven". Hij verklaarde dit als volgt: „Nu is er sprake van een bijzonder soort weduwen, nl. die in een register werden ingeschreven, blijkbaar in een lijst van kerkelijke ambten naast opzieners en diakenen. Waarschijnlijk hadden zij het opzicht over het vrouwelijk deel der gemeente, vooral over weduwen en wezen. Over deze vrouwelijke gemeentewerkzaamheid spreekt nog Tertullianus (± 200) en de synode van Laodicea (± 250)". Men ziet, dat prof. Brouwer hier voor de apostolische tijd conclusies trok uit de toestanden in - de derde eeuw. De Nieuwe Vertaling leest: „Als weduwe kome in aanmerking ...". In het Grieks staat er een werkwoord, waarvan het ons bekende woord catalogus is afgeleid. Bovendien heeft het gebruikte woord, dat op de lijst plaatsen beduidt, ook de betekenis „uitkiezen". Werd men uitgekozen om op de betreffende lijst met namen van weduwen te worden geplaatst?

Wat was de bedoeling van de weduwenlijst?

Men kan deze moeilijke tekst op verschillende manieren verklaren:

a) Bestond er een lijst waarop de namen van die weduwen werden geplaatst in wier onderhoud uit de gemeentekas werd voorzien?

b) Betrof het een lijst waarop weduwen werden ingeschreven, die als diaconessen mochten dienst doen?

c) Of werd er een lijst aangelegd van weduwen die allerlei werk in de gemeente verrichtten en daarvoor ondersteuning genoten?

Aan elk van deze vragenderwijs geuite meningen kleven bezwaren.

a) Bevatte de lijst slechts de namen van de weduwen die ondersteund werden, dan kon niet altijd de leeftijdsgrens van zestig jaar worden gehandhaafd. Ook een weduwe van vijftig jaar kon behoeftig zijn, terwijl ze niet in staat was om te werken en geen verwanten bezat om voor haar te zorgen.

b) Tegen de opvatting dat de lijst de namen van diaconessen bevatte, bestaat het bezwaar dat ër geen omschrijving van de taak van deze vrouwen volgt. Wel kunnen we uit de opmerkingen van de jonge weduwen (vs. 11-13) enkele conclusies trekken. Het bestaan van een vrouwelijk diaconaat kan echter op zulke zwakke gronden niet worden verondersteld.

c. Van ondersteunde weduwen, die als tegenprestatie gemeentelijke arbeid verrichtten, is in de tekst totaal geen sprake.

Een georganiseerde weduwendienst.

Wij krijgen uit de verordeningen van Paulus de indruk, dat de oudste christelijke gemeente een georganiseerde weduwendienst heeft gekend. De taak van deze weduwen bestond in het verzorgen van behoeftigen en het verplegen van zieken. Misschien moet men zich als taak van de op de lijst geplaatsten ook gezinszorg en onderricht aan jonge weduwen denken. Uit de verzen 11 en 12 zou men kunnen opmaken, dat zij een gelofte aflegden. Er is echter geen enkele aanleiding om in deze weduwen diaconessen te zien. Het woord diaken of diacones wordt zelfs in verband met deze vrouwen niet eens gebruikt! Van een ambt dat leiding geeft aan de gemeente, is er zeker geen sprake.

Wellicht loopt er een lijn van deze weduwendienst naar de vrouwen die onderwijs geven in Tit. 2 : 3v.

Leraressen van het goede.

Tit. 2 : 2-8 bevat vermaningen aan verschillende leeftijdsgroepen. Vs. 3v. luiden: De oude vrouwen insgelijks, dat zij in haar dracht zijn gelijk het de heiligen betaamt, dat zij geen lasteraarsters zijn, zich niet tot veel wijn begevende, maar leraressen zijn van het goede, opdat zij de jonge vrouwen leren voorzichtig te zijn, haar mannen lief te hebben, haar kinderen lief te hebben ...”.

Het gaat in deze tekst om de vraag waar de grens van het „onderricht geven" getrokken werd. Sommigen menen, dat de oudere vrouwen de jongeren slechts door hun voorbeeld moesten onderwijzen. Maar waarschijnlijk moeten we aan onderrichting door voorbeeld èn door woord denken. De jonge vrouwen konden in vele opzichten beter geleid worden door oudere dames dan door mannen. In deze geest moet men de woorden „opdat zij de jonge vrouwen leren voorzichtig te zijn" opvatten. De Nieuwe Vertaling laat duidelijk uitkomen dat hier niet het woord „onderrichten" is gebruikt. Ze geeft de zin weer als: „zodat zij de jonge vrouwen opwekken man en kinderen lief te hebben". De apostel spoort de oude vrouwen niet aan tot het geven van onderricht in de samenkomsten van de gemeente, maar van praktische adviezen bij het bezoeken van jongeren.

Dat de ongehuwde vrouwen niet genoemd worden, behoeft ons niet te verwonderen. Ook tot hen strekt zich de opwekking van de oudere vrouwen uit. Het aantal ongehuwde vrouwen was in de christelijke gemeente van die tijd blijkbaar niet zo groot, dat het een probleem vormde.

In ieder geval hebben we hier zeker niet met een ambt in de gemeente te maken. In de pastorale brieven (aan Timotheus en Titus) zouden zeer zeker meer vereisten voor zulk een ambt uitvoerig zijn omschreven.

Rotterdam, H. Goedhart.

1) G. Wohlenberg, Die Pastoralbriefe, Leipzig, 1911, meent dat de vertaling diaconessen „die allein richtige" is. De Antiocheners en Pelagius dachten reeds aan vrouwelijke diakenen, terwijl Ambrosiaster voor vrouwen van diakenen kiest. Syr. Ephr. leest: mulieres etiam e o r u m Wohlenlierg motiveert zijn opvatting met erop te wijzen dat het bezittelijk voornaamwoord „hun" ontbreekt. Ook zouden de genoemde eigenschappen slechts tot hun recht komen als er vrouwelijke diakenen zijn bedoeld. Zo ongeveer ook Oepke in Theol. Wörterb. z. Neuen Testament I, S 788; maar anders Beyer in deel II, S. 90 Dibelius in Lietzmann's Handbuch (S. 37) zegt bescheiden: „Die Frage, ob hier Diakonissen... oder Diakonenfrauen.. . gemeint sind, ist mit sicherheit kaum zu lösen". Prof. Brouwer vertaalde (evenals na hem de Nieuwe Vertaling) hun vrouwen, waarbij hij denkt aan vrouwen van opzieners en diakenen. Dr. S. P. Dee in De Chr. Encyclopedie meent echter dat diaconessen zijn bedoeld. Over zijn verwijzing naar Calvijn, zie men Prof. Dr. J. Severijn, Diakonia der Vrouw, Maassluis, blz. 14 v.

2) Oepke en Wohlenberg betogen dat de bespreking van de huiselijke omstandigheden van de diakenen eerst in vers 12 begint. Dit is een onbewezen stelling. Als wel de vrouwen van de ambtsdragers zijn bedoeld in vers 11, begint de bespreking van de huiselijke omstandigheden reeds bij dit vers.

3) Hierop wijst ook Oepke, ThWzNT.

4) Zo reeds Calvijn. Ook C. Bouma in de Korte Verklaring.

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 mei 1966

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

WEDUWEN EN DIENARESSEN

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 mei 1966

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's