De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE D00PVRAGEN 9

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE D00PVRAGEN 9

6 minuten leestijd

Wij willen de bespreking van de eerste doopvraag nu besluiten en verwijzen alleen nog éénmaal naar onze Heidelberger. In vraag 74 wordt gevraagd: zal men ook de jonge kinderen dopen? En dan luidt het antwoord: ja het; want mitsdien zij, evenals de volwassenen in het verbond Gods en in Zijn gemeente begrepen zijn, en dat hun door Christus' bloed de verlossing van de zonden en de Heilige Geest, Die het geloof werkt, niet minder dan den volwassenen toegezegd wordt, zo moeten zij ook door den Doop, als door het teken des Verbonds, der Christelijke Kerk ingelijfd en van de kinderen der ongelovigen onderscheiden worden, gelijk in het oude Verbond of Testament door de Besnijdenis geschied is, voor dewelke in het nieuwe Verbond de Doop ingezet is.

Deze toezegging geldt dus alle kinderen der gelovigen. En het is dus niet zo, dat, wanneer geen inwendig geloof of wedergeboorte in beginsel aanwezig zou zijn, de Doop totaal niets zou bezegelen. Het Sacrament blijft altijd een bezegeling van het Woord. Op dat Woord zal zich in het opwassen het hart der kinderen hebben te richten. Dat is verootmoedigend, maar ook bemoedigend genoeg; want deze Doop is geen schijn.

Deze gezegelde obligatie wordt alleen waardeloos of liever ten oordeel, wanneer de ontvanger er geen waarde aan hecht en er daarom geen gebruik van maakt. Dat gebruik maken van deze obligatie is het gelovig omhelzen van Christus, Die de „Waarheid" ( de wezenlijke inhoud) van het Sacrament is. Daarom spreekt men vaak van de conditie, de voorwaarde van het geloof. Dat is juist, als men daarmee maar niet bedoelt, dat wij met ons geloof iets zouden toevoegen, aan een overigens onvolledige inhoud van het verbond Gods.

Want vooreerst ligt voor hem, die de inhoud van het genadeverbond goed ter harte neemt, alles daarin opgesloten. Ook alles wat tot het geloven van node is. Zoals in vraag 74 staat, dat „de Heilige Geest, Die het geloof werkt, aan de kleine kinderen wordt toegezegd". Dat ligt ook al opgesloten in het feit, dat ze gedoopt worden in den Naam des Heiligen Geestes. We zullen ons nooit kunnen verschuilen achter enige ontoereikendheid van het Verbond.

In de tweede plaats is het geloof alleen de met het wezen des Verbonds overeenkomende, weg, waarlangs de goederen van het verbond ons ten deel kunnen vallen, zó dat de inhoud van de obligatie ook metterdaad ons eigendom wordt.

De tweede Doopvraag hangt met dat gelovig ontvangen van de weldaden des Verbonds samen.

We hebben er vroeger reeds op gewezen, dat de Reformatie weer duidelijk heeft verstaan, dat het Sacrament niet een mechanisch vervoermiddel van een soort genade-substantie is, maar dat het altijd gaat om een ontmoeting.

God de Here komt Zelf in Zijn dienst, in het midden van Zijn gemeente tot zondaren. Ze hebben zich te schikken om Hem te ontmoeten en wat Hij schenkt uit Zijn hand aan te nemen. Daarom worden bij de Doop vragen gesteld. Die vragen worden niet op een onwezenlijke manier aan de onmondige onbewuste kinderen gesteld. Ook niet aan peters en meters. Daar wilde de Reformatie althans van af. Maar de vragen worden gesteld aan de ouders.

