DE D00PVRAGEN
De tussenzin in de eerste vraag, die over de erfzonde sprak, hebben we een ogenblik gelezen, alsof het een hoofdzin was, dus alsof er alleen maar stond, dat onze kinderen in zonden ontvangen en geboren zijn, en daarom aan allerlei ellendigheid, ja aan de verdoemenis zelf onderworpen.
En daarmee uit!
Dat hebben we gedaan, omdat het bestaan van een genadeverbond, met al wat daarin besloten ligt, niet een vanzelfsprekende zaak is. Er bestaat nooit zoiets als een soort recht op genade. Maar al is dat genadeverbond geen vanzelfsprekende zaak het is daarom niet minder een werkelijke zaak.
Er wordt nu wéér gesproken over een positie van het kind. Die positie is, dat het „in Christus geheiligd is”.
Het is bij de kinderdoop wel bijzonder duidelijk, dat wij mensenkinderen niet als losse eenlingen bestaan en als droog zand los van elkaar staan. God heeft in Zijn scheppingsplan èn in de wijze waarop Hij ons mensengeslacht regeert en ook in de uitvoering van Zijn genadig welbehagen tot verlossing van zondaren een bepaalde plaats toegekend aan het levensverband van het gezin binnen het grote levensverband van Zijn grote huisgezin: de gemeente. Terecht wijst men erop, dat in het Nieuwe Testament niet zozeer sprake is van kinderdoop, maar van gezinsdoop. Van de stokbewaarder in Filippi wordt gezegd, dat hij zich verheugde, dat hij met gehele zijn huis aan God gelovig was geworden. In de vrucht van zijn bekering werd hij terstond gedoopt, en al de zijnen.
Zo werden ook samen met Cornelius gedoopt degenen, die tot zijn maagschap (bloedverwanten) behoorden. In Filippi is ook Lydia gedoopt en haar huis. Het valt ons op, dat dit telkens terstond en spontaan gebeurde, zonder de ingewikkelde problematiek, waarin wij kunstenaars zijn geworden. Die problematiek heeft ook de nodige bedenkingen opgeworpen tegen de bewoordingen van deze vraag.
Enige weken geleden hebben we naar aanleiding van het aanspreken van de ouders als „geliefden in de Here Jezus Christus" er al op gewezen, dat velen gemeend hebben deze eerste vraag te moeten verbeteren, door ervan te maken, dat onze kinderen in Christus geheiligd moeten worden of dat ze, voorzover zij krachtens Gods verkiezende liefde in Christus geheiligd zijn (misschien reeds zich uitwerkende in een wedergeboorte, die aan de doop is voorafgegaan), behoren gedoopt te wezen.
Maar wie de formulering van deze eerste vraag zoals die hier in het formulier voor ons ligt, verwerpt, moet eigenlijk ook de onderwijzing, die in het formulier gegeven is, op zij zetten. Het gaat immers niet om een enkele woordkeuze hier in deze Doopvraag. Maar wat hier staat hangt samen met heel de grondgedachte, die het formulier beheerst.
Wie met het „in Christus geheiligd" geen raad weet, moet ook gaan ontkennen wat het formulier ons heeft voorgehouden, dat God die kinderen tot Zijn kinderen en erfgenamen aanneemt, dat Christus ze wast in Zijn bloed en dat de Heilige Geest bij hen wonen en hen tot lidmaten van Christus heiligen wil. Die kan ook onmogelijk instemmen met het dankgebed, waarin de gemeente God looft en dankt, omdat Hij ons en onze kinderen door het bloed van Zijn lieve Zoon Jezus Christus al onze zonden vergeven en ons door Zijn Heilige Geest tot lidmaten van Zijn eniggeboren Zoon aangenomen heeft en dit feit, dat reeds vóór de Doop bestond, door middel van de heilige Doop bezegelt en bekrachtigt.
Dit klink inderdaad oppervlakkig gezien zó alsof hier verondersteld wordt dat al deze gedoopte kinderen zonder enige uitzondering tot het getal van Gods uitverkorenen gerekend worden en die kinderen straks hun hoofd rustig kunnen neerleggen op de gedachte, dat hun einde beslist vrede zal zijn, omdat dit bij het begin zo is gezegd. Maar wie er deze uitlegging aan zou willen geven, heeft toch de bedoeling van de opstellers niet recht begrepen. De bedoeling is alleen om te doen verstaan, dat, wanneer God komt met Zijn verbond, dit niet een ledig spel van ijle mooie klanken hoog in de lucht is.
Wie zich hier door onze Vaderen wil laten onderwijzen leze artikel 33 van onze Nederl. Geloofsbelijdenis. Daar staat o.a.: zo zijn de tekenen niet ijdel, noch ledig, om ons te bedriegen; want Jezus Christus is hun waarheid, zonder Wien zij niet met al zijn zouden.
Het is nooit mogelijk, dat het verbond Gods een ledige zaak zou zijn, zonder betekenis, een „dood" verbond. Wat van God komt is levend en waarachtig. Als God zegt: Ik richt Mijn verbond op tussen Mij en u en uw zaad na u in hunne geslachten, dan méént Hij dat ook. En dan maakt Hij ook een verbond met ons en met het nageslacht van Zijn bondgenoten.
En dan is die Jezus Christus, Die de waarheid van Zijn Sacrament is (art. 33 N.G.B.) dezelfde Christus waarvan onze eerste Doopvraag spreekt als Degene, in Wien onze kinderen geheiligd zijn.
Dat het hier allemaal nog zoveel sterker wordt gezegd als in het aanbod van genade, dat tot iedereen, Jood en heiden, gebracht moet worden, komt omdat we hier te doen hebben met een verbond. Dat verbond volgt een bepaalde bedding. Maar het is ook wat het woord zelf letterlijk zegt nl. een verbond. Bij een» verbond behoren beloften. De rijke bron van Gods beloften stroomt door de bedding, die het verbond volgt. Daarmede omspoelt Hij degenen, die Hij in dat verbond betrekt. Die beloften zijn niet een soort voorzegging omtrent hetgeen er van deze kinderen worden zal, maar wel een indrukwekkend getuigenis van Gods genadige gezindheid ons in het Evangelie geopenbaard.
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 mei 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 mei 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's