De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KRONIEK

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KRONIEK

10 minuten leestijd

Geen God, geen meester.

De verloren zoon is een tijdgebonden figuur. Hij hoort thuis in perioden, waarin de Bijbel het meer voor het zeggen heeft. Tegenwoordig hebben we te maken met de zoon van de verloren zoon.

Nu ja, anders is het wel. De verloren zoon hoeft zijn erfdeel niet in contanten om te zetten en hij hoeft zich niet naar een vergelegen land te begeven om te verkrijgen wat hij begeert. Het vergelegen land is overal. Gans de wereld is ver van God en de zatheid is zo groot, dat men Hem verloochent en dat men zegt: Wie is de Heere? Zou Hij niet al geruime tijd dood zijn? Overdadig kunnen we wel leven in het nabije vergelegen land. Er is, zeker in het Westen, alom gelegenheid om vrolijk en prachtig te leven.

Geen honger, geen gebrek, geen nood hoeft de massa tot opstandigheid op te zwepen. Amsterdam kwam niet in verzet omdat de voornaamste levensbehoeften ontbraken. Men heeft wel schaarste gezocht en willen aanwijzen. Verkrotting, woningnood, gebrek aan ruimte voor spel en sport. Nog niet zo lang geleden echter werd een protestoptocht georganiseerd tegen de woningnood. Doch er kwamen niet velen opdagen, zelfs niet van de jongeren. We willen niet beweren, dat de krapte overwonnen is, maar of de nood zo geweldig groot is moeten we betwijfelen. Temeer moet ons het gebrek aan animo opvallen, daar er juist in Amsterdam een groot aantal lieden leven, die graag aan een betoging meedoen.

Agur, de zoon van Jake, duchtte armoe zowel als rijkdom. Hij zag in beide grote gevaren. Mogelijk is er geen absoluut onderscheid, want het heeft er veel van dat rijkdom per saldo vergulde armoe is, maar in verschijningsvorm is er toch wel degelijk verschil. De opstand in onze hoofdstad is meer uit weelde dan uit ontbering ontstaan. Men kan stellen, dat het schort aan nodige vrijheid. Doch het is wel een heel aparte vrijheid die men opeist. De vrijheid om zich te vergrijpen aan wat gemeenschappelijk bezit is, de vrijheid om een ander in bewegingsvrijheid te hinderen, de vrijheid om de bewaarders en handhavers van de vrijheid te hinderen in hun taakvervulling.

't Is in de mode om progressief voor vol aangezien te worden, dat men de jeugd, die zich angstig veel permitteert, beschouwt als de blanke onschuld. Hun verlangens en hun streven is edel en oprecht. Zij breken baan voor een beter en menswaardiger heden. Het gaat om eigentijdse vormen voor het nieuwe dat rijk aan beloften zich presenteert.

Maar dit wel een rechtvaardig oordeel? Is het nieuwe per se goed, omdat het nieuw is en het oude slecht en verkeerd, omdat het zijn tijd heeft gehad? De lofredenaar op voorbije tijden staat niet zo erg hoog aangeschreven. Zulke lieden zijn achterlijk. Maar zijn er geen laudatoren en oratoren, geen prijzers en redenaars, die de komende tijd overtrokken verheerlijken?

Van kerkelijk standpunt bezien is Amsterdam niet zo een gunstige gemeente ook al pleegt men wel eens te gewagen van de grootste Hervormde gemeenschap ter wereld en van de grote stad Gods als het gaat over de hoofdstad van ons land. Ik heb hier cijfers, die vertellen dat deze stad voor driekwart onkerkelijk is. Van de honderd Amsterdammers zijn er veertien rooms-katholiek, 4 hervormd, 3 gereformeerd, 6 van een andere denominatie, terwijl de overigen, liefst 73, behoren tot de onkerkelijken of de buitenkerkelijken.

We mogen alles niet op rekening zetten van de onkerkelijkheid, maar het is toch wel zeker dat de heerschappij van Gods Woord toch wel gering is.

Hoe men het keert en wendt, het is buiten kijf, dat bij een volk, dat 's Heeren Woord in achting heeft, ook het gezag goed staat aangeschreven. Er is een samenhang. De Bijbel zegt in één adem: Vreest God, eert de koning. De revolutie daarentegen wilde van God noch enig gezag weten: ni Dieu, ni maitre.

