Gevoelsargumenten en de macht der gewoonte
„De eigenlijke oorzaak van het verzet tegen de openstelling van kerkelijke ambten voor vrouwen is te zoeken in een patriarchale levenshouding". Dit verwijt kunt u meermalen vernemen. De afwijzende houding zou wel met een beroep op de Bijbel verdedigd worden, maar de diepste grond van de tegenstand zou gelegen zijn in het koesteren van middeleeuwse ideeën over de vrouw. In dit artikel willen wij deze aantijging op haar juistheid onderzoeken.
Men vindt, dat niet-theologische factoren een rol spelen bij de weigering de vrouwelijke ambtsdrager te erkennen. Met niet-theologische factoren worden argumenten bedoeld, die niet ontleend zijn aan de Bijbel. Zij kunnen geheel berusten op het gevoelsleven of wel voortkomen uit behoudzucht. Het zou naïef zijn te veronderstellen dat iemand in de benadering van het vraagstuk niet door het gevoel, de traditie e.d. wordt beïnvloed. Al heeft iemand ook geleerd bijbels te denken, de gedachtenwereld waarin hij is geworteld, spreekt bij het bepalen van zijn standpunt ten aanzien van allerlei zaken, ongetwijfeld een woordje mee. Als de voorstanders van de openstelling van de kerkelijke ambten voor de vrouw maar niet denken, dat zij door puur theologische motieven worden gedreven, terwijl de tegenstanders worden beheerst door middeleeuwse ideeën en bekrompenheid. Wie het mes van de niet-theologische factoren hanteert, moet erop bedacht zijn dat het van twee kanten snijdt.
Gevoelsargumenten.
Uit de aard der zaak spelen gevoelsargumenten een rol, als de verhouding van man en vrouw ter sprake komt. Dit geldt ook als de inzet het kerkelijke ambt is. Het valt niet te ontkennen, dat tal van mannen zich belangrijker, wijzer, sterker of zelfs beter achten dan de vrouw. Dit is vooral op het platteland het geval. Zij menen dat de vrouw in vele opzichten de mindere is van de man en dat haar daarom ook een minder eervolle plaats toekomt. Zulke mannen komen in en buiten de kerk voor.
„Het staat niet", zeggen anderen, „een vrouw op de kansel of voor het altaar". Maar niet ons gevoel voor wat staat, doch de Heilige Schrift moet de maatstaf voor ons kerkelijk handelen zijn. Sommigen twijfelen er serieus aan of een vrouw aan een kerkelijke gemeente goede leiding zou kunnen geven. Zij zouden zich niet gaarne schikken naar de aanwijzingen van een vrouw.
Ook bij de voorstanders van de ambtsvervulling door vrouwen komen echter gevoelsoverwegingen om de hoek kijken. Zodra de verhouding der seksen in maatschappij en kerk aan de orde komt, gaan de emoties van man en vrouw meespreken. Gevoelsfactoren hebben destijds op tal van plaatsen aan de strijd over de vrouwenemancipatie een grote felheid verleend.
Dogmatische discussies (soms over zeer belangrijke onderwerpen b.v. de uitverkiezing) missen de vurigheid die de debatten over „de vrouw en het ambt" kenmerkten. Voor-noch tegenstanders waren er zich doorgaans van bewust, dat emotionele motieven de heftigheid van het gesprek bepaalden.
Hechten aan de „gewoonte”.
Een tweede niet-theologisch argument tegen de openstelling van de ambten voor de vrouw is de gehechtheid aan de traditie (d.w.z. de overgeleverde gebruiken). Men spreekt in dit verband graag ietwat denigrerend over de adat. Dit is een maleis woord dat een inlands gewoonterecht aanduidt. De traditie van de christelijke kerk, met name in het gereformeerd protestantisme, is echter gebouwd op de exegese van en de gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift. Natuurlijk zou ook een middeleeuws-heidense adat de diepere oorzaak kunnen zijn van de wens de vrouw uit het kerkelijk ambt te weren. Er zullen wel mannen zijn, die een dergelijke eervolle plaats niet aan een vrouw willen afstaan. Dat ook vrouwen zich tegen de openstelling van de ambten verklaren, kan veroorzaakt worden door de traditie waarin zij staan, de leerstellingen waarbij zij zijn opgevoed. Maar hiermee is niets gezegd over het al of niet juiste van die leerstellingen.
