OPEN BRIEF AAN HET HOOFDBESTUUR
Het hoofdbestuur ontving onderstaande open brief met bijgaand schrijven, dat wij vergezeld van ons commentaar onder de aandacht van onze lezers willen brengen.
Aan de redactie van „De Waarheidsvriend", p/a ds. G. Boer, Hervormd predikant, Katwijk aan Zee.
Geachte redactie.
Bijgaand artikel „Open brief aan het Hoofdbestuur" bieden wij u aan ter publicatie in „De Waarheidsvriend”.
Aangezien door de ondertekenaars deze „open brief" in eerste instantie bedoeld is als reactie op de recente artikelen van ds. G. Boer n.a.v. bepaalde uitingen van dr. C. Graaf land zullen wij een spoedige publicatie op hoge prijs stellen. Gaarne vernemen wij vóór 18 juni a.s. van u of en in welk nummer van „De Waarheidsvriend" u de open brief wilt plaatsen. Mocht u onverhoopt besluiten niet tot publicatie te kunnen overgaan dan zullen wij van een ander, ons ten dienste staand, orgaan gebruik moeten maken.
Hartelijk hopen wij evenwel dat u ruimte zult willen geven aan een interne discussie in ons eigen orgaan.
Een afschrift van het artikel alsmede van deze brief deden wij toekomen aan de leden van het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond.
Met verschuldigde hoogachting, namens de ondertekenaars,
ds. S. Gerssen
ds. T. Poot.
2 juni 1966.
OPEN BRIEF AAN HET HOOFDBESTUUR VAN DE GEREFORMEERDE BOND.
De laatste tijd is in „De Waarheidsvriend" een nogal felle discussie gaande naar aanleiding van bezwaren, die door dr. Graafland tegen de huidige koers van de gereformeerde bond zijn ingebracht. Hij vroeg om een kritische zelfbezinning en toonde zich bezorgd omtrent de positie die de gereformeerde bond meer en meer inneemt in het geheel van de hervormde kerk. In een reeks artikelen ging ds. Boer op zijn opmerkingen in en stelde daarbij, dat wie de grondslag en het doel van de organisatie niet onderschrijft beter doet heen te gaan. Men zou eerst een voorstel kunnen indienen tot herziening van het statuut, maar ds. Boer stelt nu reeds in het uitzicht, dat het hoofdbestuur dit niet zal bevorderen. Het gaat immers om duidelijkheid zowel naar binnen als naar buiten en als dr. Graafland om „meerdere ruimte" vraagt stelt ds. Boer de tegenvraag: „Welke ruimte wil hij meer dan de officiële grondslag? ”
Het is naar aanleiding van deze reactie, dat wij ons gedrongen voelen onze positie kenbaar te maken. Slechts een beperkt aantal collega's hebben wij gevraagd adhesie met ons schrijven te betuigen. Ds. Boer schrijft onder eigen naam, maar gebruikt steeds het meervoud. Wij zouden graag willen weten of dit meervoud betekent, dat hij het officiële standpunt van het hoofdbestuur weergeeft. Het is immers voor de discussie gemakkelijker wanneer daaromtrent besliste duidelijkheid bestaat. Wij voelen ons onzerzijds gedrongen te verklaren, dat het door dr. Graafland ingenomen standpunt inzake de koers van de gereformeerde bond het onze is. En wij hebben er behoefte aan dit openlijk uit te spreken, omdat wij niet de indruk gewekt willen zien, dat hij slechts persoonlijke inzichten kenbaar maakt. Men zal er goed aan doen hem te zien als een exponent van een stroming binnen de gereformeerde bond, die steeds meer behoefte gevoelt aan „meerdere ruimte" dan in de officiële koers van het hoofdbestuur speurbaar is. Zonder dat ieder van ons alle formuleringen van dr. Graafland tot de zijne zou willen maken, willen wij toch verklaren, dat wij evenals hij bezwaren koesteren aangaande het beleid, dat door het hoofdbestuur wordt gevoerd. Daarom zouden wij het als een bewijs van oneerlijkheid beschouwen wanneer wij zouden blijven zwijgen nu hij zo fel wordt aangevallen. Men zal moeten beseffen, dat er meer aan de orde is dan een meningsverschil tussen twee theologen. Wij hebben uit de artikelen van ds. Boer niet de indruk gekregen, dat hij voldoende begrijpt waar het velen om gaat. Hij schijnt te menen, dat wij ons zozeer aan de grens van de organisatie bevinden, dat ons gevraagd zou kunnen worden of wij niet eerlijker zouden handelen wanneer wij deze grens openlijk zouden overschrijden. Wij gevoelen ons echter geenszins aarzelende grensgangers en wij zouden het als een ernstige miskenning van onze zorg beschouwen wanneer wij onverhoopt als ongewenste vreemdelingen over de grens zouden worden gezet.
