De toekomst van de Gereformeerde Bond
Ds. Groenewoud heeft grote belangstelling voor de interne aangelegenheden van de geref. bond. Hij weet onder de leden allerlei onderscheidingen aan te brengen. Op het eerste gezicht kan de vraag rijzen, of het elegant is zich met de interne aangelegenheden van een bepaalde organisatie bezig te houden en daarin allerlei verdelingen aan te brengen.
Wanneer ik ds. Groenewoud op ditzelfde vlak zou willen ontmoeten, kan ik vragen of hij ons precies eens duidelijk wil maken welke onderscheidingen er nu wel zijn aan te brengen onder dé leden van de confessionele vereniging. Gesteld, dat ik dit deed als volgt: Er is een groep, die tegen de bond aanhangt, door sommigen crypto-bonders genoemd. Er is een deel, dat rondom het hoofdbestuur van de confessionele vereniging staat, er is ook een deel, dat vroeger tegen de ethischen en tegenwoordig tegen de midden-orthodoxie aanleunde en aanleunt en daarin vervloeit. Er is ook een deel, dat geboeid wordt door bepaalde elementen uit de Pinkstergroepen enz. enz.
Hoewel ik het antwoord van ds. Groenewoud van tevoren weet, kan ik mij voorstellen, dat de gedachte bij hem opkomt: Waar houdt deze man zich mee bezig? Laat ieder in eigen organisatie orde op zaken stellen. Maar ik wil hem op dit vlak niet ontmoeten, omdat ik daarmee aan de bedoelingen van ds. Groenewoud onrecht zou doen. Zijn belangstelling voor de bond is belangstelling voor de kerk. Het gaat hem om de opbouw van een echt belijdende Hervormde Kerk.
Laten wij deze bedoeling van ds. Groenewoud vasthouden en daaraan aandacht schenken. Dan neemt ds. Groenewoud mij niet kwalijk, dat ik andere dingen, die minder prettig klinken in zijn artikelen, laat liggen.
Ds. Groenewoud wil dus met het oog op de hele kerk opheldering in de situatie, omdat naar zijn overtuiging de tijd aanstaande kan zijn, dat de kerk na al haar zwerftochten weer terugkeert naar het eenvoudige Woord. Dit is zeer te hopen en er zijn verschijnselen, die daarop kunnen wijzen. Laat ik het in mijn woorden weergeven: wij moeten schoonmaak houden om de kerk van dienst te kunnen zijn. Tot die schoonmaak behoort volgens ds. Groenewoud helderheid ten aanzien van de koers van de bond. Een van de meest aangelegen punten is, dat de bond klaarkomt, althans een poging onderneemt om klaar te komen met de vragen van deze tijd. Met deze vragen zijn bepaalde mensen in de bond bezig. Aan hen moet leef-en werkruimte gegeven worden. Daarover is ds. Groenewoud bezorgd. Hij spreekt van groepen in de bond, zelfs van twee bonden, van een crisis in de bond enz.
De toekomst zal leren, hoe de interne ontwikkeling van de bond zal zijn.
M.i. is de ontwikkeling van de confessionele vereniging een baken in zee. Daarmee bedoelen wij, dat de na-oorlogse ontwikkeling heeft laten zien, dat de invloed van de confessionele vereniging op het geheel der kerk gering is geweest. Na de oorlog is de confessionele beweging hoe langer hoe meer ingekrompen. De koers van de confessionele vereniging is zo geweest, dat de invloed in de meerdere vergaderingen zodanig is teruggelopen, dat ds. Groenewoud laatst schreef dat niet één confessioneel afgevaardigde in de G. Syn. zit. Ds. Groenewoud doet dan het voorstel, dat in classes, waarin de geref. bond de meerderheid heeft, ook, met de hulp van de geref. bonders, een confessioneel man naar de Gen. Synode zou worden afgevaardigd. Eerlijk gezegd heb ik mijn ogen uitgewreven, toen ik dit las. Waar zijn dan de classes gebleven, waarin de confessionelen vanouds een overwegende invloed hadden? Waar is de tijd van de bespreking en van de aanneming van de kerkorde gebleven? Toen waren er vele confessionelen in de synode. Ik zou ze met naam kunnen noemen, met wie gesprekken zijn gevoerd soms tot diep in de nacht. Is dit alles verleden tijd?
