UIT DE PERS
Ondeskundige en onjuiste voorlichting.
Zoals u bekend kan zijn brengt de kwestie van een Bijbelvertaling vele problemen met zich mee. Vertalen is immers tevens vertolken. Allerlei vragen van uitlegkundige aard spreken daarin mee. Daarnaast zijn er rondom een nieuwe Bijbelvertaling vele andere vragen. Er zijn weerstanden die overwonnen moeten worden. De een begroet het nieuwe met meer enthousiasme dan een ander. Tussen een ogenblikkelijke aanvaarding en een wantrouwend afwijzen treffen we een hele scala van houdingen aan. Dat is ook gebleken en blijkt uit de houding tegenover de Nieuwe Vertaling van het Ned. Bijbelgenootschap. Deze is beurtelings geroemd en verguisd, verdacht gemaakt en geprezen.
Nu is onlangs door een comité, dat zich inzet voor het behoud van de Statenvertaling, een brochure uitgegeven: „Statenvertaling contra nieuwe vertaling”.
In het blad „De Wekker" geeft Prof. Dr. B. J. Oosterhoff in het nummer van 22 april een kritische beschouwing van deze brochure. Duidelijkheidshalve deel ik even mee, dat Prof. Oosterhoff hoogleraar is in de Oud Testamentische vakken aan de Theol. Hogeschool der Chr. Geref. Kerken.
Het belangwekkende van deze zaak is dat het hier een beschouwing betreft door iemand die Art. 3-7 van de Ned. Gel. Bel. ongetwijfeld even hoog waardeert als de leden van het genoemde comité en de schrijver van de brochure. Daarom valt het des te meer op, dat de kritiek van deze Oud-Testamenticus niet mals is. Het geschrift heeft Oosterhoff verbaasd, diep geschokt en teleurgesteld. Ook al erkent Oosterhoff volledig, dat ook de Nieuwe Vertaling mensenwerk is, dat er ongetwijfeld fouten aankleven, dat neemt niet weg dat hij deze brochure nagenoeg over de hele linie afwijst. De schrijver blijkt z.i. alle deskundigheid, talenkennis etc. te missen. Bovendien worden allerlei zaken, die in het verleden al uit den treure besproken zijn, weer naar voren gehaald, zodat ook op dat punt de brochure geen nieuws geeft. En voorts signaleert Oosterhoff een aantal verdachtmakingen en aperte onwaarheden. Hij schrijft in dit verband:
Alle vertalen is mensenwerk, en zo is er ook wel wat tegen de Nieuwe Vertaling aan te voeren. Maar het is een oneerlijke voorlichting, wanneer in het voorwoord van de brochure wordt beweerd dat in de N.V. de “kernwaarheden" van de H.S. zijn aangetast, verzwakt of geheel weg vertaald. En dat zij zich aanpast bij de moderne geest van denken en schriftbeschouwing. Dat wordt in de brochure ook niet aangetoond. Men probeert het wel, maar de argumentatie raakt soms kant noch wal.
Natuurlijk wordt 2 Tim. 3 : 16 weer aangehaald om aan te tonen, dat de N.V. het Schriftgezag aantast. En of men nu al honderd maal zegt, dat er In het Grieks pasa grafè (elke Schrift, elk Schriftgedeelte, n.l. als van God ingegeven zijnde) en niet plasa hè grafè (de gehele Schrift) staat, het maakt geen indruk.
En dat de geboorte van de Heiland uit de maagd Maria wordt geloochend in de N.V. is onwaar op grond van Matth. 1 : 23. Dat in Jes. 7 : 14 het woord „jonkvrouw" wordt gebruikt, heeft een reden die tot de schrijvers van de brochure maar niet wil doordringen.
Over de woorden „hel", „dodenrijk" en „verdoemenis" is in „De Wekker" al herhaaldelijk geschreven, maar het geeft allemaal niets. En men komt ook niet met grondige tegenargumenten.