Het is een misverstand te menen, dat wij kritisch zouden zijn ingesteld tegenover de grondslag van de gereformeerde bond. Het gaat ons er juist om, dat deze grondslag wezenlijk zal functioneren. Wel hebben wij er bezwaar tegen wanneer de woorden „grondslag"en „statuut" zozeer als bij ds. Boer door elkaar gebruikt worden. Wij vrezen namelijk, dat daarachter steekt een al te legalistische gedachte omtrent datgene wat de organisatie zal moeten kenmerken. Alsof ons bestaansrecht als organisatie zou moeten gevonden worden in de trouw aan een wettische code, waartoe wij zouden zijn overeengekomen.
Wij krijgen sterk de indruk, dat een bepaalde interpretatie van de grondslag steeds meer als enige legitieme wordt gezien. Dat zou betekenen, dat voor een open gesprek over de weg, die de gereformeerde bond krachtens haar doelstelling heeft te gaan te weinig ruimte blijft. En ook, dat wij binnen de gereformeerde bond het gevaar van verstarring moeilijk meer zouden kunnen bezweren. Bij eenstemmigheid in belijdenis moet toch immers verschil van inzicht inzake uit onze doelstelling afgeleide punten mogelijk zijn. De doelstelling van de gereformeerde bond is naar onze overtuiging weergegeven in haar naam: verbreiding en verdediging van de waarheid in de hervormde kerk. Wanneer wij pleiten voor meerdere ruimte dan komt dat voort uit de zorg, dat ons door een steeds duidelijker vastgesteld gedragspatroon de ruimte zou ontvallen, die voor deze verbreiding en verdediging noodzakelijk is. Wanneer wij b.v. telkens weer de noodzaak van liturgische bezinning aan de orde stellen dan komt dat niet voort uit het feit, dat wij liturgische nieuwlichters zouden zijn. Dan moet men dat veeleer verstaan vanuit de zorg, dat wij zozeer in een liturgisch isolement terecht zouden komen, dat het wel uitermate moeilijk wordt met de prediking van het Woord Gods midden in onze kerk te blijven staan. In de bezinning op nieuwe vertaling, nieuwe psalmberijming, gezangen, etc. hebben wij tot dusver te weinig van deze zorg gepeild. Teveel wordt de schijn gewekt alsof wij ons buiten alle concrete verbanden om zouden kunnen bezighouden met de waarde van Bijbelvertaling en psalmberijming. En te weinig bespeurden wij de vrees voor een situatie waarin binnen dezelfde kerk op den duur niet meer uit dezelfde Bijbelvertaling zou kunnen worden gelezen en niet meer dezelfde psalmen zouden kunnen worden gezongen. Dat zou een bij uitstek pijnlijk isolement binnen onze kerk tot gevolg hebben en een verdere vervreemding van het kerkvolk van datgene wat wij als onze opdracht blijven beschouwen. Wij zijn zeer beducht voor een situatie waarin de gereformeerde bond buiten het werkelijke leven van onze kerk zou komen te staan en meer als een antieke curiositeit dan als een ernstig te nemen gesprekspartner zou worden beschouwd. En wij menen dat deze situatie snel naderbij komt en ten dele reeds aanwezig is. Wanneer de zekerheden binnen onze kring eerder en meer zouden berusten op het feit, dat wij de vragen van het kerkelijk leven in deze tijd laten liggen dan dat wij zouden pogen tot een actuele en Bijbelse visie te komen, behoeft het ons niet te verbazen, dat wij ons appèl op de gehele kerk meer en meer verliezen. Wij vrezen, dat onze begeleiding van het leven der kerk meer bestaat uit het maken van kritische notities terzijde dan uit het leveren van een serieus te nemen bijdrage. Op den duur zal die bijdrage dan ook niet meer van