KRONIEK
Meester en leerling
Meester en leerling (1).
Dezer dagen troffen me twee passages, die beide de verhouding leraar en discipel aan de orde stelden. In Hervormd Nederland was het een verhaal van F. R. A. Henkel over een dichter, die in de barre oorlogstijd pap kookte. De geschiedenis speelde in Den Haag. Wanneer de pap kokende dichter de woning van wijlen Groen van Prinsterer passeert, gaat hij filosoferen. Groen was een heel goede man. Zijn vrouw was ook heel goed. Ze was zelfs een engel. De goede Groen schreef een heel goed boek over Ongeloof en Revolutie. Maar de auteur is minder te spreken over de volgelingen, de leerlingen van Groen. Die deden met dat goede boek afkeurenswaardige en rare dingen. De volgelingen waren dom. Niet statig.
Is het billijk om iemand tegen zijn aanhang uit te spelen? Natuurlijk is het een kunstje om verschil te constateren. De voorganger is geestelijk verreweg de meerdere van zijn discipelen. Uitgesloten is niet, dat men iemand verkeerd kan interpreteren voor wel tachtig of negentig procent, maar het is toch ook zeer wel mogelijk, dat men iets minder genuanceerd toch in hoofdlijnen zeer getrouw de hoofdlijnen van 's leiders bedoelingen navolgt.
Licht ontstaat de mythe van de geniale herder en de domme kuddedieren. De geestelijke trekkers van het spoor zijn de kwaadsten niet, maar wacht u voor het vervolg. Dit kan heel gemakkelijk ons op een hautain standpunt plaatsen. De voorgangers, die we nog wel waarderen kunnen, behoeven we niet te bestrijden, terwijl we voor het drijven van de partijgangers achter hem geen goed woord over hebben. Dat is echt wat je noemt een wig drijven. De leidslieden, die we lof nageven, hebben dit nimmer gewild. Hoe hartelijk voelden ze zich geestelijk met hun achterban gebonden menigmaal. Met name kerkelijke en godsdienstige leiders, die door genade wisten, dat ze slechts de Heere konden behagen door een eenvoudig kinderlijk geloof, waarin velen van hun volgelingen hen beschaamd maakten.
Is het niet overtrokken om de zware vuurmond te richten op een speels fantasietje in Hervormd Nederland? Het is evenwel een methode, die bij herhaling wordt gebezigd. Calvijn „reus-achtig" — om met Rijnsdorp te kwalificeren — doch de Calvinisten — om niet met Rijnsdorp te spreken — afzichtelijke dwergen.
Dergelijke gedachtesprongen zijn voer voor neo-fascistische gangmakers.Want dit argument ligt het fascisme. De horde dient slechts om heil te roepen aan het adres van de superieure leider.
Meester en leerling (2).
Kerkvorst dr. Hans Lilje vertoefde in ons land. Een verslaggever nam de gelegenheid te baat om het oordeel van de Westduitse bisschop te vragen over actuele problemen in zijn kerk.
Het gesprek liep over de beweging „Kein anderes Evangelium", die zich verzet tegen de aantasting van de grondwaarheden door tal van theologen heden ten dage. O.a. Robinson, die tussen haakjes zeer recent verklaarde, dat hij zich weer distantieert van het door hem geformuleerde geloofsartikel, dat God de grond is van het bestaan. We krijgen wel eens de indruk, dat er soms ondoordacht en gauw op losgeslagen wordt.
In Dortmund kwamen twintigduizend verontrusten bijeen om te protesteren tegen het feit, dat verschillende moderne theologen een ander evangelie verkondigen. Vandaar de naam: „Kein anderes Evangelium”. Begrijpelijk werd ook de naam Bultmann genoemd. De theoloog van de ontmythologisering. Bisschop Lilje wilde Bultmann geen dwaalleraar heten. Hij bedoelt iets anders dan zijn volgelingen laten horen. Hij heeft iets werkelijk ernstigs te brengen. Maar de volgelingen, de studenten, die als predikanten de gemeenten ingaan, die de opvattingen van hun leermeesters bij stukjes en beetjes moeten toepassen, maken de brokken. Liever zou dr. Lilje de kerk sluiten als het deze kant op moet. Hij ontbiedt zulke jonge heethoofden en verklaart, dat hij met zulk een geloof niet leven kan en sterven. Trouwens de gemeenten nemen 't niet, wanneer wordt voorgehouden dat bidden dwaasheid is en dat het plaatsbekledend lijden en de opstanding oudwijfse fabelen zijn.
Bultmann bedoelt iets anders dan zijn volgelingen verkondigen. Inderdaad constateren we gedurig dat de meester in zijn wijsheid gist en de leerling in zijn waan beslist.
Maar gaat de man vrijuit, die toch maar de stoot geeft, dat doordravers met het geleerde in de gemeenten op de kansels de knopen doorhakken? Mogelijk heeft de hooggeleerde de jeugdige studenten evenzeer geschokt. Ze zijn dit niet te boven en wreken zich op de kudde, die aan hun verantwoordelijke zorg wordt toebetrouwd. Doch de professor moet intelligent genoeg zijn om te voorzien hoe zijn stellingen aan de man gebracht worden. Terecht leren we, dat meer geëist wordt van hem die meer geschonken werd. Schuld is afhankelijk van „licht en gezicht”.
