UIT DE PERS
Prediking voor de mens van vandaag.
Op de in juni gehouden jaarvergaring van de confessionele vereniging heeft de bekende Utrechtse Nieuwtestamenticus, prof. dr. W. C. van Unnik een referaat gehouden over het onderwerp: „De prediking voor de mens van deze tijd". Prof. van Unnik noemde het aan de orde gestelde thema „een gecompliceerde vraag, een actueel probleem, en een blijvende opgaaf". Sterke nadruk legde hij daarbij op de prediking als een door God gegeven opdracht om de Naam van Jezus Christus bekend te maken. Prediker zijn wil zeggen: Gezant van Jezus Christus zijn. We signaleren dit uitgangspunt met dankbaarheid, juist nu heden ten dage allerlei beschouwingen over de prediking hun uitgangspunt nemen in het menselijke, in de wijze waarop de moderne mens zichzelf verstaat. Ook Van Unnik weet van de problematiek die onze tijd met zich meebrengt. Maar dat mag nooit verleiden tot defaitisme. Er is de van Godswege gestelde opdracht. We citeren uit het Hervormd Weekblad „De Gereformeerde Kerk" (van 30 juni) het volgende:
Of daarbij het evangelie beantwoordt aan het levensgevoel van de moderne mens, kan naar mijn mening daarbij niet de vraag zijn. Dit is het, in welke vorm het ook aangeboden wordt, als het waarlijk de boodschap van God is, nimmer, want Paulus' woord geldt voluit: het is niet naar de mens" (Gal. 1 : 11). Een andere vraag is echter of het Evangelie verstaanbaar gebracht wordt, waarbij rekening gehouden wordt met de verschillen in taal, waar hiervoor over gesproken werd.
Ik weet, dat het altijd gevaarlijk is om historische parallellen te trekken, want „l'histoire ne se répète jamais". Toch is het goed om te realiseren dat de situatie in vele opzichten analoog is aan die, waarin de eerste predikers van het evangelie in de wereld stonden
Daarbij kunnen wij letten op verschillende factoren:
a. De opdracht is nog steeds hetzelfde. Hij wordt ons in het N.T. in verschillende formuleringen gegeven, maar steeds klinkt de roep om het evangelie van het koninkrijk, van de liefde Gods, van de verzoening te brengen. Het is een boodschap, een aankondiging van de daad Gods, die geschied is en die geschieden zal, staande tussen het Rijk Gods, dat er is en dat komt, door Jezus Christus, die gekomen is en komen zal.
b. De eerste christenen staan met die roeping als volk van God (ecclesia) in een oneindig grote wereld. Het treft me altijd weer, als ik Hand. 1 lees, dat daar sprake is van een handjevol mensen onder vele miljoenen inwoners van het Romeinse rijk en van de daarbuiten liggende, toen nog grotendeels onbekende wereld. Zij moeten getuigen zijn „tot aan het uiterste der aarde", met minder kan het niet en die wijdte lag verder dan hun horizon.
c. Ze stonden daar voor die taak in een wereld die heus geen godsdienstig vacuüm was of op hun woord trappelend stond te wachten. Wie de geestelijke toestand in het Imperium Romanum enigszins kent, weet, hoe chaotisch ook toen het leven was. Zij staan daar met hun verleden en moeten rekenen met het verleden van Jood en Griek, Barbaar en Scyth. Geen macht stond achter hen, maar wel tegenover hen.
d. Die eerste prediking moet het menselijkerwijs gesproken alleen doen met het geloof in de gekruisigde en verloste Heer - en skandalon voor de Joden, een dwaasheid voor de Grieken — èn met een belofte, die ook toen reeds aangefloten werd; voor henzelf is dit het wonder van zekerheid en verwachting.
e. Voor deze mensen is de Schrift nieuw gaan spreken; over de oude bladzijden van Wet en Profeten scheen een nieuw licht door de verschijning van Jezus Christus. En 't is eigenlijk steeds weer verrassend, hoe deze nieuwheid doorbreekt in mensenlevens, en in sociale verkondigingen, en bij goed luisteren het hele N.T. doortrilt.
