DE CATECHISMUS
Vraag en antwoord 19. Vr. Waaruit weet gij dat? A. Uit het heilig Evangelie, hetwelk God zelf eerst in het Paradijs heeft geopenbaard, en daarna door de heilige Patriarchen en Profeten laten verkondigen, en door de offeranden en andere ceremoniën der Wet laten voorbeelden, en ten laatste door Zijn eniggeboren Zoon vervuld.
33
De Heilige Schrift: Gods Woord. Zo kent de Kerk in het geloof haar Bijbel. Het bijzondere werk van de Heilige Geest waardoor de Heilige Schrift tot stand kwam wordt aangeduid met inspiratie. Het is dat bijzondere werk van de Heilige Geest waarin Hij de bijbelschrijvers onfeilbaar leidde, zodat zij de openbaring Gods neerschreven. Op zichzelf blijft dit werk een groot geheimenis. De Heilige Geest nam de mannen Gods met hun gaven, karakter en stijl, kortom met hun gehele persoonlijkheid in Zijn dienst. Bovendien waren ze geen instrumenten slechts, maar organen, die geheel in eigen verantwoordelijkheid en naar de gelegenheid van de tijd bezig waren. Menigmaal waren ze zich bewust het Woord des Heeren neer te schrijven of te laten tekenen.
Dan kwam tot hen het bevel des Heeren: Schrijf. Echter kon het ook zijn dat zij eenvoudig doende waren, terwijl later de Kerk zich bewust werd dat het geschrift tot de schat der bijzondere openbaring Gods behoorde. Om enigszins dit wondere werk van de Heilige Geest te omschrijven heeft men wel gesproken van organische inspiratie, waarmee men dan wil aanduiden dat de mannen Gods niet maar willoze instrumenten zijn geweest die het gedicteerde Gods neerschreven, doch dat het Woord Gods door hen heen is gegaan en dat het getuigenis des Geestes uit hun mond geboren en uit hun pen gevloeid is door worstelingen der ziel heen.
Hieruit zal het ons duidelijk worden, dat we deze achtergronden (de tijdsomstandigheden, de situatie van het ogenblik, het persoonlijk karakter van de bijbelschrijver, zijn stijl enz. enz.) hebben te onderzoeken en in rekening hebben te brengen bij de uitlegging der Schrift, willen we de mening des Geestes zoeken te verstaan. Als we b.v. niet goed op de hoogte zijn van de godsdienstige, maatschappelijke en politieke gesteldheid van Israël in de dagen van de profeet Hosea en van zijn aard en karakter, kunnen we niet goed verstaan waarom deze profeet een overspelige vrouw moest trouwen. Dan ontgaat ons dus ten diepste de mening des Geestes.
Daarbij komt bovendien nog, dat de Heilige Geest door de eeuwen heen in de wording der Godsopenbaring de Schriften tot één geheel heeft samengesmeed, welke eenheid daarin bestaat, dat ze zijn vervuld van Christus, van de drieënige God in Christus. Zo wordt de mening des Geestes in een Schriftwoord ook weer slechts gepeild als met dit christologisch karakter der Heilige Schrift ten volle rekening wordt gehouden. De Geest die het Woord inspireerde is de Geest van Christus.
Zo hebben we enerzijds het menselijk karakter, anderzijds het goddelijk karakter van de Heilige Schrift ten volle te laten gelden. En tegen het nalaten van dat laatste door het moderne Schriftonderzoek gaat dan ook ons bezwaar. Met de eerste Auteur der Schriften wordt niet ten volle rekening gehouden. Zo botst men met het geloof dat in de belijdenis onzer kerk getuigt. Daardoor komen we tot die geweldige tegenstellingen, waarbij beide partijen zeggen zich te beroepen op de Bijbel. Velen willen dan het doen voorkomen alsof beiden gelijkberechtigd zijn. Zo wordt het b.v. voorgesteld in verband met de openstelling van de ambten voor de vrouw. Maar het geloof der belijdenis kan dat nooit aanvaarden. Het kan niet anders dan in dat spreken vanuit een andere visie op de Schriften dan zij zelf heeft, beluisteren een weigeren zich gewonnen te geven aan het Woord des Heeren.
Allerlei vragen mogen zich voordoen als de zgn. tijdgebondenheid van de Bijbel aan de orde gesteld wordt en men daarover gaat nadenken, de tijdgebondenheid als zodanig verwerpt het geloof der belijdenis hartgrondig, omdat het onderkent de eerste Auteur der Schriften die met de eeuwige Waarheid Gods in Jezus Christus tot ons komt. Zo heeft het Woord wel gestalte aangenomen in die bepaalde historische-en cultuursituatie, in die bijzondere talen, maar omdat het God behaagd heeft Zijn Woord deze gestalte te doen aannemen kunnen vorm en inhoud onmogelijk uit elkander worden gehaald. Slechts aanbiddende verwondering blijft er vanwege de nederbuigende goedheid Gods dat Hij een weg vond om met ons zondige nietige mensjes menselijk te spreken. De tijd, de taal enz. zijn opgenomen in het Godswoord.
