DE DOOPVRAGEN
8
De vorige maal eindigden we met de door velen voorgestane vereenzelviging van het verbond der genade met het verbond der verlossing, waarin God de Zoon optreedt als het Hoofd van Zijn uitverkoren gemeente. Het verbond is dan eigenlijk niet opgericht met mensen, maar met de Zoon. Maar omdat deze daarin optreedt als het Hoofd der uitverkorenen, zegt men dan toch maar, dat het verbond met hen is opgericht.
Dan zijn in het genadeverbond alléén de uitverkorenen bondgenoten. En dan moet men zich van z'n verkiezing verzekerd, weten, voordat men zich de beloften des verbonds mag toeëigenen. Dat kan gebeuren door een zodanige bevindelijke kennis van de persoonlijk toegepaste en ervaren liefde Gods, dat Hij ons als 't ware persoonlijk toeroept: „Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde”. Nu willen we niet ontkennen, dat er zo'n persoonlijk toegepaste en ervaren liefde Gods is; en dat deze zich in bijzondere ogenblikken op zeer bijzondere wijze openbaart.
Maar er rijst een ernstig bezwaar bij ons tegen de wijze waarop deze vereenzelviging van het genadeverbond met het verbond der verlossing wordt gesteld, gesystematiseerd en geschematiseerd in bepaalde stellingen, die b.v. in de Gereformeerde gemeenten zijn aanvaard. Ik noem dit, omdat, in onze Hervormd-Gereformeerde gemeenten, men, meer dan men zich bewust is of wil erkennen, onder de indruk is van hetgeen in die kringen leeft en geneigd is dat voor het eigenlijk-gereformeerde standpunt aan te zien, terwijl het toch een totaal ander geluid is dan wat ons uit onze belijdenisgeschriften en uit onze formulieren tegenklinkt.
In bedoelde kringen ook onder ons, kan men het genadeverbond in de lijn der geslachten, zoals het in de Doop wordt bezegeld, gerust missen, omdat dit in het geheel niet functioneert. Het houdt geen enkele praktische betekenis voor het geloofsleven over. Ter wille van een sluitend systeem heeft men de leer van het genadeverbond uitgehold. Het gevaar van het zoeken van dit sluitende systeem bedreigt het geloofsleven telkens weer, omdat het tegemoetkomt aan de hovaardige pretenties van onze armzalige logica.
In de Gereformeerde kerken zijn en waren er velen, die op een andere wijze verband legden tussen verkiezing en verbond, zodat eveneens kortsluiting ontstond. Ook daar leefde de gedachte, dat het verbond en zijn beloften feitelijk alleen van kracht was voor de uitverkorenen. Wie dat zijn, kunnen wij niet vaststellen. Daarom veronderstellen we, dat we in de kleine kinderen der gelovigen met uitverkorenen te doen hebben en daarvoor blijven we hen houden, totdat het tegendeel blijkt. Daarbij kan een sluimerende wedergeboorte met een daarmede gegeven geloofsvermogen aanwezig zijn, dat eerst jaren later door de prediking opgewekt en tot bewustzijn gebracht wordt.
Nu ontkennen we al weer niet, dat kleine kinderen soms van jongsaf een nieuw hart ontvingen en de Heilige Geest deelachtig werden (denk b.v. aan Johannes de Doper), maar de fout is al weer dat men de systematisch veronderstelde wedergeboorte tot de eigenlijke grond van de Doop ging maken in plaats van de belofte Gods aan de kleine kinderen der gelovigen. Met dit alles beweegt men zich op het terrein van een zeer speculatieve theologie, die wat het verbond der verlossing betreft op zeer spaarzame Schriftgegevens rust, maar aan de klare duidelijkheid van het: „u komt de belofte toe en aan uw kinderen", geen recht laat wedervaren. In het genadeverbond geeft God de Here aan de belofte van het Evangelie de vaste vorm van een verbond, dat Hij omringt met plechtige verzekeringen en zegelen.
Zoals David Jonathan niet alleen liefhad, maar aan die liefde de rechtsvorm van een verbond gaf, waarop een beroep mocht worden gedaan en waarin David ook het huis van Jonathan (Mefiboseth) betrok, zo richt God Zijn verbond op met de gelovigen en hun zaad.
In dat verbond zegt de Here in het midden der gemeente: „Ik ben u tot een God en gij zijt Mij tot een volk". Want er bestaat juist ook volgens deze eerste Doopvraag een gemeente. En dat is het juist wat velen onder ons totaal kwijt zijn. Het verschil tussen het verbond der verlossing en het verbond der genade komt ook daarin uit, dat het eerste onverbrekelijk is, omdat het vast ligt in wat wij de wil van Gods besluit noemen.
Maar het verbond der genade is een verbond, dat maar door al te velen ontheiligd en verbroken wordt. Dat ligt niet aan het verbond op zichzelf maar aan de „bondelingen" (om dit lelijke woord te gebruiken). Het is er mede als met het huwelijk. Dat is naar zijn aard onverbrekelijk. Zo wordt het ook aanvaard. Maar dat neemt niet weg, dat echtbreuk bestaat.
Zo is het genadeverbond van Gods kant getrouw en waarachtig. Hij zal Zijn waarheid nimmer krenken. Hij legt alles aan Zijn wijngaard ten koste en het is Zijn schuld niet, wanneer deze straks stinkende druiven voortbrengt. Ook degenen, die zich straks als ongelovige en ongehoorzame bondgenoten openbaren, zijn des wortels en der vettigheid des olijfbooms deelachtig geworden. De verbondsgemeenschap (de gemeente) is de gemeenschap waarin de Here woont en werkt met Zijn Geest. Des te erger is het die verbondsweldaden te versmaden. En daarbij denken we aan verschillende bijzonder ernstig waarschuwende woorden van de brief aan de Hebreeën. Men heeft in het verbond veel meer ontvangen dan een eenvoudige aanbieding. De bondgenoot behoeft niet te vragen, of hij, wanneer hij met z'n schuld en onreinheid tot God komt, wel welkom is. Want God heeft hem zelf het teken des verbonds in zijn vlees gegeven. Het komt er alleen op aan, dat deze erfgenaam van het rijk Gods en van Zijn verbond ook werkelijk tot Hem komt. De belofte is niet een soort voorspelling. Zij zal door een oprecht geloof des harten moeten worden omhelsd.
Zoals velen wel in de verkiezing geloven, maar niet in de God der verkiezing, zo vertrouwen velen in het verbond, zonder een levend vertrouwen in de God des verbonds.
Ook hier dreigt het verstand een karikatuur te maken van het geen God heeft willen schenken. De ruimte en het vooropgaan van het genadeverbond in de wijze, waarop God Zijn gemeente vergadert, maakt het zelfonderzoek niet overbodig, maar juist noodzakelijk. De vraag voor het kind des verbonds, dat van zijn jeugd af in Christus geheiligd is en lidmaat van Zijn gemeente is, is niet: mag ik wel in de God des verbonds geloven ten leven. Hij mag het zelfs niet laten!
De vraag is wel: is het mij werkelijk om de God des verbonds te doen? Het troostrijke is, dat we voor alles, wat nodig is tot de rechte beantwoording van deze vraag, een beroep mogen doen op de God des verbonds. Die ons alles kan en wil schenken en ons dat verzekerd heeft, toen Hij ons in Zijn Naam liet dopen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 juni 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 juni 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's