Als dit waar is, dan heeft de confessionele vereniging met recht twee dingen te doen: zich te beklagen, dat zij door anderen „gebruikt" zijn om daarna aan de kant gezet te worden en de hand in eigen boezem te steken net de vraag: Hoe is dit alles zover , met ons gekomen?
Het is waarlijk voor ons geen zaak van vreugde, dat de bond gegroeid is o.a. ten koste van de confessionele vereniging. Kortzichtige mensen mogen wijzen op de toename van de predikantsplaatsen, bezet door hervormd gereformeerde predikanten, voorzover deze toename gepaard ging met verzwakking en ineenschrompeling van de confessionelen is dit lang niet „winst", maar voor het geheel van de kerk alleen maar verlies. Want het confessionele element (nu genomen in de zin van de confessie) is verzwakt in het geheel der kerk. En dat betreuren wij zeer!
Hier ligt reden voor de confessionelen tot zelfonderzoek. Er is aanleiding voor de vraag: zijn we trouw geweest?
Het kan de schijn hebben, dat ik de vraag van ds. Groenewoud ontloop. Zijn vraag ging over de interne verhoudingen in de bond. Welnu, dat is dan maar schijn. Want de gang van zaken in de confessionele vereniging blijkt — hoe pijnlijk het ook is dit te schrijven — van geringe invloed geweest te zijn op het geheel van het kerkelijk leven. Dat dit niet alleen ligt aan de confessionele vereniging, maar ook aan het machtsmisbruik van de midden-orthodoxie is boven reeds aangegeven en behoeft niet te worden herhaald.
Wanneer dan ook ds. Groenewoud van week tot week aandacht schenkt aan wat hij noemt de „progressieven" in de bond, moet hij zich zelfs voor de schijn wachten, dat hij vanwege de teruggang in de confessionele vereniging begerig de ogen slaat op een welkome versterking van de confessionele vereniging uit de „progressieven" in de bond. Want deze schijn krijgt hij tegen zich, wanneer hij daar van week tot week over schrijft.
Of er dan geen verscheidenheid is in de bond? Ongetwijfeld! Of er dan geen ontwikkeling is in de bond? Ongetwijfeld! Al wat leeft, is in ontwikkeling. De invoering van de kerkorde en de naoorlogse ontwikkeling stellen ook de bond voor vele vragen en moeilijkheden. Deze vragen en moeilijkheden kunnen aanleiding geven tot spanningen. Niet ieder ziet de koers helder voor zich. Niet ieder is het met de koers van een ander, die het wel helder meent voor zich te hebben, eens. Niet ieder is het met alle beleidszaken van het hoofdbestuur eens. Daarover valt altijd te spreken en wordt ook gesproken. Ieder heeft het recht gebruik te maken van de invloed van het lidmaatschap. Dat gebeurt ook. Wanneer dan in overgrote meerderheid beslissingen worden genomen, is dit dan onjuist?
Met het bovenstaande is niet gezegd, dat de waarde en de waarheid van het beginsel blijkt uit het getal noch bij de confessionele vereniging, noch bij de gereformeerde bond. Laten èn de confessionele vereniging èn de gereformeerde bond zich beijveren om de waarheid te kennen, daaruit te leven en daarvoor te ijveren in het geheel van de kerk.
Wanneer ds. Groenewoud ons de twee wegen voorhoudt of partij of kerk, dan danken wij hem voor alle waarschuwingen. Wij lopen echt niet rond met de pretentie, dat wij de waarheid in de zak hebben en het alleen weten. Wij hebben heus wel oog voor de gevaren van de afscheidingen binnen en buiten de kerk. Onze enige begeerte is om in de volle waarheid geleid te worden door de Heilige Geest en daarvan met de confessie belijdenis te doen met mond en hart.