De voorstanders van ambtsbekleding ook door vrouwen zijn echter niet minder gebonden door de gewoonte dan de tegenstanders. Hun norm is echter niet gelegen in de gewoonten die het voorgeslacht er op na hield, maar in de gewoonten van hun eigen tijd. De huidige maatschappij wordt o.a. gekenmerkt door secularisatie en emancipatie. Hieraan ontlenen de voorstanders een regel voor hun handelen. De vrouw kan burgemeester, parlementslid en minister worden; waarom zou ze geen kerkelijk ambt kunnen bekleden? vraagt men zich af. „Wij vinden het nu niet lelijk, dat een vrouw in de gemeente spreekt — derhalve geldt voor ons het oordeel van Paulus in 1 Cor. 14 : 35 niet meer”. ¹)
De voorstanders van de openstelling der ambten voor de vrouw geven niet gaarne toe dat zij bij hun streven mede geleid worden door de plaats van de vrouw in de burgerlijke maatschappij. Toch is dit wel het geval. Men wijst eenzijdig naar het traditionalisme, dat bij de tegenstanders kan meespreken in hun afwijzende houding. Zowel vóór- als tegenstanders worden echter bij het bepalen van hun standpunt beïnvloed door het cultuurpatroon van de tijd die zij toonaangevend achten. Dat is voor de tegenstanders de 17de eeuw, voor de voorstanders de twintigste.
Wie de huidige maatschappelijke gewoonten als norm neemt, acht het vanzelfsprekend dat de vrouw ook tot het predikambt wordt toegelaten. „We weten dat de situatie van de vrouwelijke predikant in Nederland zeer onbevredigend is", aldus mej. dr. W. Timmermans in Woord en Dienst *).
Relativering van verschillen.
Zij die de vrouw toegang tot het ambt willen verlenen, zijn geneigd grenzen en tegenstellingen op dit terrein te relativeren. Hier volgen enkele voorbeelden ³):
1) Van de tegenstelling: de man is vooral de handelende, ambtelijke persoon, de vrouw de ontvangende, de luisterende, meende men: dit is slechts een kwestie van accent.
2) Men erkent wel dat de taak van de man in de beroepsarbeid buitenshuis ligt en dat de vrouw de zorg voor het nageslacht heeft, maar men noemt deze taakverdeling niet absoluut.
3) Over psychische (op het zieleleven betrekking hebbende) verschillen zegt men: het is een zeer relatief accentsverschil tussen de houding van man en vrouw.
4) Het verschil tussen de officiële dienst aan de gemeente van wie daarvoor door de gemeente is aangewezen en de bezigheid van wie particulier in eigen omgeving op allerlei wijze dient, heet slechts betrekkelijk.
5) De grens tussen direct christelijke diensten, uitgaande van de kerk en de indirect christelijke, nl. burgerlijke diensten wordt vloeiend geacht.
6) De relativering van het verschil tussen het ambt der gelovigen en het officiële ambt werd reeds eerder in deze artikelenreeks vermeld.
Deze redeneertrant maakt een duidelijke onderscheiding onmogelijk. Inderdaad zijn de grenzen tussen sommige genoemde verschillen vloeiend. Doch daarmee is het verschil niet uit de wereld. Aan de relativering der grenzen en tegenstellingen ligt een weinig nauwkeurige waarneming der verhoudingen om ons heen ten grondslag. Misschien zien zij die de vrouw niet tot het ambt willen toelaten sommige van deze tegenstellingen te absoluut. Maar de veelheid van verschillen tussen man en vrouw kan niet anders dan door negéring van de Bijbelse gegevens worden weggewerkt.
