De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De Generale Visitatie

Bekijk het origineel

De Generale Visitatie

over het functioneren van de vrouw in het ambt

7 minuten leestijd

Zeist, 1 juni 1966.

Aan de kerkeraden en predikanten.

De visitatoren-generaal nemen de vrijheid zich tot u te richten in verband met de moeilijkheden die zich in de Kerk voordoen ten aanzien van het functioneren van de vrouw in het ambt.

Het gaat in ons schrijven niet om het vraagstuk van de vrouw in het ambt als zodanig, maar om de wijze waarop wij na de gevallen beslissing met dit functioneren kerkelijk omgaan.

De beslissing is genomen door de generale synode en is haar zaak. De wijze, waarop we de gevallen beslissing hanteren en de moeilijkheden, die er uit voortvloeien oplossen, is mede een zaak van de visitatie. Wij kunnen vaststellen, dat in het overgrote deel der Kerk van moeilijkheden geen sprake is; men kent de vrouwelijke ambtsdragers en deze neemt volledig deel aan het leven en werken van kerkeraad en meerdere vergadering.

Er zijn anderen, die bezwaar hadden en hebben tegen de vrouw in het ambt op grond van de Heilige Schrift, maar die overtuigd zijn, dat zij hun plaats in de Nederlandse Hervormde Kerk volledig moeten blijven innemen, ook ten aanzien van de meerdere vergaderingen, wanneer daar vrouwelijke ambtsdragers tegenwoordig zijn. Zij menen, dat dat de juiste kerkelijke houding is, terwijl een andere kerkelijke houding gemakkelijk leidt tot een binnenkerkelijk doleren, dat onvruchtbaar is voor eigen groep en geestelijk nadelig voor de gehele Kerk. Er blijft echter een aantal ambtsdragers, die zich in geweten niet gerechtigd achten aan meerdere vergaderingen deel te nemen, wanneer vrouwelijke ambtsdragers tegenwoordig zijn. We staan dan voor de vraag, hoe wij kerkelijk hebben te verkeren met „bezwaarden".

Het is geoorloofd binnen de Kerk bezwaard te zijn. Uitdrukkingen als „het is niet sportief zich niet bij een gevallen meerderheidsbeslissing neer te leggen" kunnen in bepaalde situaties volkomen terecht gemaakt worden, maar passen allerminst in het kerkelijk gesprek met hen, die menen op grond van de Heilige Schrift een bepaalde beslissing als onschriftuurlijk te moeten beschouwen.

Welke houding moet men aannemen tegenover hen, die niet aan een meerdere vergadering deelnemen, wanneer er vrouwelijke ambtsdragers tegenwoordig zijn?

Natuurlijk heeft de classicale vergadering noch haar breed moderamen het recht de vrouwelijke ambtsdragers te weren, wanneer zij wettig door een kerkeraad is afgevaardigd.

Het zou denkbaar zijn, dat een breed moderamen van een classis de kerkeraden binnen dat ressort zou verzoeken geen vrouwelijke afgevaardigden te zenden. Ook de generale synode maande in 1958 tot grote voorzichtigheid gedurende de eerste jaren na de aanvaarding van het voorstel de vrouw tot de ambten van ouderling en diaken, en in bijzondere gevallen tot dat van dienaar des Woords, toe te laten.

Op den duur is deze voorzichtigheid echter niet te handhaven zonder te vervallen tot discriminatie van het ambt zelve, waarin ook de vrouw gesteld is.

Men zal vooral met de bezwaarden moeten spreken. In dat gesprek zal het niet moeten gaan over de vraag of het al of niet juist was de vrouw tot het ambt toe te laten, maar over de vraag hoe men in onze Kerk leeft met een beslissing, waardoor men zich bezwaard voelt.

Men zal in dit gesprek moeten wijzen op de ernst van het zich onttrekken aan de kerkelijke vergaderingen, waardoor men de eigen stem tot stilzwijgen brengt en geen invloed meer oefent op het leven en werken der Kerk in haar ambtelijke vergaderingen, waarin telkens vragen aan de orde komen en kunnen komen, die veel centraler tot het belijden der Kerk behoren dan de vraag van „de vrouw in het ambt". Ook daar waar iemand er niet toe kan komen als bezwaarde aan de kerkelijke vergadering deel te nemen, maar meent er zich aan te moeten onttrekken, zal men dit als een smartelijke zaak moeten blijven voelen. Deze smart zal men in de Kerk immers altijd moeten gevoelen, wanneer een beslissing moet vallen, waardoor een deel van de Kerk zich in het geweten bezwaard gevoelt.