i f. Deze prediking in woord en daad heeft in het N.T. nooit een uniform karakter. Men kan soms wel bepaalde schema's ontdekken en een eenheid in grondstructuur zien, maar anderzijds is het onloochenbaar, dat er grote verschillen in doelstelling tussen de evangeliën te zien zijn, dat het Evangelie en de Openbaring van Johannes de prediking op een andere wijze brengen, dat Paulus en Jacobus in een andere situatie schrijven. Juist in de brieven uit het N.T. is het duidelijk hoezeer die op de concrete toestand van de lezers ingaan, hoe ze ook de taal van hun tijd en omgeving dienstbaar maken aan de Boodschap. Uit een vergelijking tussen b.v. Mattheüs en Lucas kan men zien, hoe dezelfde evangelische stof in een geheel verschillende aanwending kan gebruikt worden. Bij de apostelen was het — men denke alleen maar aan het verschil tussen Petrus en Paulus in Gal. 2 — niet alles „koekoek eenzang". Er is een Paulus, die plant èn een Apollos, die nat maakt. Er is verscheidenheid van genadegaven en diensten in het werk voor de ene Heer. En Paulus erkent, dat die grote verscheidenheid door de Heer zelf gegeven is.
Hierin liggen m.i. enkele duidelijke aanwijzingen voor de prediking met de mensen van deze tijd.
Inderdaad is de rijkdom van de Bijbelse boodschap onuitputtelijk. Er zijn allerlei accenten. Als maar duidelijk blijft, dat het toch gaat om de ene melodie van het Evangelie des kruises. Men zal ten volle kunnen verstaan, dat Van Unnik wijst op de verscheidenheid. Maar daarnaast zullen we op onze hoede moeten zijn voor de schematisering van hen die het N.T. laten opgaan in een bundel verschillende theologieën. En daardoor wezenlijk tekortdoen aan de eenheid in het spreken der Schrift.
We strepen uit dit referaat tenslotte nog aan, dat de Utrechtse hoogleraar pleit voor nauwgezette Bijbelstudie, opdat zo de rijkdom der Schrift in de prediking vertolkt wordt. Moge dit pleidooi door velen ter harte genomen worden.
Onvruchtbaar radicalisme.
In het „Evangelisch-Luthers Weekblad" wijdt dr. C. Riemers enkele beschouwingen aan het feit dat velen vluchten uit het ambt en eigenlijk zeer sceptisch staan ten aanzien van de gewone vormen van prediking en pastoraat. In het nummer van 25 juni schrijft hij onder meer:
Ik zie in veel theologisch radicalisme een wanhopige poging om tot elke prijs buitenkerkelijken te benaderen. Het is de vraag, of deze buitenkerkelijken juist van deze poging zo bijzonder gediend zijn. Wanneer zij horen van opruiming, die gehouden wordt onder voorstellingen over God, geloof, gebed en van het centraal stellen van medemenselijkheid en humaniteit, vinden ze dat zeer interessant. Maar ze menen ook, dat de kerk daar rijkelijk laat mee komt en ze hebben haar voor die medemenselijkheid en humaniteit niet nodig, vooral als ze vanuit de kerk horen, dat we het hier op aarde als mensen klaar moeten spelen en moeten durven en kunnen leven bij de afwezigheid van God. Wanneer ze van de kerk nog iets verwachten, is dat toch wat anders.
Anderzijds moeten we ons ook wel afvragen, of met genoemd radicalisme, al komt het voort uit een eerlijk zoeken naar waarheid, het hart van het Evangelie, waar de kerk op gebouwd is, niet aangetast wordt. En verder is het de vraag, of het eenvoudige gemeentelid met een misschien wat primitief Godsbeeld niet méér verstaan heeft van het Evangelie dan degene, die hem daarvoor een steriel, gezuiverd, wijsgerig verantwoord en theologisch van alle mythologische elementen ontdaan Godsbeeld in de plaats wil geven, dat intussen nog maar weinig affiniteit heeft met de Bijbelse boodschap, als is er altijd wel een tekst te vinden, die een of ander „standpunt" schijnt te steunen. Het is namelijk de vraag, of laatstgenoemd Godsbeeld nog iets te maken heeft met de God van Israël, die geschiedenis maakt met Zijn volk. Zijn kerk, en met de Vader van onze Heer Jezus Christus.
De aarde trouw blijven, natuurlijk, maar dan toch zeker niet vergeten, dat we niet altijd op deze aarde blijven en dat ook nu ons burgerschap in de hemel is, waardoor aan onze wijze van zijn en leven op de aarde richting wordt gegeven. Welke voorstelling we dan van die hemel hebben, is niet zo belangrijk.