Het is in strijd met Gods getuigenis, dat de frisse, spontane jeugd met zuivere en reine strevingen voor de dag komt. De overleggingen-van 's mensen hart, het gedichtsel des harten, zijn boos van zijn jeugd af.

Wij willen van nature niet, dat Christus koning is ook al zijn we immer volgzaam en uitermate zachtmoedig. We willen niet, dat Hij koning is zoals we in het algemeen ongaarne gezag boven ons dulden. Diep in ons immers hebben we vaag vermoeden, dat van Godswege mensen over ons gesteld zijn.

Het behoeft ons niet te verbazen, dat meer dan ooit in onze tijd de autoriteit van Gods Woord heftig omstreden wordt. We kunnen allerlei gegevens naar voren brengen. Het onderwerp is in de pen zoals u constateren kunt ook in dit blad.

De synode van onze kerk hield zich bezig met deze zaak. Er verscheen een lijvig rapport onder de titel: Klare wijn. Slechts iets hebben we uit de dagbladen kunnen vernemen. De indruk, door enkele artikelen en het verslag van de synodevergadering gewekt, doet vermoeden, dat er min of meer dialectisch gesproken wordt over de Bijbel. Is de Bijbel Gods Woord? Ja en neen. Het goddelijke, en het menselijke wordt tegen elkaar afgewogen en tegen elkaar uitgespeeld, zodat we mogelijk toch onvoldoende houvast krijgen en niet volkomen uit de mist geraken.

Bekend is de figuur van de parallel, de analogie met de vleeswording des Woords. Zoals de Zone Gods waarachtig God was en waarachtig mens, zo is ook Gods Getuigenis goddelijk en menselijk in ware eenheid. Willen we de catechismus nauwgezet volgen dan moeten we spreken van waarachtig God en waarachtig en rechtvaardig mens. Misschien hebben sommige lezers hier al aan gedacht. De vraag is derhalve hoever we de evenwijdigheid, de overeenkomst willen doortrekken. Correspondeert met de rechtvaardigheid van de menselijke natuur van de Zone Gods ook een onfeilbaarheid van de Heilige Schrift zelfs voorzover van een menselijke zijde sprake is?

Het wil me voorkomen, dat men juist het menselijk karakter pousseert om daarmee ruimte en vrijheid te verkrijgen fouten en gebreken van de Schrift behoorlijk uit te meten.

Nog niet zo lang geleden werd er een Kamper Hogeschooldag gehouden waar grote belangstelling aan de dag werd gelegd voor een forumgesprek, waaraan de professoren Polman en Zuidema en dr. Kuitert en de heer Algra als forumleden hun bijdrage leverden. Het resultaat van dit gesprek was om kort te gaan, dat men de menselijke factor ruimer moest nemen dan tot dusver gebruikelijk is. Met name immers zijn er van wetenschappelijke zijde gewichtige vragen gerezen tegen de voorstelling van de schepping gewekt door Genesis 1 tot 3. Dr. Kuitert was van opinie dat we de exegeten maar wat moesten laten rommelen en dat we de dogmatici de rommel maar weer moesten laten opruimen, maar dat we tenslotte toch altijd de Bijbel zouden overhouden. Of dit altijd zo zijn zal is echter voor mij de vraag. Ik ken andere voorbeelden.

Er zijn bepaalde leerstukken, waar men vandaag niet veel over hoort en waar men liever niet van horen wil. Een daarvan is de verdorvenheid van het menselijk hart en zijn afkeer van God en gezag. Dit zijn geen verouderde waarheden maar werkelijkheden van elk uur en van iedere plaats.

We moeten er ernstig op bedacht zijn, dat er voortdurend bruut of fijn geraffineerd om niet te zeggen soms fijn gereformeerd aanslagen bedacht worden tegen Gods Woord. Bidden we niet met de bede: Uw Koninkrijk kome, dat deze aanslagen mogen verijdeld worden van Hoogsterhand?

Men constateert dat er bijvoorbeeld in de evangeliën, wanneer men die — synoptisch — naast elkaar legt en vergelijkt, tal van verschillen te constateren zijn. Van hieruit komt men tot de gedachte van fouten, tegenstrijdigheden en feilbaarheid.

