DE HEILIGE SCHRIFT EN ZEKERHEID
Dr. G. C. Berkouwer, Dogmatische Studiën, De Heilige Schrift I, geb., 234 bh., ƒ 15, 75, Kok, Kampen.
Met meer dan gewone belangstelling is naar de verschijning van dit deel in de reeks „Dogmatische Studiën" van de Heilige Schrift door velen uitgezien. Gezien de discussies in en buiten de Geref. Kerken over het Schriftgezag en de vele vragen, die zich daarbij voordoen, was het te verwachten, dat dr. Berkouwer op allerlei vragen zou ingaan.
Het boek bevat vier hoofdstukken. Hoofdstuk 1 zet in met de Heilige Schrift en zekerheid. In het tweede hoofdstuk komt het getuigenis van de Heilige Geest aan de orde; in hoofdstuk 3 de Heilige Schrift als canon en in hoofdstuk 4 Gezag en vertolking.
De inzet is dus de vraag naar de zekerheid. Op de eerste blz. valt reeds de beslissing over de methode van de behandeling. Al vragend stelt de auteur of het toch niet beter is om eerst te handelen over de Schrift op zichzelf, haar inspiratie en eigenschappen, om dan later te spreken over het Schriftgeloof, over de zekerheid des geloofs èn over de crisis, die daarin kan ontstaan en ook metterdaad is opgetreden. Deze volgorde wijst de auteur af, want men kan niet over de Heilige Schrift handelen buiten de betrokkenheid op het geloof aan de Heilige Schrift om. De correlatie (de wederzijdse betrokkenheid) van Schrift en geloof richt zich juist op God en Zijn Woord.
Dr. Berkouwer is zeer bevreesd voor een tijdloze bezinning. Daarom moeten de vragen van deze tijd direct in de bespreking betrokken worden.
Velen betreuren deze inzet van dr. Berkouwer. Hoeveel goeds er verder in dit hoofdstuk staat (en dit is veel) deze inzet kan nooit recht doen aan de Heilige Schrift, omdat zij niet begint bij de vraag: Hoe dient de Heilige Schrift zichzelf aan? Wat is concreet bijbels het getuigenis van de Heilige Schrift over zichzelf? Hoe staat de hoogste Leraar der Kerk, de Heere Jezus Christus ten opzichte van de Schrift? Schikt het vleesgeworden Woord Zich onder 't geschreven Woord of staat Hij erboven?
Bavinck, Geref. Dogmatiek I, 392 schrijft: De Heilige Schrift biedt ons nergens een klaar geformuleerd dogma over de inspiratie, maar zij stelt ons voor het getuigenis van haar theopneustie (door God ingegeven zijn) en geeft ook voorts al de momenten, die er voor de constructie van 't dogma nodig zijn. Zij bevat en leert de theopneustie der Schrift in dezelfde zin en op dezelfde wijze, even beslist en duidelijk, maar ook even weinig in abstracte begrippen geformuleerd als het dogma over de triniteit, de menswording, de voldoening, enz.
Nog een citaat uit Bavinck (I, 392): De modernen geven thans in het algemeen toe, dat Jezus en de apostelen de Oud-Testamentische Schrift als Gods Woord hebben aangenomen.
Tenslotte nog een citaat uit I, 393: Jezus en de apostelen hebben een getuigenis gegeven aangaande de Schrift. De Schrift bevat ook een leer over zichzelf. Afgezien van alle dogmatische en scholastische ontwikkeling van deze leer, is de vraag eenvoudig deze, of de Schrift in dit haar zelfgetuigenis geloof verdient, al dan niet. Tot zover Bavinck.
Wat is de bedoeling van deze citaten? Dat Bavinck in zijn Ger. Dogmatiek waarlijk niet buiten het geloof om met de Heilige Schrift is bezig geweest, maar dat hij alvorens op allerlei eigentijdse vragen in te gaan (en hoe diep ging hij er op in!) eerst het zelfgetuigenis van de Schrift aan de orde stelde. Als het geloof alleen op de Schrift rust, dan is er in de eerste plaats een diep eerbiedig luisteren naar wat de Schrift over zichzelf getuigt nodig. Dan komen wij zeker van het geloof in de moeilijkheden, maar gaan niet met onze moeilijkheden naar de Schrift, zoals dit hier reeds in hoofdstuk 1 gebeurt.
Dr. Berkouwer wil beslist een binding. Op blz. 36 spreekt hij over een binding aan het Evangelie, aan de Christus der Schriften, waaruit een bezinning over de Heilige Schrift alleen maar kan voortvloeien.
