De Dordtse Leerregels
Hoofdstuk 5, artikel 8
Alzo verkrijgen zij dan dit, niet door hun verdiensten of krachten, maar uit de genadige barmhartigheid Gods, dat zij noch ganselijk van het geloof en de genade uitvallen, noch tot het einde toe in de val blijven en verloren gaan. Hetwelk, zoveel hen aangaat, niet alleen lichtelijk zou kunnen geschieden, maar ook ongetwijfeld geschieden zou. Doch ten aanzien van God kan het ganselijk niet geschieden, terwijl noch Zijn raad veranderd, noch Zijn belofte gebroken, noch de roeping van Zijn voornemen herroepen, noch de verdienste, voorbidding en bewaring van Christus krachteloos gemaakt, noch de verzegeling des Heiligen Geestes verijdeld of vernietigd kan worden.
Hoofdstuk V, artikel 8
Het gaat nog altijd over de volharding der gelovigen. Dat laatste woord gebruik ik ditmaal om er de nadruk op te leggen, dat de belijdenis der volharding niet betekent, dat er iets afgedaan wordt van de noodzakelijkheid van het geloof. Het is niet zo, dat de uitverkorenen toch wel volharden of zij geloven of niet. Integendeel, zij volharden in het geloof. Zijn het dan zulke geloofsgeweldenaars? Pas op, dat u dat niet denkt. Het geloof is geen godheid, heeft iemand gezegd, maar gave Gods.
Staat het vast, dat het ware geloof een blijvend goed is, een blijvende gave? Zo hebben de gereformeerde confessies het immer beleden. Het zijn immers niet alleen de leerregels, die van de Volharding getuigen. Neem maar de Catechismus. Hij neemt reeds in zondag 1 de volharding in de enige troost op. Het eigendom van Christus zijn wordt immers voorgesteld als een onbeperkte vertroosting.
Het geborgen zijn in Christus is een werkelijkheid, die een totaal en radicaal karakter draagt. Niet dat deze werkelijkheid er tenvolle reeds is, maar dit heil, deze volkomen zaligheid ligt vast in Jezus Christus en in de belofte van Zijn toekomst.
De Belofte.
Wat heeft God beloofd? Heeft Hij beloofd, dat alle mensen, alle verbondskinderen, alle besnedenen of gedoopten zalig zullen worden? Volstrekt niet. Wat dan wel? Kort gezegd: dat alle ware gelovigen zalig zullen worden. Daarvan zegt Johannes 3 : 36: Die in de Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven; maar die de Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem".
Het woord belofte komt menigmaal in de Schrift voor en dan is er in de regel mee bedoeld: Gods belofte. Het woord belofte betekent ook wel: et beloofde goed. We lezen in Hebr. 11:13: Deze allen zijn in het geloof gestorven, de beloften niet verkregen hebbende, maar hebben dezelve van verre gezien en geloofd en omhelsd, en hebben beleden, dat zij gasten en vreemdelingen op aarde waren". Als men bij de belofte alleen denkt aan de toezegging klopt het natuurlijk niet. Met belofte is hier dan ook bedoeld: het beloofde goed. Wat was er beloofd? De Messias en Zijn heil. De belofte daarvan hebben zij verkregen, maar het beloofde goed niet. Uit kracht van de belofte hebben zij iets van het beloofde zich kunnen voorstellen. Zij hebben het beloofde in hun hart omhelsd. In het geloof was het bij hen en hadden zij het in hun bezit. Deze belofte Gods is een absolute belofte. Daar zijn geen voorwaarden aan verbonden. Maar dit is niet altijd het geval. Er zijn ook voorwaardelijke beloften. Maar deze beloften dienen meest om de weg aan te wijzen, in welke het beloofde goed, het goed dat in de belofte begrepen is, kan verkregen worden. Wat is de inhoud van de belofte? De Christus Gods. Paulus sprak tot Agrippa: En nu sta ik en word geoordeeld over de hoop der belofte, die van God tot de vaderen geschied is. Tot dewelke onze twaalf geslachten, geduriglijk nacht en dag God dienende, verhopen te komen; over welke hoop ik, o koning Agrippa, van de joden wordt beschuldigd". De belofte is dus in zekere zin al vervuld. Met de (eerste) komst van Christus is zij tot vervulling gekomen. Maar dit is nog niet alles. De tweede komst brengt de uiteindelijke vervulling. Zo kan men de inhoud der belofte samenvatten in die éne Naam, die onder de hemel tot zaligheid gegeven is. Uit het zaad Davids „heeft God verwekt voor Israël, naar de belofte, de Zaligmaker Jezus" (Hand. 13 : 23). Voor ons persoonlijk is dus de belofte in beginsel vervuld, als wij in Christus door een waar geloof zijn ingelijfd. Christus is in alles de vervulling der belofte. Paulus sprak: En wij verkondigen u de belofte, die tot de vaderen geschied is, dat nl. God dezelve vervuld heeft aan ons, hun kinderen, als Hij Jezus verwekt heeft" (Hand. 13 : 32).