Wij denken ook aan de plaatselijke gemeente, waar zich moeilijkheden in verband met de vrouwelijke ambtsdragers kunnen voordoen ten aanzien van predikanten uit een andere wijkgemeente binnen een centrale gemeente, in vacature-diensten, bij diensten, die gehouden worden om een bepaalde minderheid in een gemeente tegemoet te komen.

Wij kunnen u niet voor alle voorkomende gevallen feilloze richtlijnen geven.

Wij zouden u willen vragen niet al te snel de bezwaren wat geëergerd af te doen, maar ze zo ernstig te nemen als dat binnen de Kerk vereist is. Wij menen daarom, dat een kerkeraad die een bepaald deel der gemeente tegemoet wil komen en een predikant van een andere gemeente uitnodigt, deze uitnodiging „gericht" moet doen; men moet dan immers ook maken, dat de uitgenodigde kan komen. Natuurlijk heeft een uitgenodigde predikant niets te eisen; niet op grond van „eisen" zal men in zon dienst de vrouwelijke ambtsdrager uitschakelen. Daarmee zou men toch het ambt zelve discrimineren. De kerkeraad zal zelf echter in een zelfstandig overleg, waaraan de mannelijke en vrouwelijke ambtsdragers deelnemen, in koninklijke dienstvaardigheid de uitnodiging tot een werkelijke uitnodiging maken. Een uitnodiging, die voor een ander van tevoren al onaanvaardbaar is, niet uit onwil, maar op grond van de Heilige Schrift, is geen wezenlijke daad.

In die gemeenten, waarin slechts één ouderling van dienst in de consistoriekamer aanwezig is, ligt de oplossing het eenvoudigst. Het is mogelijk, dat men ook daar, waar de gehele kerkeraad steeds voor de dienst in de consistoriekamer aanwezig is, in zulk een bepaalde dienst volstaat met de aanwezigheid van één ouderling van dienst. Wel zal het nodig zijn, dat men èn aan de uitgenodigde predikant èn aan de eigen gemeente mededeelt, dat men zo niet handelt om tegen iets of iemand te demonstreren, maar vanuit de liefde, waarin men elkaar wil vasthouden, ook daar waar wij menen elkaar op een bepaald punt te moeten weerspreken.

Wij vertrouwen, dat het u duidelijk zal zijn hoe u moet handelen in gevallen, waarbij van geen uitnodiging sprake is, maar van een dienst doen volgens het rooster in een centrale gemeente of in de vacature-diensten. Bij alle verschil is er ook genoeg gelijksoortigs, waardoor men tot een verantwoorde beslissing kan komen.

In de Kerk moeten wij er ons voor hoeden, dat we wettisch met een gevallen beslissing omgaan. We zullen elke beslissing kerkelijk moeten hanteren. Dat zullen wij doen, wanneer wij denken aan wat Paulus in Romeinen 14 schrijf. Daar gaat het over de „sterken" en de „zwakken" in verband met het houden van bepaalde dagen en het eten van aan afgoden gewijd vlees. Het is niet onze bedoeling om de woorden „sterken" en „zwakken" toe te passen op de voor- en tegenstanders van de vrouw in het ambt. Beiden voelen zich n.l. de sterken en zien de anderen als de zwakken. Dat neemt niet weg, dat wij allen het woord van Paulus ter harte hebben te nemen, waarin hij de tegenstelling laat bestaan en tegelijkertijd integreert in de lof zegging: wie aan een bepaalde dag hecht, doet het om de Here, en wie eet, doet het om de Here, want hij dankt God; wie niet eet, laat het na om de Here, en ook hij dankt God.

Niet vanuit een wettisch hanteren van de tegenstellingen, maar vanuit het inzicht van Romeinen 14 : 6 zullen we niet in de frustratie van ons kerkelijk leven belanden, maar samen op weg blijven.

M. Groenenberg, praeses

W. L. Tukker, assessor

M. G. Rosbergen

L. de Geer, scriba.

Onderschrift:

Het leek ons goed deze brief van de Visitatoren-Generaal te publiceren in De Waarheidsvriend. Dan kunnen onze lezers kennis nemen van de visie van de Generale Visitatie op dit vraagstuk.

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 juli 1966

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

De Generale Visitatie

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 juli 1966

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's