Ik weet niet of ds. Baan al eens met de Hebreeuwse tekst van Gen. 2 is bezig geweest. Dan had hij kunnen weten hoe moeilijk die Hebreeuwse tekst is en niet kunnen zeggen, dat de achtergrond van de vertaling van de N.V. de moderne Schriftkritiek is. Op grond waarvan verdedigt ds. Baan in Jona 2 : 4 de vertaling van het Hebreeuwse partikel 'ak’ door „nochtans"? Ik zeg niet, dat dit niet kan. Maar het dient ook vaak ter versterking. Het Hebreeuws is hier niet zo gemakkelijk. Maar dat hier met opzet in de N.V. het geloofsbeleven van Gods kinderen en alle wonderen der Schrift worden wegvertaald, is een ongegronde insinuatie.
Wonderlijk wordt soms tegen de N.V. geargumenteerd. B.v. in verband met Spr. 12 : 4. In de Statenvertaling staat: en kloeke huisvrouw is een kroon haars heren. De N.V. heeft: en degelijke vrouw is de kroon van haar man. Het verschil tussen „heer" en „man" in beide vertalingen wordt dus verklaard, dat de vertaling „man" i.p.v. „heer" in de N.V. begrijpelijk is in een tijd van gelijkstelling van de vrouw en de man. Maar een oprecht vertaler zou toch niet mogen verduisteren, dat er in de grondtekst wel degelijk „heer" staat. Dat staat er ook. Maar het Hebreeuwse woord betekent zowel „heer" als „man", „echtgenoot" en zo wordt het ook dikwijls in de Statenvertaling vertaald, b.v. 2 Sam. 11 : 26; Ex. 21 : 3; Joel 1 : 8. Ook al van die tekstverduisteraars!
Het lust me niet allerlei teksten, die in de brochure worden genoemd, hier te behandelen. Er is ook geen goede basis voor gesprek. Wanneer we het met elkaar hebben over de vraag of een tekst goed of verkeerd is vertaald, moeten we dat doen op grond van de grondtekst.
In de brochure wordt de N.V. niet vergeleken met de grondtekst dan af en toe schijnbaar, maar met de Statenvertaling. De S.V. is de norm.
Inderdaad, hier wordt het Woord Gods gelijkgesteld met een bepaalde vertaling en krijgt deze vertaling min of meer een geïnspireerd karakter. Mij dunkt, we doen er goed aan naar dit wijze geluid van deze Apeldoornse hoogleraar te luisteren. Het is een verdrietige zaak dat men op deze wijze de zaak der Reformatie meent te moeten verdedigen.
Temeer, omdat de werkwijze van de brochure zo geheel en al indruist tegen de wijze van Schriftuitleg door de mannen als Luther en Calvijn. Wie Calvijn's commentaren en preken leest, ontdekt hoe Calvijn zich niet bindt aan een bepaalde vertaling, maar steeds weer gevraagd heeft: Wat staat er. Daarbij gebruik makende van de hulpmethoden, die zijn tijd hem te bieden had.
En ook Luther heeft een ruim gebruik gemaakt van de exegetische hulpmiddelen van zijn tijd, zoals Dr. J. P. Boendermaker op de vergadering van de lutherse predikanten heeft uiteengezet.
Wanneer wij in het voetspoor van hen willen gaan en het ons te doen is om verdediging en verbreiding van de waarheid Gods in de kerk, zullen we de nodige distantie hebben in te nemen tot de genoemde brochure. Wil men de erfenis van de 17e eeuw doorgeven in het heden - akkoord, maar „non tali auxilio”!
Zendingsopleiding in Nederland.
Het blad „De Heerbaan" (19e jaargang, no. 2) biedt de tekst van het openingscollege van Prof. Dr. E. Jansen Schoonhoven bij de aanvang van de cursus 1965-’66. Jansen Schoonhoven gaf daarin een aantal overwegingen bij het 60-jarig bestaan van een gemeenschappelijke zendingsopleiding in Nederland.
Onder meer kwam ter sprake het besluit van 1946 om voortaan het candidaatsexamen in de theologie als toelatingseis voor de zendingsschool te doen gelden. Vandaar ook de naam Zendingshogeschool. Dat besluit is afgedwongen door de situatie van het zendingswerk overzee na de tweede wereldoorlog.