In de omgeving van dit citaat zet hij zich af tegen een zekerheid, die men tevoren, voordat de inhoud van de Schrift aan de orde gekomen is, zoekt. Deze waarschuwing is op zijn plaats, hoewel dit zo lang en zo uitvoerig gebeurt, dat ge afvraagt: Is het nodig daarop zo breedvoerig in te gaan? Maar afgezien daarvan, komt m.i. hier de kardinale vraag bloot: Hoe is deze binding aan het Evangelie, aan de Christus der Schriften? Kunnen wij daarover spreken alvorens de aard van deze binding uit de Schrift zelf is duidelijk gemaakt? Dan komt opnieuw de vraag aan de orde: Hoe staan Christus en de apostelen ten opzichte van het geschreven Woord? Immers dr. Berkouwer wil een bezinning over de Heilige Schrift vanuit de binding aan het Evangelie en de Christus der schriften.
Ik ben — gezien op wat verder in dit boek volgt — op deze bezinning niet gerust. Elke bezinning, die in de grondlijnen niet stamt uit het zelfgetuigenis van de Schrift, loopt gevaar zich van de Schrift te verwijderen.
Daar komt nog iets bij. De correlatie (wederzijdse betrekking) van Heilige Schrift en geloof is inderdaad aanwezig, maar in die zin, dat het eerste: de Heilige Schrift, overweegt. Het geloof kan niet zonder Heilige Schrift, maar de Heilige Schrift kan — theoretisch gesproken — ook zonder geloof bestaan. Sterker de Heilige Schrift als Woord Gods werkt het geloof. Het is hét zaad der wedergeboorte.
Daarmee is gezegd, dat aan het geloof in deze wederzijdse betrekking een bescheiden plaats moet worden toegestaan. Dr. Berkouwer leert allerminst een zelfstandige plaats van en voor het geloof, 't Geloof is niet creatief (scheppend), maar het is de enige weg om de Heilige Schrift te verstaan. Deze kennisweg is zeer kenmerkend en zeer verhelderend in al de werken van deze schrijver. Daarmede wil hij alle beschouwelijkheid verbannen en alle plaats geven aan het geloof als de enige kennisweg.
Nu het geloof zozeer ook bij de leer van de Heilige Schrift, als ook bij alle andere zaken van de geloofsleer benadrukt wordt, mag misschien de bescheiden wens worden geuit ook nog eens een deel te mogen ontvangen over geloof en wedergeboorte, omdat er toch ook zo'n diepe wederkerige betrekking is tussen het geloof en de wedergeboorte. Het geloof is toch niet alleen relatie (betrekking) hoewel het zich daarin zeker openbaart. Het heeft toch als achter- en ondergrond en gaat gepaard met een diepe verandering van de gehele mens. De mens antwoordt toch zomaar niet op het spreken Gods? Daarop wijst dr. Berkouwer ook met nadruk op sommige plaatsen. Hoewel wij hier voor diepe mysteries staan, mag en moet toch ook aandacht geschonken worden aan de wedergeboorte, die noodzakelijk is vanwege het totale bederf van de mens.
Na deze achtergronden in het licht gesteld te hebben kunnen wij u een kort overzicht geven over hoofdstuk 1.
Dr. Berkouwer geeft een brede inleiding over de veranderde tijden, de verbreding van de kennis-horizon, de aandacht voor de menselijke zijde van de Schrift en voor de weg, waarin de Schrift tot ons gekomen is. Uitvoerig gaat hij in op het fundamentalisme, dat alleen — in de afweer — let op het goddelijk karakter van de Schrift.
Al met al wil de auteur een bezinning op de aard van het Schriftgezag. Hij weet, dat deze bezinning een begin kan zijn van afglijding en onttrekking aan het gezag van de Schrift, maar er is geen andere weg. Bezinning kan ook de weg van de gehoorzaamheid zijn. Tegenover de overgrote nadruk op het goddelijk karakter, wil Berkouwer het menselijke een consititutieve (medebepalende) plaats geven.
Uitvoerig wordt Bavinck geciteerd. Het merkwaardige is echter, dat Bavinck — hoe diep hij ook op het menselijk karakter van de Schrift in gaat — nooit een „oplossing" aan de hand doet. Bavinck waarschuwt naar twee kanten en blijft met al zijn moeilijkheden bij het geloof, dat de Heilige Schrift Gods woord is. Daarom is, het jammer, dat Berkouwer Bavinck niet breder citeert. Hiervoor zijn verschillende voorbeelden te geven. B.v. het citaat op blz. 26, dat het schriftgezag niet overal van dezelfde aard is; Bavinck laat daaraan voorafgaan: Wel is alles waar! Dat klinkt anders!
Zo komt er veel meer aan de orde in dit hoofdstuk. Neem en lees! Het eerste hoofdstuk is reeds uitermate belangrijk. Volgende keer over hoofdstuk 2: Het getuigenis van de Heilige Geest.
Katwijk aan Zee, G. Boer
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 juni 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 juni 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's