Dat betekent ook niet een „plaatsbekledend" geloof, zodat de ouders namens hun kinderen zouden spreken. In die richting hebben mannen als Beza en Perkins wel gedacht. We geloven echter niet in een plaatsbekledend geloof, zo min van de ouders, als van de kerk (zo Augustinus en Rome). We gaan ook niet speculeren over een zaad of wortel des geloofs in de kinderen, een geneigdheid, vermogen, hebbelijkheid of beginsel des geloofs. Hoezeer zulk een wortel des geloofs door de Geest des geloofs in het kinderhart geplant kan zijn, het gaat niet aan de uitzonderingen tot een algemene regel te maken. Maar het gaat er om, dat degenen, die in deze verbondshandeling als „partij ter andere zijde" optreden, in een levende ontmoeting met de God des Verbonds Zijn Woord ontvangen en belijden in Hem te geloven.

Dat zal des te sterker tot ons spreken, wanneer we ons nog eens realiseren, dat het niet gaat om de kinderdoop, maar dat het juister is te spreken van de gezinsdoop. God richt Zijn Verbond op met de gelovigen en hun zaad.

Daarom moet in de tweede doopvraag goed in het ook worden gehouden, dat de leer, waaromtrent men belijdenis doet, de waarachtige en volkomene leer der zaligheid is.

Ik denk hierbij aan Artikel 7 van de Ned. Geloofsbelijdenis: „Wij geloven, dat deze H. Schrift den wil Gods volkomenlijk vervat en dat al hetgeen de mens schuldig is te geloven, om zalig te worden, daarin genoegzaam geleerd wordt".

Daarom verzetten zich èn het Sacrament èn het Verbond naar hun wezenlijke aard tegen een soort uitwendige toestemming, waarbij nochtans het hart „neen" zegt tegen God en Zijn Verbond. Een levende hond is ook hier beter dan een dode leeuw. M.a.w.: een zwak en veelszins duister maar levend geloof is belangrijker dan een keurig geordende, punctuele, maar dode kennis.

Met de inhoud des geloofs wordt hier niet alleen bedoeld de inhoud van het Doopsformulier, maar de inhoud van Oud- en Nieuw Testament, dus van het Woord Gods, van de Zelfopenbaring Gods. Daarom past hier zo goed de verwijzing naar de 12 Artikelen, die eigenlijk maar één artikel zijn, nl.: „ik geloof in God". Maar dan in dien God, Die Zich als de levende, drieënige God in Zijn Woord geopenbaard heeft.

God de Here vraagt geen geloof in een abstracte leer, die los van Hem ergens in de kerk een voorlopige plaats zou hebben, om ons daarbij op te houden, maar een naderen tot Hem, Die in Zijn Woord Zich bekend maakt (en dat bezegelt door het Sacrament) als een God, Die geen lust heeft in onze dood, maar in ons leven, ons behoud, ons heil, onze zaligheid.

Zo hangen de Apostolische geloofsbelijdenis en de bediening van de Heilige Doop met elkander samen. Zo is het ook geweest in de oud-christelijke kerk.

Als de kamerling gedoopt begeert te worden, wordt hem de weg daartoe ontsloten, wanneer hij verklaart van heler harte te geloven. Uit die belijdenis bij de Doop is de belijdenis van de drieenige God gegroeid en daarbij is kort samengevat, wat die drieënige God gedaan heeft en doet om Zich een gemeente te vergaderen ten eeuwige leven.

Hier wordt dus meer gevraagd dan dat we orthodox zijn en de leer der kerk aannemen. Het gaat om het vertrouwen in den God des Verbonds, Die Zich in Zijn Woord heeft geopenbaard en in Wiens Naam onze kinderen gedoopt worden, al is dat geloof zo zwak, dat het uitroept: ik geloof. Here, kom mijn ongelovigheid te hulp.

Allerlei historische herinneringen in verband met verschillende tekstlezingen van deze tweede vraag en in verband met plaatselijke onrechtzinnige kringen laat ik nu rusten.

Hoofdzaak is, dat wij bekennen, dat God in Zijn Woord tot ons komt met de waarachtige en volkomen leer der zaligheid en dat de waarachtigheid daarvan nog eens bezegeld wordt door hetgeen bij de bediening van de Heilige Doop voor de ogen van de gemeente, maar in het bijzonder voor de ogen van deze ouders geschiedt.

Slot volgt.

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 juni 1966

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE D00PVRAGEN 9

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 juni 1966

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's