Daarom, het gaat bij de kwestie van de vrouw in het ambt niet maar om een uitlegkundig verschil, maar ten diepste om de vraag: Wat dunkt u van de Heilige Schrift. En hier scheiden onze wegen. Hoe droevig het ook is, het moet gezegd.
In verband met de ingeving van de Heilige Schrift door de Heilige Geest moeten we voor één zaak nog op onze hoede zijn. N.l. dat we ons niet vastbijten in een bepaalde theorie. We hebben gesproken over de „organische inspiratie", maar ons gehaast er bij te zeggen dat dit slechts een hulpmiddel is om enigszins het geheimenis dat we belijden te omschrijven. Laat ons altijd goed beseffen dat het geheimenis ten diepste een verborgenheid Gods blijft, dat niet is te doorgronden. Maar we ervaren, beleven het Woord des Heeren als zodanig: de Heilige Schrift Gods Woord, ingegeven door de Heilige Geest. De Geest getuigt in onze harten dat deze Schriften van God zijn. Daarom: Spreek Heere Uw knecht hoort. Hij, die gelooft, nadert niet vanuit zijn cultuursituatie tot het Woord, maar komt vanuit het horen van het Woord en met het Woord tot zijn cultuursituatie, die onder de kritiek van het Woord door moet, hoe zeer het ook moge strijden tegen ons modern levensgevoel. Ook daarin zit iets dat samenhangt met de ergernis van het kruis.
Uit de belijdenis van het goddelijk karakter van de Heilige Schrift heeft de Reformatie aan haar vier eigenschappen toegekend, die nog altijd de overdenking waard zijn. Allereerst wordt beleden dat de Schrift goddelijk gezag heeft. Daarover hebben we het reeds telkens gehad. Niet de kerk, of het verstand, of de geschiedenis heeft het laatste woord, maar alleen Gods Woord. Daarmede verwerpen we de onfeilbare paus, ondertussen belijdend dat we ons hele leven nodig hebben óm te leren aan de Schrift het laatste woord te laten.
De tweede eigenschap van de Heilige Schrift is dat zij volkomen duidelijk is. Ook dit werd staande gehouden door de reformatie tegenover de roomse gedachte dat de Heilige Schrift zo duister is, dat zij niet zonder de kerkelijk geijkte uitleg de mensen in handen mag worden gegeven. De reformatie was echter diep doordrongen van de overmacht van het Woord des Heeren, dat klaar de weg der zaligheid openbaart. Daarom moest de Bijbel in ieders handen zijn. Dit bij uitstek reformatorisch besef leve in onze harten. Natuurlijk wil dat niet zeggen dat we zouden ontkennen dat er moeilijke plaatsen in de Bijbel zouden voorkomen. Doch het duidelijk zijn van de Heilige Schrift ziet op de openbaring aangaande onze oorsprong, onze zonden, de zin van ons bestaan, het doel van al Gods werken, de weg der zaligheid. — Schijnbaar is de visie van Rome gewijzigd daar zij zich evenzeer is gaan inzetten voor de verspreiding van de Bijbel in de landstaal. We mogen daarbij echter niet vergeten, dat zij dan voorzien moet zijn van de kerkelijke geijkte verklarende aantekeningen, en dat een tegenspreken van deze uitleg doodzonde is. Daarop ziende moet het voor een gereformeerde belijder onmogelijk zijn tesamen met Rome de Bijbel te verspreiden. Kanttekeningen mogen er zijn, als ze maar waarborgen de vrijheid van de Heilige Geest, zoals dat geldt van de kanttekeningen van onze Statenvertaling. Bij Rome leggen ze echter pauselijk dwang op de gewetens tegen de Geest menigmaal in. Het geloof belijdt echter niet te vergeefs: Uw Woord is een lamp voor de voet en een licht op mijn pad.
Als derde eigenschap van de Heilige Schrift belijden we haar genoegzaamheid. De schrift behoeft geen aanvulling. Zij is volledig. We weten dat de reformatie met het belijden dezer eigenschap de traditieleer' van Rome heeft afgewezen. Waarschijnlijk zullen we ook weten dat het laatste Vaticaanse Concilie de twee-bronnenleer heeft verlaten. Het wil alleen de Bijbel als bron der heilsleer erkennen. Ook al is hier iets in dat ons tot blijdschap kan stemmen, zo moeten we echter niet te hard juichen. Immers de traditie wordt nu verklaard te zijn de wettige uitleg en toepassing van de Heilige Schrift. Dat maakt, dat er praktisch niets is veranderd. De traditie blijft hetzelfde woord meespreken. Daarom vinden we toch Rome niet naast ons, maar moeten we haar weerstaan met het woord van Jezus: tevergeefs eren zij Mij, lerende leringen die geboden van mensen zijn.
Tenslotte wordt de noodzakelijkheid van de Heilige Schrift beleden. Zij is ons onmisbaar tot zaligheid. Ja, als dat maar voor ons geldt! Dat we met Gods Woord te ruste gaan en opstaan! Als dat waarlijk leefde onder de reformatorische christenen, dan was er geen probleem van de tweede dienst op zondag. Hoort de oproep van Jezus: Onderzoek de Schriften: want gij meent in dezelve het eeuwige leven te hebben; en die zijn het die van Mij getuigen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 mei 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 mei 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's