ons worden verwacht. De zorg waaraan wij in deze verklaring uiting willen geven wordt ook gevoed door de wijze waarop leidinggevende personen uit onze organisatie de kwestie van de vrouw in het ambt in hun praktisch beleid behandelen. Wij willen er allerminst voor pleiten ons kritisch standpunt inzake de vrouw in het ambt op te geven. Wel willen wij graag de schijn vermijden, dat dit punt evenzeer tot het indiscutabele zou behoren als b.v. de Triniteit of de Godheid van Christus. Het komt ons onjuist voor iedere overtuiging, die door ons gehuldigd wordt als van gelijke ernst en draagkracht te beschouwen. Op zijn minst zullen wij ons moeten afvragen hoe de handhaving van onze doelstelling, nl. de verbreiding en verdediging van de waarheid in de hervormde kerk wordt gerealiseerd in een kerk en een gemeente waarin verschil van inzicht inzake de vrouw in het ambt bestaat. Of is dit laatste punt zo doorslaggevend, dat wij de situatie van een afscheiding, hetzij binnen, hetzij buiten de kerk, onder het oog moeten zien.
Dr. Graafland heeft gezegd: „Zij, die de noodzaak van een vernieuwing inzien worden aangevochten door de verzoeking uit te stappen, omdat het hen in de hervormd-gereformeerde kring te benauwd wordt". Daarop is door ds. Boer geantwoord, dat hij dit niet al te serieus wil nemen. Wij zouden met nadruk willen zeggen, dat dit juist zeer serieus genomen moet worden, omdat het in hoge mate ernstig is bedoeld. Wij hebben nu eenmaal ruimte nodig om ook in deze tijd trouw te kunnen blijven aan datgene wat in de grondslag en de doelstelling van onze organisatie is omschreven.
Als wij om deze ruimte vragen geschiedt dat niet in tegenspraak met, maar terwille van datgene wat ons heeft doen besluiten lid te zijn van de gereformeerde bond.
W. Anker, Doorn
C. Baas, Nieuwerkerk a.d. IJssel
W. Balke, Bodegraven
A. Boertje, Moerkapelle
W. de Bruin, Ermelo
C. van Dop, Amersfoort
Jac. van Drenth, Ede
J. van 't Ende, Rijssen
Jac. Enkelaar, Sluipwijk
P. M. van Galen, Hilversum
S. Gerssen, Utrecht
G. Hamoen, Meteren
K. J. Jansen, Doeveren
Prof. dr. H. Jonker, Utrecht
A. J. Jorissen, Utrecht
W. Kalkman, Driebergen
A. Kastelein, Capelle a. d. IJssel
P. A. A. Klüsener, Amersfoort
A. Kool, Utrecht
A. J. Kret, Leiden
H. V. d. Linden, Amsterdam
Prof. dr. S. v. d. Linde, Utrecht
E. E. de Looze, Hilversum
S. Meijers, Ermelo
K. Ooms, De Bilt
T. Poot, Driebergen
G. Samson, Rotterdam
E. Schroten, Harmelen
F. J. Sinke, Ridderkerk-Bolnes
T. D. van Soest, Rotterdam
G. Spilt, Utrecht
A. Terlouw, Veenendaal
M. J. G. V. d. Velden, Renkum
L. G. Zwanenburg, Huizen
A. O. Zijlstra, Amersfoort
2 juni 1966.
COMMENTAAR VAN HET HOOFDBESTUUR
Het hoofdbestuur wil zijn commentaar in de volgende punten samenvatten:
1. De weg, die de ondertekenaars van de „Open brief" gaan, lijkt ons onjuist. Uit het oogpunt van organisatie is deze weg onjuist, omdat het hoofdbestuur altijd openstond voor samensprekingen. In het verleden hebben samensprekingen plaats gevonden met enkele van de ondertekenaars, met anderen der ondertekenaars zijn zij vastgesteld voor de nabije toekomst, met een ander van de ondertekenaars zijn zij niet gehouden, ondanks ons herhaald verzoek. Het behoort ook niet tot de goede stijl van verenigingsleden om voor plaatsing van een brief een bepaalde termijn van antwoord af te dwingen, met als stok achter de deur: Anders zullen wij van een ander, ons ten dienste staand, orgaan gebruik moeten maken.