Waar is intussen een schoner gelegenheid eerbiedig het Evangelie in al zijn veelkleurigheid, veelzijdigheid en rijkdom zijn werk te laten doen dan in het midden van de gemeente, bij de Doop, de kinderkerk, de jeugdgroep, de catechisatie, de gesprekskring, het gezin (waar de vader in de regel, meer dan in het bedrijf, zichzelf is), bij ziekte en rouw, in prediking en pastoraat?
Ook wie niet elke zin van dr. Riemers voor zijn rekening neemt — zo hebben we b.v. nogal wat bezwaar tegen de woorden „primitief Godsbeeld" — zal toch instemmen met dit nuchtere geluid. Inderdaad gaan velen in hun zucht naar vernieuwing zo ver, dat ze rustig de kern van het Evangelie inruilen voor een bleek humanisme, waar de wereld niet naar vraagt en nog minder mee gediend is.
Wij kunnen en mogen de ergernis niet wegnemen. Ds. M. P. van Dijk wijst er in zijn boekje „Naar een nieuwe vrijzinnigheid" op dat in deze nieuwe vrijzinnige beschouwingen de leer van de Heilige Geest ontbreekt. Hermeneutiek, existentiële interpretatie, experimenten etc. moeten dan het werk van de Geest gaan vervangen, zo lijkt het. In dat verband geven we nog even het woord aan een andere scribent in het Evangelisch-Lutherse weekblad (van 2 juli). Het is een verslag van een spreekbeurt van mevr. Dorothea Sölle, die zoals u weet op de Kirchentag in Keulen (1965) nogal van zich heeft doen spreken, en die haar modern atheïstische visie niet onder stoelen of banken steekt. De armzaligheid van deze visie komt misschien wel het schrijnendst aan het licht in wat K. M. de Lange schrijft over de discussie welke in Amsterdam volgde op haar referaat.
„Een dominee vraagt: „Overmorgen is het Pinksteren. Waarover moet ik preken? " Hij krijgt op zijn eenvoudige, maar scherpzinnige vraag geen duidelijk antwoord. Hoe kan het ook? Heeft de Heilige Geest in de hervormde kerk van dr. Sölle wel een plaats? ”
Het is een trieste zaak dat deze atheïstische visie, die toch eigenlijk de naam theologie niet verdient, omdat Hegel de toon aangeeft en de Schrift niet aan bod komt, zijn kans krijgt in de kerk. Dr. Riemers spreekt in zijn artikel over „een wanhopige poging om tot elke prijs buitenkerkelijken te benaderen. Men kan dit gaan ontkennen met woorden als „creatief bezig zijn, serieus zoeken enz". Maar het blijft al met al een wanhopige poging, die alleen maar tot gevolg zal hebben dat men zichzelf de mogelijkheid beneemt om een waarlijk verlossend woord te spreken in de wereld van vandaag.
Naar aanleiding van een synodaal besluit.
Zoals u hebt kunnen lezen heeft de synode op 23 jimi met 34 tegen 7 stemmen besloten — in eerste lezing uiteraard — om die kerkordelijke bepalingen die de volledige ambtsuitoefening door de vrouwelijke predikanten beperken te schrappen, m.a.w. om de vrouw dus ook toe te laten tot het predikambt. In „Hervormd Nederland" van 2 juli wijdt A. V. E. een artikel aan deze zaak onder de titel 'Remblokken losgegooid'. Hij gewaagt van een „historisch moment". Het moet ons van het hart dat men met het woord „historisch" in onze kerk op zijn zachtst gezegd wat wonderlijk omspringt. We zouden kunnen vragen: Welke historie bedoelt de scribent?
De titel van genoemd artikel spreekt overigens boekdelen. Er is sprake van „onbillijkheden, discriminerende bepalingen, scheve verhoudingen enz..." Nu zijn dan de remmen er afgegooid en „Hervormd Nederland" verheugt daar zich hartelijk over. Principiële bezwaren tegen de vrouw in het ambt? Wie durft daar over spreken?
Er waren uiteraard stemmen in de synode, die de hele problematiek van „de vrouw in het ambt" weer opnieuw aan de orde begonnen te stellen: „De man is als ambtsdrager representant van God" — „Vrouwen treden in het nieuwe testament alleen op als de mannen af laten weten: Zij waren er nog bij het kruis en de opstanding van de Heer, toen de mannen waren gevlucht... maar als de dingen weer normaal worden dan wijken de vrouwen weer terug. En dus: laten de vrouwen die uitzonderingspositie blijven bekleden”.