Ook hier moesten de belangen van het werk prevaleren boven alle andere overwegingen. De zelfstandigheid der Indonesische kerken bracht mee, dat alleen die zendingsarbeiders zouden (kunnen worden uitgezonden, waar deze kerken om vroegen, en men voorzag direct na de oorlog, dat universitair gevormde predikanten zouden worden gevraagd. Met het oog op de behoeften van het werk veranderde ook de opzet van de voorbereiding voor de zendingstaak. In plaats van ethnologie kwam etlino-sociologie; de uitgebreide medische opleiding waaraan de Leidse medische faculteit een onwaardeerbare medewerking verleende, werd ingekrompen tot het vak „tropische hygiëne en voedingsleer" en van de theologen werd gevraagd dat zij zich grondig verdiepten in missiologie en oecumenica.
Tot zover dit citaat van Jansen Schoonhoven, die er voorts nog op wees dat reeds in 1905 de wenselijkheid naar voren kwam dat de zending meer academici nodig had. Dat alles heeft niets te maken met „universitaire superioriteitscomplexen", maar vloeit voort uit de taak die er ligt en is een consequentie van een „oecumenische zending”.
Hervormd-Remonstrants gesprek.
Het zal de lezers vermoedelijk wel bekend zijn, dat de classicale vergaderingen onzer kerk binnenkort moeten beslissen over voorstellen voor toenadering tot de Remonstrantse broederschap. In het orgaan voor het hervormde Kerkewerk „Woord en Dienst" gaan de hoogleraren Dr. H. Berkhof (Herv.) en Dr. G. J. Hoenderdaal (Rem.) in op de verhouding tussen beide kerkgemeenschappen. Ze kiezen hiervoor de vorm van een briefwisseling.
In de brief van Berkhof wordt erop gewezen dat de afstand er sinds 1618-19 niet kleiner op geworden is. „Als hervormde zie ik de hoofdoorzaak daarvan in het feit, dat de Remonstrantse broederschap zich sinds het midden van de vorige eeuw is gaan vereenzelvigen met wat toen het modernisme heette en later het vrijzinnig protestantisme werd", aldus Berkhof. Wat hij voorts schrijft over de vrijzinnigheid in de Broederschap heeft een zeer bepaalde modaliteiten-visie tot achtergrond. We citeren:
Het is dus duidelijk, dat ik niets heb tegen de vrijzinnigheid in jullie Broederschap; wel echter tegen de vrijzinnigheid van de Broederschap. Deze exclusiviteit gaat tegen het wezen van de Kerk in. De Kerk is immers het éne lichaam met de vele leden (1 Cor. 12). Onder het gezag van de éne Heer hebben ze elkaar te dienen en aan te vullen. De verhouding van eenheid en veelvormigheid is één der moeilijkste problemen van het kerk-zijn in de moderne wereld. Ik denk er niet aan, te beweren dat de hervormde kerk dat probleem heeft opgelost. Maar ik ben blij, lid te zijn van een kerk die zich dit probleem heeft gesteld. Ik kan onmogelijk remonstrants worden, omdat men daar dit grondprobleem ontwijkt. Men ontwijkt het zelfs zozeer, dat men er niet eens principieel over wil spreken. Officieel kan immers ook een niet-vrijzinnige lid en predikant worden? Ja, maar praktisch niét. Dat is een stille afspraak. Daarmee mist de remonstrantse Broederschap een fundamentele eigenschap van de Kerk. „Want het lichaam bestaat toch ook niet uit één lid, maar uit vele leden? !" (1 Cor. 12 vs. 14). In het aardige boekje De Remonstrantse Broederschap (1964) wordt de „openheid" der Broederschap geroemd en gezegd: „Bovenal weet zij zich geïnspireerd door de beeldspraak van het éne lichaam met de vele leden, zoals die in Paulus' brieven aan de Corinthiërs te vinden is", (blz. 12v.). Ik ben zo vrij, van dat laatste niets te geloven. De Broederschap als zodanig is aan deze visie van Paulus nog niet toe. En daarmee is ze niet toe aan een probleem dat ons juist in onze geseculariseerde en polyvalente wereld gesteld wordt.