Wanneer wij desniettemin tot publicatie in De Waarheidsvriend overgaan, dan doen wij dat om u ter wille te zijn, en tevens ons standpunt voor u te verduidelijken.
Aan een verzoek om plaatsing van open brieven, e.d., van welke zijde ook, zal echter in de toekomst geen gehoor kunnen worden gegeven.
2. De door u als nogal fel gekarakteriseerde discussie aangaande de bezwaren, die door dr. Graafland tegen de huidige koers van de gereformeerde bond zijn ingebracht — op een andere plaats schrijft u: Nu dr. Graafland zo fel wordt aangevallen — wordt door ons anders gewaardeerd. De gang van zaken was zo, dat dr. Graafland één-en andermaal zich in het openbaar op een nogal felle wijze uitliet over de gereformeerde bond. Na lang gezwegen te hebben, meende het hoofdbestuur de zaak in De Waarheidsvriend aan de orde te moeten stellen in een rustige discussie. Ds. Boer heeft tenslotte zijn artikelen geschreven met medeweten van het hoofdbestuur, wat niet insluit, dat ieder lid elke formulering tot de zijne maakt.
3. Uw opmerkingen in de aanhef van de brief, dat ds. Boer geschreven heeft dat, wie grondslag en doel van de organisatie niet onderschrijft, beter doet heen te gaan, staan wat buiten het verband. Immers dr. Graafland schreef in: „Verschuivingen in de Gereformeerde Bondsprediking" op blz. 13: „Aan de andere kant worden zij, die de noodzakelijkheid van de vernieuwing inzien, aangevochten door de verzoeking om uit te stappen, omdat het hun in de Hervormd-Gereformeerde kring te benauwd wordt. Wij weten, dat dit niet slechts een theoretische mogelijkheid is." In dit verband schreef ds. Boer, dat het hoofdbestuur grondslag en doel heeft te handhaven en dat hij gaarne wilde weten welke meerdere ruimte dr. Graafland bedoelde. Wij zijn u dankbaar nu enigermate concreet van u te weten, wat u onder deze meerdere ruimte verstaat. Inderdaad is de verbreiding en de verdediging van de waarheid in de hervormde kerk ons doel. Met u zijn wij bezorgd over de afsnoering van de leefruimte in het geheel van onze kerk, aan welke bezorgdheid wij één-en andermaal uiting gaven bij het Moderamen van de Generale Synode, waarbij gewezen werd op allerlei punten, die u noemt.
4. Het bevreemdt ons, dat u die meerdere ruimte zoekt in het min of meer formele: liturgische bezinning, nieuwe vertaling, nieuwe psalmberijming, gezangen etc. Het is u bekend, dat wat ons ten diepste beweegt het verdedigen en verbreiden van de waarheid is, die ons in Christus is geschonken en in de Schriften is geopenbaard.
Met dit geloof, dat diep in ons hart zit, waaraan de kerk uitdrukking gegeven heeft in de belijdenis, zowel van de oude als van de reformatorische kerk, willen wij in deze onze kerk staan en met anders niets. De problemen, die zich aan de kerk voordoen willen wij van dit geloof uit doorlicht zien, maar dan ook van dit geloof uit: b.v. arbeid — zondagsviering — atoomenergie — gezinsvorming — enz. Ook deze vragen hebben uw belangstelling. Op deze en soortgelijke vragen mogen wij ons niet door de geest van deze tijd laten leiden, maar door de bijbel, door de belijdenis, door het geloof, dat ook in vroeger tijden op vragen van die tijden een antwoord wist te geven.
En op vragen, waar de bijbel geen antwoord op geeft, zullen wij niet antwoorden.
Ons staan in de kerk, in dit geloof, in de Bijbel, in deze belijdenis, zal ook onze houding bepalen tegenover elke kerkorde, tegenover elke liturgie, elke Bijbelvertaling, elke psalmberijming, elke bundel van vrije liederen.