Maar terecht werd er toen gesteld, dat het er nu niet meer om ging heel dit theologisch arsenaal weer te voorschijn te halen: De synode had immers in 1958 principieel besloten de vrouw tot het ambt toe te laten!
Het lag ook voor de hand, dat verschillende synodeleden vroegen: „Waar blijft nu toch het al heel lang in uitzicht gestelde rapport van de uiterst deskundige theologen, die de kerk moeten vertellen, wat nu toch eigenlijk het ambt in de kerk in zijn geheel is? " Men moet n.l. weten, dat daarover al geruime tijd wordt gestudeerd, dat velen op de resultaten zitten te wachten (óók van rooms-katholieke zijde!), maar dat de betreffende commissie zeer tot haar spijt er — om zo te zeggen — nog niet „is uitgekomen”...
Moeten we dan wachten tot de commissie voor het ambt klaar is en dan een beslissing nemen over het opheffen van de remmen? — „Neen", zei de synode!
U ziet het: De synode heeft in 1958 een principieel besluit genomen. Daar is niet meer over te spreken. Zeker, men zal de bezwaarden graag tegemoetkomen. Maar dat is een kwestie die niet op principieel theologisch vlak ligt, maar op ethisch, zedelijk vlak, zo krijgen we te horen.
Het is niet de bedoeling in een persoverzicht alle argumenten pro en contra te herhalen. Maar signaleren hier alleen het feit dat men de theologische vragen en daarmee de principiële bezwaren zonder meer voorbijgaat. Dat is een pijnlijke zaak. Ook een onbegrijpelijke kwestie. Wanneer iemand het hart van het Evangelie, de prediking der verzoening aantast, klinken er allerlei stemmen die roepen om het gesprek, om de discussie; het belijden is immers een dynamische zaak. Bij mijn weten is toen niet gezegd: Hier gaan wij niet over spreken. Want de kerk heeft in haar belijdenis een principiële uitspraak ten aanzien van de verzoening.
Wanneer iemand echter vragen heeft ten aanzien van de vrouwelijke ambtsdrager — en de principiële vragen keren bij dit synodebesluit terug — luidt het antwoord: Het heeft geen zin het gesprek te heropenen. De synode heeft principieel beslist. Is dat geen meten met twee maten? Is het bovendien pastoraal verantwoord ten aanzien van de bezwaarden? Wanneer men zo overtuigd is van de juistheid om de vrouw tot alle ambten toe te laten, zou men juist met de bezwaarden hierover moeten spreken en bereid moeten zijn de discussie opnieuw te openen. Nu krijgt men de indruk dat men zo snel en geruisloos mogelijk deze kwestie wil oplossen en hooguit de spelregels voor het onderling verkeer wil vaststellen.
„Hervormd Nederland" trekt een vergelijking tussen 1958 en 1966. Toen een stemverhouding van 27 tegen 24; thans 34 tegen 7. De scribent vindt dit tekenend. Inderdaad. Alleen zouden we daarbij nog een andere vergelijking willen trekken. In 1958 was er het gesprek tussen voor-en tegenstanders, waarbij alle argumenten ter sprake kwamen. Thans zegt men: Dat is voorbij. Een tevoorschijn halen van een theologisch arsenaal heeft weinig zin.
Hoe het met 't ambt precies zit weten we niet.... maar toch moeten de remmen er maar af en de bezwaarden zullen we op de een of andere wijze wel geruststellen. Persoonlijk vind ik deze redenering het pijnlijkst van alles. Het lijkt er veel op dat de kerk een bedrijf wordt, waar alleen het zakelijk nut meetelt. Pater Fiolet schreef een aantal jaren terug een boek over onze kerk onder de titel: „Een kerk in onrust om haar belijdenis". Die onrust hing mede samen met de roep om een nieuw belijden. In plaats van het statische pleitte men voor de dynamiek, de beweging. Waar is die onrust vandaag? Uit het artikel in „Hervormd Nederland" blijkt er niets van. Men is zeker van zijn zaak. Principieel zeker. Dat is in 1958 beslist. Over statisch en dynamisch gesproken!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 juli 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 juli 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's