De gevolgen van deze grondbeslissing zijn duidelijk. Men kan het vrijzinnig element in de Kerk niet van de andere elementen isoleren. Vrijzinnigheid betekent immers kritiek en experiment. Zij veronderstelt in de Kerk substantie en traditie. Rechterhand en linkerhand moeten elkaar wassen. De traditie heeft het levenwekkende van de kritiek nodig en zet zich in de geschiedenis pas werkelijk voort langs de weg van steeds nieuwe experimenten. De traditie verstart zonder de kritiek, de kritiek vervluchtigt zonder de traditie. Dat laatste voel ik als het gevaar dat de Broederschap bedreigt. In haar klimaat heeft het kritische de voorrang op het besliste. Altijd? Dat mag ik niet zeggen als ik aan de houding der Broederschap in de oorlogsjaren denk. Maar meestal wel. Wekelijks lees ik het „Remonstrantse Weekblad". Ik heb daar veel boeiende artikelen in gevonden. Maar leiding gaat er bijna nooit van uit. De dingen worden graag van meer dan één kant bekeken. Ieder moet het zelf maar uitmaken. Ik ontken de wijsheid niet, die daarin vaak steekt. Maar het wordt me te vrijblijvend om nog kerkelijk te kunnen heten.
Nu gaat het mij in dit verband niet om het vraagstuk van de vrijzinnigheid op zichzelf. Maar om de vrijzinnigheid van de remonstrantse broederschap, zoals Berkhof dit stelde en zoals dit door Hoenderdaal beaamd wordt. Wordt dit element in het Hervormd-Remonstrants gesprek genoegzaam verdisconteerd? Dat is o.i. zeer de vraag. Het wordt zo gesteld: In 1618-19 was er het verschil over de verkiezing en de verwerping. Thans is echter de ontwikkeling van dien aard dat er op dit punt voldoende overeenkomst is tussen Remonstranten en Hervormden om nauwere contacten te rechtvaardigen. Nog afgezien van de vraag of men op deze wijze niet bezig is de Dordtse leerregels geruisloos tot museumstuk te verklaren (waardoor de gemeenschap met de belijdenis der vaderen tot een fictie wordt) is daar het punt van de vrijzinnigheid, die m.i. een rem vormt voor toenadering tussen Remonstranten en Hervormden. Laat men in het classicaal beraad deze ontwikkeling van de Broederschap sinds 1618 (haar vrijzinnig karakter) vooral niet uit het oog verliezen. Wie zonder meer de vrijzinnige vleugel aanvaardt als een wettige modaliteit in het geheel van de Kerk, zal het hier niet moeilijk mee hebben. Wie prijsstelt op het reformatorisch, belijdend karakter van onze kerk zal niet anders dan huiverig kunnen staan tegenover deze voorstellen tot toenadering. Daarvoor zijn o.i. de verschillen ten aanzien van punten als christologie, verzoening, kerk en ambt te groot. En bovendien: ligt het niet meer op de weg deze toenadering te zoeken in de richting van de Geref. gezindte?
Verliest de Christelijke School aan karakter?
We besluiten het persoverzicht ditmaal met een gedeelte uit een referaat van drs. T. M. Gilhuis, gepubliceerd in het Geref. Weekblad (van vrijdag 22 april). Het handelt over een zeer aangelegen punt, dat ons allen moet raken.
Niet minder groot is de verzoeking die vele besturen, vooral van middelbare scholen overvalt. wanneer beslist moet worden in een vacature, waarbij de kandidaat wel didactisch acceptabel is, maar niet principieel.
Het gevaar dreigt dan dat de besturen de levensovertuiging van de docent van minder belang achten dan de vraag: Hoe krijgen we een bevoegd en bekwaam docent.
Ook hier dienen m.i. de besturen voet bij stuk te houden, vooral als het gaat om aanstelling in een volledige betrekking. Juist hier dient de christelijke school zichzelf te respecteren.