Wat geeft de Heere Jezus nu aan Zijn volk als onderpand van de verdere vervulling der belofte? De Heiland geeft de Heilige Geest. Petrus sprak over Jezus, die opgewekt was uit de doden: Hij dan, door de rechterhand Gods verhoogd zijnde, en de belofte des Heiligen Geestes ontvangen hebbende van de Vader, heeft dit uitgestort, wat gij nu ziet en hoort. (Hand. 2 : 33). Aan Christus is (de gave van) de Heilige Geest verbonden. De gelovigen ontvangen vergeving van zonden en de Heilige Geest.
Aan welke voorwaarde moeten de gelovigen voldoen? Wat is de verhouding tussen Wet en belofte? God eist in de Wet en belooft in de belofte; is daar samenhang tussen de eisende en de gevende wil Gods? Onder de joden was men van oordeel, dat de Heere Zijn beloften houdt. Zo stelt ook de Bijbel het. God is machtig te doen, wat Hij beloofd heeft. Desnoods maakt Hij doden levend en roept de dingen, die niet zijn alsof ze waren. De vervulling van de belofte hangt niet af van het menselijk gedrag, waaraan de joden de vervulling gebonden hadden. „Daarom is zij (de vervulling der belofte) uit het geloof, opdat zij naar genade zij; ten einde de belofte vast zij al den zade" (Rom. 4 : 16). De belofte wordt vervuld, omdat God het wil. Al de overtredingen der wet kunnen daarom de vervulling der belofte niet tegenhouden. Dat geldt voor de komst van de Zoon Gods in het vlees, voor de komst van Christus in het hart en voor de eeuwige zaligheid. De belofte is een testamentaire beschikking. Op een bepaald punt werkt de wet mee nl. in het stuk der voorbereiding. De mens, die zondigt moet door de wet leren van alle wetswerken af te zien om te komen tot het geloof, „opdat de belofte (het beloofde) uit het geloof van Jezus Christus aan de gelovigen zou gegeven worden". (Gal. 3 : 22). Het beloofde goed wordt niet verkregen door bepaalde daden, maar deze daden vloeien voort uit de beloften.
Als het over de belofte gaat, waarvan het Messiaanse heil de inhoud is, aan wie is deze belofte gedaan? Men kan zeggen: aan Abraham en zijn zaad. Maar dan geldt: „Die zijn niet allen Israël, die uit Israël zijn. Noch omdat zij Abrahams zaad zijn, zijn zij allen kinderen; maar: In Israël zal u het zaad genoemd worden. Dat is: niet de kinderen des vleses, die zijn kinderen Gods; maar de kinderen der beloftenis worden voor het zaad gerekend" (Rom. 9 : 6—8). Wie zijn de kinderen der belofte? Zij zijn te kennen aan de wedergeboorte en de inlijving in Christus. Paulus verstaat in Gal. 3:16 onder het zaad van Abraham de Christus. De Heiland is de eigenlijke erfgenaam der belofte, en hij bepaalt wie de mede-erfgenamen zijn. Dat zijn al de joden en de heidenen, die één met Christus zijn.
Wie de Christus aangedaan heeft, wie in Christus Jezus is, wie de Heiland toebehoort, die is het zaad van Abraham en naar de belofte een erfgenaam (Gal. 3 : 27—29). De inhoud der belofte wordt met verschillende woorden aangeduid. Soms heet dat beloofde goed een erfenis, vaak leven of gerechtigheid of Geest of kindschap. Doch hoeveel namen ook, het is altijd het ene messiaanse heil. Daarom kan men in Rom. 9 : 4 lezen, dat van Israël de beloftenissen zijn en in Efeze 3 : 6, dat de heidenen mededeelgenoten der belofte zijn. In Gal. 3 : 16 schrijft de Apostel: beloftenissen, maar in 't volgende vers beloftenis. Het is de ene Christus immers, in Wie alle beloftenissen ja en amen zijn. Hoe heeft de christen de vervulling? In de gave van de Heilige Geest, die met Christus verbindt, zoals Calvijn dat beschrijft in zijn derde Boek van de Institutie. Daarin delen ook de heidenen. Christus immers is een vloek geworden voor Zijn volk: Opdat de zegening van Abraham tot de heidenen komen zou in Christus Jezus en opdat wij de belofte des Geestes verkrijgen zouden door het geloof" (Gal. 3 : 14). De belofte des Geestes daar is de beloofde Heilige Geest mee bedoeld. Die belofte kan God niet verbreken. Het moge soms onmogelijk schijnen, dat zij nog vervuld wordt, maar Abraham heeft ondervonden, dat Gods beloften geschieden. „En alzo lankmoediglijk verwacht hebbende, heeft hij de belofte verkregen". (Hebr. 6 : 15) De belofte is dan ook door God bezworen (Hebr. 6 : 17).
