De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE DOOPVRAGEN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE DOOPVRAGEN

6 minuten leestijd

7

God omringt dus de kleine kinderen der gelovigen van jongsaf met de rijkdom van de beloften van het verbond der genade. Zoals een fles omspoeld wordt door een vloeistof, waarin hij gedompeld wordt. Wanneer die fles deze vloeistof niet ontvangt, ligt het niet daaraan, dat deze vloeistof ontoereikend of ver weg is of door een of andere isolerende laag er van verwijderd is. Maar dan is de oorzaak gelegen in het feit, dat de fles z'n eigen, misschien wel heel ondeugdelijke inhoud meebrengt of althans een gesloten fles was en bleef.

Daarom zal in het dankgebed gevraagd worden, dat die kinderen de Vaderlijke goedheid en barmhartigheid, die God hun bewezen heejt, zullen bekennen.

Daar liggen twee dingen in. Er is iets gebeurd. En er nioet iets gebeuren. Beide waarheden moeten vastgehoudeii worden. Men kan zo eenzijdig steeds herhalen, dat er iets met de mens gebeuren moet, dat men vergeet behoorlijk aandacht te schenken aan hetgeen met hem reeds gebeurd is. Maar evenzeer kan men zo eenzijdig de klemtoon laten vallen op hetgeen eenmaal in het uur van de Doop gebeurd is, dat men verzuimt aandacht te hebben voor hetgeen gebeuren moet.

De kinderen zijn erfgenamen van het rijk Gods en van Zijn verbond. Ze zijn erfgenamen van de beloften Gods. Maar dat wil niet zeggen, dat ze automatisch erfgenamen zijn van het geloof in die beloften.

Maar, dat in die laatste zin bedoeld, „genade geen erfgoed is", wil niet zeggen, dat wij onze kinderen niet zouden mogen en moeten laten weten, met welk 'n rijke, belovende God zij te doen hebben, die Zijn beloften met naam en toenaam aan hen geadresseerd, hun heeft meegegeven, niet als een soort „voorspelling" van een goede afloop (op zichzelf een ongeestelijke zaak), maar als 'n indrukwekkend krachtige prediking van Zijn goedwilligheid en genade „te onswaart" (= jegens ons, zie Art. 33 Ned. Geloofsbelijdenis). Van die beloften is Christus de levende inhoud.

Ook de onvruchtbare ranken waren eenmaal in de wijnstok. En die wijnstok is Christus.

Er zijn inderdaad tweeërlei kinderen des verbonds. Maar het zijn toch metterdaad kinderen des verbonds. Zoals Jezus spreekt van „kinderen des Koninkrijks". (Matth. 8 : 12). Daar zegt Jezus, dat vele van die kinderen des Koninkrijks buiten geworpen zullen worden. Dat is een aangrijpende zaak. Maar zij is juist daarom des te meer aangrijpend, omdat het mensen betreft, die de hoge naam van kinderen des Koninkrijks mochten dragen.

De moeilijkheden in verband met de waardering van het genadeverbond en de bezegeling er van aan de kleine kinderen der gelovigen, hangen grotendeels samen met de beschouwing, die men koestert omtrent de verhouding van uitverkiezing en genadeverbond.

We komen telkens de neiging tegen om tussen deze twee een verband te leggen, dat leidt tot kortsluiting.

Menigmaal wordt de uitverkiezing gemaakt tot een waarheid, een ding op zichzelf, dat eigenlijk alles beheerst. Men gelooft dan in een verzakelijkte uitverkiezing, maar niet iri de God der verkiezing, zó, dat men van Hem alleen alles verwacht.

Onder ons wordt menigmaal te verstandelijk, te rechtlijnig, te „geraamteachtig" over de verkiezende liefde Gods gesproken en gedacht.

We krijgen dan een theorie, die je op een stuivertje kunt schrijven: „er zijn zóveel mensen. Daarvan zijn er zóveel uitverkoren. Daar hoor je bij of niet. Je kunt alleen afwachten of er iets gebeurt, waaruit blijkt, dat je uitverkoren bent”.

Zo’n blijk van verkoren te zijn kan dan desnoods buiten 't geloof in Christus om tot de roens komen. Bidden baat daarbij weinig. V\^ant zolang men niet weet uitverkoren te zijn, is er niets om op te pleiten.

Maar — wie op een spitsuur in de stad alle waarschuwingen en aanwijzingen van het verkeer in de wind slaat, mag zich niet beroepen op een voorzienige leiding Gods, Die nu eenmaal toch ons leven en ons lot besteld heeft. Zo iemand pleegt feitelijk zelfmoord.

Zo plaatst God ons in deze wereld met haar talloze kruispunten van de weg des levens en de wegen des doods en komt tot ons rflet Zijn waarschuwende en wenkende roepstemmen, opdat wij 't verderf ontvlieden en op zo grote zaligheid acht geven zouden.

Laten wij nooit een bepaalde waarheid Gods losmaken van het geheel van Zijn openbaring.

We maken dan van een levende tak een dode stok.

Ons bestek verbiedt ons verder in te gaan op de wijze, waarop b.v. de kerk van alle eeuwen geleefd heeft ten aanzien van de belijdenis van Gods verkiezing. Het zou overigens interessant genoeg zijn na te gaan, hoe dat geweest is bij de martelaarskerk der eerste eeuwen, bij de kerkvaders, in de Middeleeuwen, in de tijd van de Reformatie en daarna.

De reformatoren hebben de verkiezing beleden van uit de souvereiniteit Gods, zoals zij die ontmoetten in de Schrift. Van het geloof in de levende God uit hebben zij de troost van Zijn verkiezende liefde geleerd, zonder welke niemand zalig zou kunnen worden. Deze belijdenis is dus niet die van een leerstuk als zodanig, maar zij is gegrond in het geloof in God Zelf. Zij beleden het „sola gratia" (alleen door genade) omdat God God is.

Maar nu hebben zij evenzeer beleden, dat God, Die de souverein handelende en verkiezende God is, met de mens handelt op verbondsmatige wijze, omdat de mens mens is en dit door God zo gewild is, zodat het met het souvereine handelen Gods overeenkomt, dat Hij met de mens als mens handelt.

Eigenlijk is de mens geen partij voor God, om met hem een verbond aan te gaan. Een gelijkwaardige partij kan er alleen zijn in God Zelf.

Vervolg op pag. 157, rechts onder.

Vervolg van pag. 155, De doopvragen.

De Gereformeerde theologie heeft het bestaan van zulk een verbond ook geformuleerd als het Verbond der Verlossing tussen God de Vader en God de Zoon, waarbij men verwees naar Zach. 6 : 13 (de raad des vredes) en naar Psalm 2 : 7 en 8. God de Vader heeft aan de Zoon 't werk der verzoening en der verlossing opgedragen en de Zoon heeft het Hem opgedragen werk aanvaard en volbracht (Joh. 17 : 4 en 19 : 30). Daardoor heeft Hij nu ook recht op de gegevenen des Vaders.

Nu gaan we ook hierop niet verder in. We vermelden dit Verbond der Verlossing alleen omdat het zo nauw aansluit bij het leerstuk van de predestinatie; en omdat velen het Verbond der Verlossing practisch vereenzelvigen met het verbond der genade.

Het is begrijpelijk, dat wie dat doet eigenlijk geen raad weet met ons Doopsformulier in 't algemeen en deze eerste Doopvraag in het bijzonder. Maar daarover de volgende maal nader.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 mei 1966

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE DOOPVRAGEN

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 mei 1966

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's