De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE CATECHISMUS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE CATECHISMUS

8 minuten leestijd

Vraag en antwoord 19. Vr. Waaruit weet gij dat? A. Uit het heilig Evangelie, hetwelk God zelf eerst in het Paradijs heeft geopenbaard en daarna door de heilige Patriarchen en Profeten laten verkondigen, en door de offeranden en andere ceremoniën der wet laten voorbeelden, en ten laatste door Zijn eniggeboren Zoon vervuld.

J. VAN SLIEDREGT

Wet en Evangelie.

Het is niet zonder reden dat hier met nadruk het evangelie wordt genoemd. Alleen het evangelie openbaart de middelaar en de weg der verlossing. We wezen er reeds terloops op dat we in Gods Woord wet en evangelie vinden en beloofden op de verhouding van die beiden nog terug te komen. Nu gaan we niet een brede boom opzetten over wet en evangelie. Maar in het kader van de catechismusverklaring past toch zeker wel een korte uiteenzetting betreffende het wezenlijk onderscheid tussen beiden.

Al heel vroeg is men in dezen op een dwaalspoor geraakt door de Wet met het Oude Testament en het Evangelie met het Nieuwe Testament te vereenzelvigen. En daarbij wordt dan het Evangelie voorgesteld als een nieuwe wet tegenover het Oude Testament, dat de oude wet is. Pelagius, de grote tegenstander van de kerkvader Augustinus, had deze visie op het Evangelie. Jezus was de nieuwe grote leraar en wetgever. Deze visie sloot aan op zijn leer van de vrije wil en loochening van de erfzonde.

Nu is Pelagius' leer veroordeeld. Maar dat neemt niet weg, dat zijn gedachte springlevend is gebleven door de eeuwen heen. In voortgang is zij een bedreiging gebleven van 't rechte zicht op het evangelie en de genade Gods. Niet altijd openbaart zich dit pelagianisme in zo'n absolute radicaliteit. Vaak werd het afgezwakt, zodat toch de genade beleden werd. Zo kreeg het semi-pelagianisme grote invloed in het roomse denken. De genade werd beleden, maar evenzeer de verdienstelijkheid der goede werken, terwijl daarbij ontkend werd de radicale verdorvenheid der menselijke natuur (door de zonde). De semi-pelagiaanse visie kenmerkte ook de gedachten der remonstranten. De Dordtse vaderen hebben dat duidelijk begrepen en daarom grondig met deze leer afgerekend.

Nu is het volkomen onschriftuurlijk om evangelie met 't Nieuwe Testament te vereenzelvigen. Want door de hele Bijbel heen klinkt het evangelie, de verkondiging der genade, te beginnen met Gen. 3 : 15 (Ik zal vijandschap zetten ....), de moederbelofte. Dat wordt over het algemeen ook wel erkend. Maar daarmee is nog niet gezegd dat scherp het onderscheid tussen wet en evangelie wordt gezien en gehandhaafd. Evangelie is toch loutere genadeverkondiging. Men mengt er echter vaak dooreen „evangelische" wetsverkondiging. De één spreekt van evangelische geboden en raden, de ander van verbondsgehoorzaamheid die moet worden vol­ bracht. En zo vermengt men uit de aard der zaak wet en evangelie. Ik meen dat we niet tegen windmolens vechten als we waarschuwen voor het gevaar van een „gereformeerd" remonstrantisme. Daarbij speelt het woordje „moeten" een zeer grote rol. Men „moet" geloven. Maar ook: en „moét" dit of dat meemaken. Zowel met het één als het ander zet men de mens in het werkhuis om zijn graad te halen. En men brengt dat dan onder het hoofd van het evangelie. Dat is echter openlijk of bedekt remonstrantisme. Men heeft er zelfs vaak niet eens erg in. Men wil beslist gereformeerd zijn en doet het te goeder trouw, maar doet intussen toch aan de vermenging mee.

Wet en Evangelie zijn echter kwalitatief onderscheiden. De wet kan voor ons, gevallen mensen, op zichzelf niets anders doen dan eisen en dreigen; het Evangelie doet in wezen niets anders dan beloven en schenken. Houden we dit onderscheid niet vast, zo zullen we én voor onszelf én in pastorale zorg altijd weer wet en evangelie vermengen. En dat wil zeggen, dat we enerzijds de wet verzwakken, met haar handhaving niet consequent ernst maken, en anderzijds het evangelie — al is het op nog zo'n verfijnde wijze — toch wettisch maken. Voor eigen persoonlijk leven betekent dat: op eigen benen naar Jezus lopen doordat we met Gods recht en eer geen ernst maken, en ons troosten met ons eigen werk, ook al noemt men dat dan geloven of aannemen van Jezus. Het wordt nooit een verloren zaak voor ons, en we hebben nimmer nodig dat God ons waarlijk redt als één die wegzinkt in zijn verlorenheid. Als in de prediking zo wet en evangelie dooreen gemengd worden, worden aan de verslagen zondaar stenen voor brood geboden, en wordt de mens die zijn leven vasthoudt en handhaaft op een voetstuk gezet. Hierdoor worden eigengerechtigde vrome mensen gekweekt die waarlijk bekommerden een trap geven.