Het merkwaardige is nu, dat de Heere Zijn volk niet de beloofde zaak in volkomen mate geeft, maar de belofte daarvan. Waarom geeft de Heere niet de zaak? Ik denk om ons wankele mensen aan Hem te binden door Wie alleen de beloofde zaak te krijgen is. Bij de doop begint God met een belofte te verzegelen. Als de mens door voorbereidend werk met de noodzakelijkheid van vergeving, verzoening, wedergeboorte, Gods gunst bekend gemaakt is, bemoedigt God hem met beloften. Dan gaat hij zoeken, de Heere nodig krijgen, acht slaan op de weg, waarin deze dingen te bekomen zijn. De belofte is een nuttige zaak om uit een mens te halen, wat erin zit. De Christen heeft de belofte, krijgt in dit leven een deel van de beloofde zaak en ziet nu uit met Abraham naar de verdere vervulling. Wat is de vrucht hiervan? Dat de gelovige een biddende en worstelende gestalte ontvangt. Wanneer iemand de beloofde zaak niet heeft, maar de noodzakelijkheid daarvan ziet, gaan de begeerten daarnaar uit. Dit maakt dat de christen menig smeekschrift voor de Heere neerlegt.
God wil ons leren leven uit de beloften. Maar een mens is zo, dat hij graag wil hebben en zien. Als iemand ernstig begint na te denken over zijn zaligheid en Goddelijke zaken, dan is hij geneigd om wonderlijke begrippen te maken aangaande overtuiging of het zien van Jezus of van de omgang met God. Comrie waarschuwt voor vleselijke gronden. Hij verhaalt van mensen, die vertellen, dat zij de elementen hebben zien branden, dat zij hels vuur gezien hebben, dat zij in zulke duisternis zijn geweest, dat ze niets konden onderscheiden; anderen, dat zij in hun kamer of onderweg, een engel of een gezicht gezien hebben; anderen dat zij een hoorbare stem gehoord hebben, die hun toeriep: w zonden zijn u vergeven, of dat zij Christus voor hun ogen gezien hebben met uitgebreide armen; anderen gewagen van wonderlijke verrukkingen en optrekkingen en dromen en wat dergelijks meer is. Comrie meent, dat de duivel hier de hand in kan hebben bij mensen, die zulke vleselijke gedachten van de natuur van het genadewerk hebben. Comrie heeft een persoon gekend, die Gods kinderen horende spreken over het zien van Jezus (hetwelk zij in een geestelijke zin verstonden) daaruit de gedachte kreeg, dat de kinderen Gods, als zij Jezus aannamen, een zichtbare verschijning van Jezus ontvangen, iets lichamelijks wel. Hij werd daardoor zeer bedroefd, want hij kende zo'n verschijning niet en meende nu, dat zijn geloof niets was. Hij had het er heel moeilijk mee, maar durfde niemand hier iets van te zeggen. Wel legde hij in vurige gebeden, om een verschijning, deze zaak de Heere voor, maar hij kreeg geen verhoring. Dit duurde totdat hij bepaald werd bij 2 Cor. 5 : 16: Indien wij ook Christus naar het vlees gekend hebben, nochtans kennen wij hem nu niet meer naar het vlees”.
Van hieruit deed God hem zien, dat er geen rechte aanneming van Jezus is, dan alleen in het woord der belofte. Dit werd bevestigd met de woorden uit 2 Petrus 1: „Wij hebben deze stem gehoord, als kij van de hemel gebracht is geweest, toen wij met Hem op de heilige berg waren: En wij hebben het profetisch woord, dat zeer vast is”.
Zo werd deze verlost van de gedachte, dat wij hier door vleselijke gezichten of door aanschouwing kunnen leven. De belofte is de hoop, die ons doet leven. Hoe krijgen wij de belofte en voor wie zijn de beloften onvoorwaardelijk? Dat is een volgende vraag.
L. Vroegindeweij
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 juli 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 juli 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's