Wetenschappelijk zou het zijn, dat men begon deze oneffenheden statistisch te rubriceren en te tellen. De goegemeente weet niet wat er aan de hand is. Men krijgt de indruk dat de Bijbel wemelt van onnauwkeurigheden. Het is dienstig om eerst eens goed te overzien waar men aan toe is.

We mogen ook niet uit het oog verliezen, dat er in het verleden heel wat onjuistheden in de Bijbel zijn aangewezen, die naderhand bleken de toets van de kritiek glansrijk te kunnen doorstaan.

Menigeen geeft zich heel wat meer moeite om de Bijbel aan te passen aan de gewijzigde tijdsomstandigheden dan dat hij op zijn beurt zich door het Woord laat veranderen in de vernieuwing van zijn gemoed. De laatste tijden is in zwang om te spreken van het vreselijk vele in de Bijbel, dat als tijdgebonden zijn autoriteit voor ons verliest. Dank zij het principe van de tijdgebondenheid beslist men dat de vrouw elk kerkelijk ambt kan waarnemen. Zo viel het besluit op de synode, die hierboven ter sprake kwam, om na het ouderlingschap en het diakenschap ook het predikambt voor de vrouw te openen. Immers zovele kerken en steeds meer gingen hiertoe over. Alsof grote menigte iets uitmaakt. N.G.B. art. 7.

Met beroep op tijdgebondenheid is het mogelijk om in strijd met Schriftuurlijke uitspraken met meer begrip en vergoelijkend de homoseksuele medemens te bejegenen. Het is de vraag of onze barmhartigheid niet wreed is. Met verwijzing naar het tijdgebondene kunnen we de Overheid veel minder positief tegemoet treden, immers Romeinen 13 hoeft niet maatgevend te zijn voor alle tijden en alle plaatsen. Zo kunnen we nog een poosje doorgaan. We houden onze Bijbel over. Ja, het blijft staan en we laten het rustig staan. Maar wat houden we tenslotte over? Kan men straks, zoals veelvuldig gebeurt, ook niet loochenen de geboorte uit de maagd en de opstanding uit het graf en de opvaart ten hemel? Kan men niet loochenen, dat Gods Zoon in het vlees is verschenen alhoewel Christus juist die belijdenis nadrukkelijk heeft gekwalificeerd als een openbaring van de Vader, niet door vlees en bloed ingegeven?

Er rijst nog een gewichtige vraag.

Als men besluit tot tijdgebondenheid wie beslist of die tijd niet beter was dan de tijd, waarin wij leven. Want er zijn slechtere en betere tijden. Tijden dat God meer nabij was en dat de gemeente meer en sterker vervuld was van de Heilige Geest. Het argument van tijdgebondenheid helpt ons van de wal in de sloot. Want het is een oeverloze kwestie, wanneer wij met ons verduisterd verstand moeten uitmaken welke tijd voortreffelijker was in geestelijk opzicht. De subjectiviteit wordt gekroond. De evolutie van het menselijk denken wil heersen over de openbaring.

Uiteindelijk is het getuigenis van de Heilige Geest de beslissende instantie. Wat het licht der natuur niet vermag, doet de kracht van de Geest.

In het natuurlijk leven is er wel een soort pendant, een analogie van het getuigenis van de Geest. Simson had Delila, die hem het geheim van zijn wonderbare kracht afperste, herhaalde malen om de tuin geleid. Op een gegeven moment openbaarde Simson zijn Nazireërschap. Toen wist Delila het ineens heel zeker. Triomfantelijk sommeerde ze haar volksgenoten: Komt ditmaal op, want hij heeft mij zijn ganse hart verklaard. Ze had volle zekerheid.

Zo overtuigt ons Gods Geest van de waarheid van Gods Woord. We geloven zonder enige twijfel wat in deze boeken begrepen is. Genoegzaam is vervat in de Heilige Schrift de wil Gods en al wat we schuldig zijn te geloven om zalig te worden.

Dan komt de verloren zoon uit het vergelegen land naar huis.

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 juli 1966

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

KRONIEK

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 juli 1966

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's