De verhouding van man en vrouw.
Het volgende betreft nog steeds niet-theologische factoren. Ze zijn echter toch ten nauwste met de theologie verbonden. Daarom kan het goed zijn ze te overwegen.
a) Men mag de lichamelijke en geestelijke verschillen tussen mannen en vrouwen niet over het hoofd zien. Deze verschillen moeten (uitzonderings-en noodgevallen daargelaten) verdisconteerd worden in een taakverdeling tussen de vertegenwoordigers van beide geslachten. Ook in de kerk behoort er voor de vrouw een andere arbeidsvoorziening te bestaan dan voor de man. De taak van de vrouw moet overeenstemmen met haar in de schepping gefundeerde aard en aanleg.
b) Wanneer de elkaar aanvullende eigenschappen van man en vrouw niet voldoende worden onderscheiden, doet men noch aan het wezen van de man recht, noch aan dat van de vrouw. Dit alles berokkent schade aan de maatschappij en aan de kerk.
c) Hoe meer men de verschillen tussen man en vrouw nivelleert, des te saaier wordt het menselijke leven. Het vertoont dan niet meer de veelvormigheid die de Schepper heeft beoogd.
Waarschuwing aan de lezer.
Het is helemaal niet moeilijk om uit dit artikel een paar zinnen te lichten, deze, buiten het verband en van wat commentaar voorzien, te publiceren en daarmee hen die de vrouw niet in het kerkelijk ambt kunnen erkennen, aan te vallen. Toch meende ik dat de hier neergeschreven gedachten moesten worden uitgesproken, omdat daardoor de discussie wordt verhelderd. Samenvattend wil ik echter de teneur van het bovenstaande artikel nog eens uitdrukkelijk weergeven:
Gevoelsoverwegingen en argumenten, ontleend aan de (huidige of vroegere) gewoonte, spelen zowel bij de voorstanders als bij de tegenstanders van de ambtsvervulling door vrouwen een bepaalde rol. Het zijn echter bijkomstige zaken voor de tegenstanders. Zij beroepen zich allereerst en allermeest en uiteindelijk uitsluitend op het apostolisch getuigenis. Ook de voorstanders achten deze argumenten en overwegingen van slechts bijkomstig belang. Ook zij wensen gehoorzaam te zijn aan de Heilige Schrift. Zij interpreteren die echter anders, omdat zij niet erkennen dat de apostolische voorschriften dienaangaande ook voor ons nog geldig zijn.
In deze wirwar van meningen moet men aan deze regel vasthouden: Wij moeten ons niet laten leiden door de traditie noch door het huidige cultuurpatroon, door de hoogmoed van de man noch door de begeerte naar macht van de vrouw, door eigen buiten de Schrift om verworven inzicht noch door overwegingen van praktische aard, doch alleen door het woord van Christus en zijn apostelen.
Rotterdam, H. Goedhart.
1) Zo redeneert dr. M. H. Bolkestein, „Antwoord aan ir. G. Veldhuyzen", Woord en Dienst, XIII, 1964, p. 92.
-) „Frankfurt en de plaats van de Vrouw in de Kerk", jaargang XIII, 1964, p. 261.
3) Ze zijn ontleend aan het synodale rapport „De Vrouw en het Ambt" van 1950:1) blz. 13; 2) blz. 15; 3) blz. 16; 4) blz. 23; 5) blz. 20. De voorbeelden zijn ontleend aan een zestien jaar geleden verschenen rapport, doch daar de hierin te vinden redeneertrant nog steeds wordt gevolgd, mag dit geen bezwaar heten.
^) Deze regel willen de Geref. Kerken bij het opstellen van de ambten voor de vrouw in rekening brengen. Op de ontwikkeling in de Geref. Kerken komen wij later nog terug.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 juni 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 juni 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's