In de tweede plaats is dit streven naar algemeenheid te constateren bij — het is zo even al aangeduid — onderwijzers en leraren. Het uit niet apostolaire motieven voortspruitende solliciteren naar het openbaar onderwijs komt voor. Een hoofd van een school in Brabant vertelt dat binnen één jaar vier van zijn personeelsleden zonder bezwaar overstapten naar het openbaar onderwijs, twee ervan — zo voegt hij er bij — zijn lid van de gereformeerde mannenvereniging.
Ook onder christenouders komt dit kiezen voor de openbare school voort uit niet-principiële redenen. Een hoofd der school in Noord-Holland schrijft: „Ik ken ouders die hun kinderen om de één of andere reden rustig naar een openbare u.l.o.-school sturen en zelf in het bestuur zitten van een christelijke huishoudschool.”
De stelling over de mindere aandacht die de pers wijdt aan 't christelijk onderwijs lijkt mij onaantastbaar. In de vijftiger jaren was dat anders. Trouwens 't onderwijs in het algemeen komt in de (christelijke) dagbladpers maar stiefmoederlijk aan bod. Jammer — want haar zaak behoort volkszaak te zijn. Dubbel jammer voor het christelijk onderwijs, omdat juist een positieve voorlichting inzake de school de krachten van de neergang kan afremmen.
Jegens de kerk kan een zelfde klacht geuit worden. Zeker — in 't algemeen staan de kerken achter het christelijk onderwijs. Plaatselijk echter — vooral in de steden — is er maar weinig wederzijds contact. Bij 't middelbaar onderwijs althans merk ik er niets van. En dan zwijgen we nog maar over de chaotische situatie op het terrein van de psalmberijming en de gezangen, waarmee de kerken ons belast hebben.
In het verleden moge met de eeuwige beginselen wel eens wat afgoderij bedreven zijn. Vandaag aan de dag slaan we over naar het andere uiterste. Velen zijn zo beducht voor het woord „beginsel", dat ze bij voorbaat geneigd zijn zich te excuseren. Gilhuis' woorden verdienen - dacht ik - ons aller aandacht. Temeer omdat hij het niet laat bij een diagnose. Maar ook opwekt alle defaitisme te laten varen. We geven hem nog even het woord:
Wat er nu tegen de krachten van de neergang te doen valt? Om te beginnen alle defaitisme laten varen. Ik geloof aan een nieuw réveil zodra we maar dapper tegen de stroom willen inroeien.
Er zijn besturen en hoofden die b.v. zeggen een z.g. ouderavond met toespraak niet meer te kunnen organiseren en daarom maar tot z.g. contactavonden overgaan. Maar het treft mij altijd weer, dat bij toespraken op doodgewone dorps-ouderavonden, waarin heengewerkt wordt naar het hart van de christelijke school, de mensen opnieuw verwonderd raken over de zegen daarin geschonken. Maar we moeten het elkaar weer vertellen. Doen we dat niet, dan raken we de greep op onze scholen kwijt en zullen straks anderen de dienst uitmaken.
Daarom moet er o.i. van de zijde van het C.P.S. en van de „Unie Een School met de Bijbel" een nieuwe stimulans uitgaan ter bezinning op het wezen van onze school.
Laat het C.P.S. de scholen niet alleen bewerken met didactische richtlijnen, maar in blad, brochure en boek ook meewerken aan de verdere uitbouw van een christelijke pedagogiek. Een brochure als Waterink uitgaf: „En toch... de christelijke school", had m.i. uit zijn arsenaal te voorschijn moeten komen. Nu kwam zij uit de beperkte kring van G.S.V. Laat de Unie grondig gaan werken aan een moderne reorganisatie. En met haar de Vereniging tot Steunverlening aan het christelijk onderwijs in het buitenland. Juist ook door een generaal appèl ten behoeve van de nood van het christelijk onderwijs in het buitenland, zal ook meegewerkt worden aan een enthousiaste herwaardering van wat wij hier in eigen land in de christelijke school bezitten.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 mei 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 mei 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's