Maar mogen wij nu van ds. Groenewoud weten wat hij precies onder het geheel der kerk verstaat? Wij gaan met hem mee, wanneer hij zegt, dat het de functie van de belijdenis is, dat zij in het geheel van de kerk reformerend kan werken. Maar gebeurt dit ook? Heeft de Hervormde Kerk in feite nog een belijdenis? En hoe is dit alles zover gekomen? Hebben allen, die aan de invoering van de kerkorde hebben meegewerkt (daarmee bedoel ik: met veel of weinig kritiek hebben voorgestemd) niet aan hen, die met de belijdenis voluit overhoop lagen, een invloed gegeven ten kwade? En gebeurt dit nog niet? Heeft ds. Groenewoud zelf niet één-en andermaal ervoor gewaarschuwd, dat de kerk zich in haar organen tot partij maakt en tegen de belijdenis ingaat?
Is het dan verkeerd van de bond, dat hij — voorzover de kerk dit niet kan of wil doen — vasthoudt aan de belijdenis der kerk in de hoop, dat de religie der belijdenis de warwinkel van allerlei theologische meningen, dwalingen en kreten overleeft en in het geheel van de kerk doorwerkt? Wie is er partij: hij, die zich inzet om het geheel van de kerk tot het hart van de belijdenis terug te brengen of hij, die met welke kerkelijke naam ook gesierd, bewust of onbewust tegen dit hart zich inzet?
Laten wij Calvijn lezen en herlezen, wanneer hij mensen ontmoet, die het steeds over de kerk hebben.
Wij hebben waarlijk geen afscheidingsneigingen noch binnen, noch buiten de kerk. Wij willen in de kerk blijven en aan de kerk lijden, maar met een eerlijk geweten. Wij hopen iets voor de Hervormde Kerk te bewaren. Laat het leven van de kerk rustig doorwerken in onze organisatie. Hoe meer hoe liever. Alleen moeten wij dan wel goed weten, wat met dit leven der kerk wordt bedoeld. Wij verstaan daaronder niet het leven der kerk, zoals dit zich nu in het geheel openbaart, maar wel het leven, dat verankerd is in de Heilige Schrift als het Woord van God en waarvan belijdenis wordt gedaan in de confessie. Daar willen wij met veel gebrek staan door Gods genade in 1966. En dat in gemeenschap met de kerk van alle eeuwen. Wij zijn mensen van deze eeuw en van deze tijd. Wij willen strijden voor de Herv. Kerk. Wij willen dit waar dit ook maar mogelijk is — in verbondenheid met de confessionelen doen. Maar wij willen als bond niet gaan de gang van de ontwikkeling van de confessionele vereniging. Dat mag ieder weten in en buiten de bond.
Ook mag gevraagd worden iets zuiniger te zijn op mensen, die tot de Hervormde Kerk behoren. Wanneer ds. Groenewoud in de toekomst een deel van de geref. bond naar de Gereformeerde Gemeente ziet gaan, rijst de vraag: Is dit een afschrijving? Wanneer wij de ontstellende inkrimping van het kerkelijk leven zien, de opheffing van de predikantsplaatsen volgen, rijst de vraag: Moet de kerk nog meer verzwakt worden? Natuurlijk is er een taak voor de bond om deze mensen leiding te geven, hen kerkelijk besef bij te brengen, enz. Maar de kerk mag wel eens iets zuiniger zijn op deze mensen dan op de gemeenschap met de Remonstranten enz.
Tenslotte: de toekomst ligt in Gods hand. Er zijn aangrijpende vragen in onze kerk. Terwijl alles wordt gesteld op de vraag van de verhouding van de kerk en de wereld en de moderne cultuur, gaat het kerkelijk leven achteruit.
Wat wij verwachten? Precies als in ons persoonlijk leven: God alleen doet wonderen. Wanneer bij ons alles uit en voorbij is, is God de God van het wonder. Hij gedenkt in de toorn aan Zijn ontfermen. Het is onze begeerte de kerk en het volk bij deze God te bewaren. In dit bewaren valt ook onze arbeid weg, welke plaats die ook moge hebben. Want God is wakker over Zijn Woord, ten zegen en ten oordeel.
Katwijk aan Zee, G. Boer
Onderschrift:
Wanneer er aanleiding is op de beantwoording van ds. Groenewoud in te gaan, hopen wij op één en ander later terug te komen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 juni 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 juni 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's