Op zichzelf komt de wet tot ons vanwege onze relatie tot God in het werkverbond. Wij mogen deze band hebben verbroken, God blijft staan waar Hij stond en handhaaft Zijn recht. Hij blijft ons binden aan de door Hem in Zijn goedheid ons gegeven levenswet. Nooit kan er voor ons leven en geluk zijn dan in de volkomen vervulling van deze levenswet.

Wat nu echter der wet onmogelijk was, omdat zij door het vlees krachteloos was, heeft God, Zijn Zoon zendende in gelijkheid des zondigen vleses, en dat voor de zonde, de zonde veroordeeld in het vlees. — De wet is krachteloos geworden. Niet in zichzelf, want, nu wij overtreder geworden zijn, komt zij tot ons met haar rechtmatige eis en slingert zij de vloek. Maar zij is vanwege de zonde (door het vlees) krachteloos geworden om het léven te schenken. Door de wet kan nimmermeer een mens behouden worden, omdat hij zich in zijn vijandschap tegenover God stelt. Zijn zelfliefde verhindert hem de wet der liefde te betrachten, in alle delen en alle volkomenheid.

Dit is nu het evangelie dat God, Zijn Zoon zendende in de gelijkheid des zondigen vleses, en dat voor de zonde, de zonde veroordeeld heeft in het vlees, namelijk door de schuld en vloek der zonde te dragen en de wet volkomen te vervullen. En dit Evangelie houdt niet alleen Christus' plaatsbekledende borgtocht in, maar ook de gave van de Heilige Geest die het wetsleven in ons herstelt, maar nu als gave in en uit Christus. Want daarom gaat het. Daarom wijst de apostel dan ook als uiteindelijk doel van het zenden van de Zoon aan: opdat het recht der wet vervuld zou worden in ons, die niet naar het vlees wandelen, maar naar de Geest. (Rom. 8 : 3, 4).

Daarom, waar het evangelie Gods klinkt, daar klinkt de boodschap van loutere schenking, schenking van verzoening maar ook van de wet. God geeft ons alles in het bloed en de Geest van Christus opdat wij Hem alles wedergeven waarop Hij recht heeft. Voor een veroordeelde en zichzelf veroordelende en geheel ontledigde zondaar is dat een heilsboodschap die dronken maakt van vreugde.

Maar — het moet gezegd — voor dat evangelie is bij ons van nature geen plaats. Door de zonde is de structuur van heel ons persoonlijk geestelijk leven zo grondig verknoeid, dat we — hoewel het werkverbond verbroken hebbend — toch op de oude wijze het herstel willen zoeken. En daarmee ontkennen we enerzijds de ernst der zonde en anderzijds de heiligheid Gods. De zonde is niet zo erg, en . . . God neemt de wil wel voor de daad. Zo werpt de mens het met God op een akkoordje.

Om daaraan grondig een einde te maken hanteert de Heilige Geest de wet tot kennis der zonde. Daarom zegt Paulus: uit de werken der wet zal geen vlees gerechtvaardigd worden, voor Hem, want door de wet is de kennis der zonde. En zijn eigen ervaring vertolkend schrijft hij: en het gebod, dat ten leven was, hetzelve is mij ten dood bevonden (Rom. 7 : 10).

Zo leren we wet en evangelie recht onderscheiden. En dat is van belang. Luther schrijft ergens: Zeg mij toch, bid ik u, wat zal hij in de Heilige Schriften weten, die zo verre nog niet gekomen is, dat hij zou weten wat de wet en het evangelie zij, of, zo hij het weet, dat hij het veracht te onderscheiden? Deze moet alle dingen mengen: de hemel met de hel, het leven met de dood, en in één woord: deze weet niet veel van Christus en hij vraagt er niet naar.

Zoals ik schreef, we blijven altijd wettisch werkzaam — al doen we het op nog zo'n verfijnde en schijnbaar evangelische wijze — tot we vastlopen met alles, ook onze bekering, ook onze bevinding; dan weten we maar meer twee dingen: hier heb je de goddeloze en melaatse, daar is mijn God die alles van me moet hebben. Tot in al mijn nerven wil ik Hem ook alles geven, doch.... ik heb niets.... kind des toorns. — Het Evangelie klinkt door deze leegte, en wordt opgevangen en verstaan: Alles, alles bereid en geschonken. We halen de oogst binnen in het hartje van de winter.

Ja, nu verstaan we het, dat zelfs dat afbrekende, ontdekkende werk der wet genadebediening was: uit Christus tot Christus, opdat we uit Zijn volheid zouden ontvangen genade voor genade, van geen „moeten" meer zouden weten, maar kinderlijk in Gods inzettingen zouden wandelen. En onze God des verbonds staat ervoor in, want hij schrijft boven de tien zuilen, waarop ons levenshuis gebouwd is: Ik ben de HEERE uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis hebt uitgeleid.

Het Evangelie boodschapt ons de Christus, die ons tot wijsheid, rechtvaardigheid, heiligmaking en tot een volkomen verlossing geschonken is.

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 juni 1966

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE CATECHISMUS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 juni 1966

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's