Ik kan er niet mee akkoord gaan, wanneer we de groten laten lopen en de kleintjes, die het onbeholpen doen ophangen. Ik dacht, dat het een list was van de duivel. Hij organiseert 't zo. Knappe, goedbedoelende, ernstig bezorgde leermeesters en onbesuisde discipelen, die als een dolleman tekeer gaan in laatste restjes van wat gemeenten waren.
Het is een kwaad ding, wanneer we het water opening geven. We moeten erop bedacht zijn, dat de leerlingen consequenties trekken van wat ze wordt ingegoten. Indien iemand een andere leer leert en niet overeenkomt met de gezonde woorden van onze Heere Jezus Christus en met de leer die naar de godzaligheid is, die weet volgens Gods Woord' met al zijn wetenschappelijkheid niet zo erg veel (1 Tim. 6:3).
Dr. Lilje verwacht felle strijd om het modernisme in de Westduitse kerk. De bisschop is blijkbaar niet zo gelukkig met een vrijzinnige vleugel als prof. Berkhof, die zijn blijdschap daarover uitspreekt in een briefwisseling met prof. Hoenderdaal over de verhouding hervormd-remonstrant. Een actuele kwestie nu het beraad gaande is over de correspondentie van de Herv. kerk met de remonstrantse broederschap. De opzet is, dat predikanten over en weer bevoegd zijn tot bediening van Woord en sacramenten en onder bepaalde voorwaarden ook beroepbaar in de andere kerk.
De gemeenschap aan het belijden der vaderen houdt ten aanzien van de leerregels van Dordt niet veel in. Immers de vrijzinnigheid is nuttig voor het contact met de moderne wereld. Zo is ieder — om het eens modern uit te drukken — ergens op zijn plaats. Prof. Hoenderdaal acht de term „in gemeenschap met het belijden der vaderen" een rookgordijn.
Ketterij bestaat niet meer. Dat is een onmogelijke mogelijkheid. Toch kan het nog. Zelfs Robinson sprekend over de befaamde „God-is-dood-theologen", die nog weer wat verder gaan dan leermeesters, waarvan Robinson mogelijk ook een is, noemt niet alle maar toch wel een hunner een ketter.
Meester en leerling (3).
Het regende ingekomen stukjes over de televisiekwestie, die zich in Barneveld voordeed. Bij sommigen kreeg men de indruk, dat er geen devoter en zegenrijker bezigheid is dan televisiekijken, terwijl de strengst denkbare tucht wordt uitgeoefend middels de knop, die gloeiend staat van het afdraaien. Vaak denk ik: Er zijn een boel mensen, die mij in deugdzaamheid verre de baas zijn. Want ik geloof, dat, had ik een knop, ik wel even dralen zou.
Bij het Barneveldse geval voegde zich dat van de jongeman, die na zijn aanneming als lidmaat de volgende avond zou deelnemen aan een cabaret-avond. Het heeft me getroffen bij alle pro's en contra's van de Barneveldse televisie en dat zal mogelijk hetzelfde zijn, wanneer 's-Gravenzande voor de leeuwen geworpen wordt, zoals zo vaak al de laatste tijd pikante dingen van de kerk met een ruk in de publiciteit getrokken worden, men te weinig aandacht schonk aan het feit, dat bedoelde jonge mensen in een bijzondere periode van hun leven zich bevonden, nog af gedacht van het feit hoe men in het algemeen over deze dingen oordeelt.
De Bijbel kent bijzondere tijden van voorbereiding en afzondering. Men trok de woestijn in om zich te onttrekken aan vele beslommeringen en om zich biddend te prepareren op zijn roeping.
Was het tijd? Deze vraag stelde de profeet Elisa zijn leerling Gehazi. Was het tijd?
Dubbelhartigheid is de ziekte van zovelen, die de kerk nog niet geheel de rug hebben toegekeerd. Letterlijk staat er, zegt de kanttekening, een dubbelzielig man, die hart of ziel gelijk als in tweeën gedeeld heeft tussen God en zijn begeerlijkheden. Een dubbelhartig man is ongestadig in al zijn wegen. Er zijn niet zovelen die een vaste koers gaan.
Heere heb me. Dat moet wel zijn de bede van jong en oud. Heere heb me, opdat ik Uw eigendom ben. Velen hebben God, maar God heeft hen niet. Men volgt zonder verlaten. Dat zijn ernstige kwalen. Menigeen wist alles van God en Zijn dienst, van al wat mag en behoort, maar Hij zal zeggen: Ik heb u nooit gekend.
Discipel zijn is de Meester volgen. En ja, men prijst de Christus hemelhoog, maar zijn christenen acht men domme en kortzichtige achteraanlopers die de verhevenheid van de Heere bezoedelen. Vaak is het wel zo trouwens. Maar met dit volk wil de Heere verheerlijkt zijn.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 mei 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 mei 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's