Wij hebben achter ons staan niet alleen een klare belijdenis, maar ook een grote en goede traditie, een gereformeerde ordening voor leven, voor kerk, voor liturgie, enz.
Deze gegevenheden hebben ons nu eeuwen geboden niet een enghartige bekrompen plaats in onze kerk en in ons volk, maar een zeer ruime, wijde plaats. Deze ruimte ervaren wij in ons geloof in alles wat Christus ons gaf in Zijn woord, in Zijn ordeningen, in prediking, in het Bijbelse lied. Wij wensen in onze kerk niet te volgen hen, die in al deze zaken van andere vooronderstellingen uitgaan dan van de belijdenis en wensen ook onze mensen en anderen niet voor te gaan in die weg.
Vanuit bovengenoemd geloof hebben wij de voorkeur gegeven aan een restauratie van de Statenvertaling boven een geheel nieuwe vertaling en aan een restauratie van de oude psalmberijming boven een nieuwe berijming en hebben wij deze zaken bepleit bij het Moderamen van de Generale Synode één-en andermaal.
5. Wat de zaak van de vrouw in het ambt betreft, wij zijn dankbaar van u te vernemen, dat u de kritische positie ten aanzien van de vrouw in het ambt niet wilt opgeven. Daar willen wij elkander in dankbare gehoorzaamheid aan Gods woord aan houden, al zijn de moeilijkheden in de praktijk legio. Niet ieder leerstuk en niet iedere inzetting of ieder gebod is van gelijk gewicht. In onze eerste publicatie ten aanzien van de vrouw in het ambt werd daarop reeds gewezen. Maar wat van minder groot belang is, is daarom nog niet van geen belang. Wij hebben niet te maken met een kerk, waarin verschil van inzicht is inzake de vrouw in het ambt, maar waar in het op moderne schriftopvatting rustende inzicht van de kerk voor het geldende wordt gehouden. En wij mogen niet afgaan op gelijkwaardigheid van inzichten. Al wordt voor ons de ruimte in de kerk hierdoor verkleind, dan kan men altijd beter met een goed geweten voor God in een isolement verkeren, dan met een kwaad geweten in de ruimte der kerk. Wij dienen ook het aankomende geslacht te bewaren bij de gehoorzaamheid aan het apostolische gebod en elkanders handen te sterken en onze kerk zoeken te hoeden voor afval en verwereldlijking, waarvan o.a. de kerkelijke positie, die aan de vrouw gegeven wordt, toch wel een symptoom is.
6. Als u meent, dat u als grensgangers beschouwd wordt, dan is dat meer voor uw eigen bewustzijn dan voor ons. Als ds. Boer het woord van dr. Graafland ten deze niet al te serieus wilde nemen, dan zegt u en niet ds. Boer, dat de aanvechting door de verzoeking om uit te stappen juist zeer serieus genomen moet worden, omdat dat in hoge mate ernstig is bedoeld. Wij hopen van harte op uw blijvende tegenwoordigheid in de Gereformeerde Bond, maar dan in de aard en in de van meet af gevolgde gedragslijn van de Bond.
7. Tenslotte de Gereformeerde Bond als gesprekspartner in de kerk. Onder de ondertekenaars zijn mensen, die zich gegeven hebben aan allerlei kerkewerk. In de kring van het hoofdbestuur en van de leden hebben velen zich gegeven aan het werk van de kerk. Wij behoeven hierover elkander geen verwijten te doen. Wel hebben wij ons ernstig af te vragen of wij in onze kerk werkelijk als gereformeerde mannen gesproken en gehandeld hebben. Met geen andere vooronderstelling kan men ons vragen, met geen andere instelling kunnen wij een gesprek aanvaarden. Zo zullen wij ook de moeilijkste posten willen en moeten aanvaarden. Kan men ons niet als all-round gereformeerde mensen aanvaarden, dan hebben wij daar geen taak en geen verantwoordelijkheid. Daar trekken wij zelfs geen ander jasje voor aan. Wij dienen onze kerk niet als vreemden, maar wij dienen haar naar haar gereformeerde karakter.
Dit doen wij als Gereformeerde Bond, dit doen wij gaarne met u, dit doen wij gaarne voor haar, omdat wij van en voor die kerk wat goeds geloven.
Het hoofdbestuur.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 juli 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 juli 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's