DE D00PVRAGEN 10
Slot
We komen tot de derde, de laatste doopvraag.
Er staan met deze vraag een aantal bijkomstige kwesties in verband, waar we niet al te uitvoerig bij willen stilstaan.
De eerste is die van de aanwezigheid van de moeder bij de bediening van de Heilige Doop. Onze vaderen in de 16e en begin 17e eeuw zijn er inderdaad van uitgegaan, dat, als regel, de moeder hierbij niet present was. Zij lag nog in het kraambed. Zoals de vader als hoofd van het gezin de geboorte van het kind bij de burgerlijke gemeente aangeeft en daarbij handelt als hoofd van het gezin, zo neemt hij ook bij het Doopvont diezelfde plaats in. Men kan zich daarbij beroepen op het feit, dat God Zijn verbond oprichtte met Abraham en zijn zaad. Zo spreekt de Schrift en in navolging van dit Schriftuurlijk spraakgebruik, spreken wij niet van het verbond met Abraham en Sara. Maar alleen de naam van Abraham wordt genoemd in deze verbondsbetrekking.
Men kan ook niet zeggen, dat het presenteren van het kind door de vader alleen beslist onbijbels zou zijn. Toen op de provinciale synode van Dordrecht in 1574 het verlangen besproken werd de Doop uit te stellen tot de tijd, waarop ook de moeder aanwezig kon zijn, bleek de Synode dit verlangen geen wettige reden tot uitstel te achten.
Wel wilde men wachten tot de zondag na de geboorte en niet dopen op de geboortedag, zoals in de voor-reformatorische tijd gebeurde. Men hield terecht vast aan de gedachte, dat dit Sacrament in het midden der gemeente moest worden bediend. Het kind behoort immers ook tot deze gemeente en daar, in het midden der gemeente komt God de Here met de dienst van Zijn Woord en Sacrament. Maar verder is men zeer beducht voor uitstel.
We moeten ons indenken, dat vooreerst velen dreigden te worden beïnvloed door de Wederdopers, die de rechtmatigheid van de kinderdoop betwistten. Verder stond het uitstellen vaak in verband met de noodzakelijkheid om eerst eens flink te sparen eer men het kostbare doopmaal kon bekostigen.
Veel van deze argumenten is nu vervallen. En al zal het goed zijn steeds te waarschuwen tegen onnodig uitstel, daar dit allerminst getuigt van een hoge waardering voor hetgeen God schenkt in dit teken en zegel van Zijn verbond, toch lijkt ons de aanwezigheid van de moeder gewenst, al is de vader het hoofd van het gezin, het is niet zo, dat de Doop buiten de moeder omgaat. Juist als we liever van gezinsdoop spreken dan van kinderdoop, is het duidelijk, dat het zichtbare Sacrament bestemd is om het geloof óók van de moeder te sterken door de beloften van het verbond ook aan haar te bezegelen.
We menen, dat dr. Kuyper en de zijnen op een geforceerde manier de argumenten uit de Reformatietijd hebben gehanteerd.
Over de aanwezigheid van getuigen hebben we al geschreven. Het aantal getuigen werd vroeger vaak opgevoerd ter wille van de cadeaus, die ze, als contra-prestatie voor de bewezen „eer", aanbrachten. Het waren vaak mannen en vrouwen, die allesbehalve geschikt waren een goede invloed uit te oefenen op de opvoeding in de leer der godzaligheid. Het kwam wel voor, dat men kinderen van acht of negen jaar als getuigen liet dienstdoen!
Genoeg hierover. We kennen nu getuigen alleen bij uitzonderingssituaties, in verband met de dood van de ouders en zullen dan met de meeste nauwgezetheid hebben toe te zien, wie de belofte omtrent de opvoeding van het kind voor Gods aangezicht gaat afleggen.
Want in de derde vraag gaat het inderdaad om een belofte, die van 's mensen kant gedaan wordt.
Ik hoop, dat in de loop van deze bespreking wel voldoende duidelijk is geworden, dat het in de eerste plaats gaat om de belofte van God. God is altijd en overal de Eerste en vooral in het verbond der genade. Onze beloften zouden totaal geen voedingsbodem en daarom ook geen levenskracht kunnen hebben, wanneer niet God de Here met de rijkdom van de souvereine beloften van Zijn heil vooropging.
Want de belofte, die hier van de ouders gevraagd wordt, grijpt diep in. Het betreft niet alleen een wennen van het kind aan een aantal gedragsregels (bidden en danken, stil zijn en luisteren, naar de kerk, naar de christelijke school en de zondagsschool gaan), al willen we de grote waarde van de gewenning en van de weg der middelen natuurlijk allerminst aantasten.
Maar de „leer der zaligheid", waarin de ouders htm kinderen beloven te onderwijzen en te doen onderwijzen, is de openbaring van hetgeen de levende God in Zijn opzoekende zondaarsliefde wil bekend maken aan kinderen, die wel verbondskinderen zijn, maar in zichzelf toch niet anders dan verloren Adamskinderen. Die „leer der zaligheid" is er een van een hoog geestelijk gehalte. Het in aanraking brengen van „de kinderen des Koninkrijks" met de aard en de betekenis van dat Koninkrijk is een zaak, die een teerheid en een wijsheid vereist, die wij van onszelf niet bezitten. Het is van belang, dat onze kinderen de Bijbelboeken kunnen opzeggen, opdat zij zich gemakkelijker in de Bijbel kunnen oriënteren. Maar belangrijker is de opvoeding in de vreze des Heren door een vervullen van het kinderhart met diep ontzag voor de hoogheid Gods gepaard aan een kinderlijk vertrouwen op de Hoorder der gebeden. Die hen in Zijn Naam heeft laten dopen.
Het gaat van meet af aan om het kennen van zonde en genade, niet alleen als paragrafen uit het leerboek der kerk, maar als realiteiten in de verhouding tot God. Het gaat wel om kennis, maar dan om „levende" kennis. Het gaat om het Woord, maar dan zó, dat in dat Woord Iemand spreekt. Die meent wat Hij zegt. Anders dreigt het grote gevaar, dat louter verstandelijke kennis, de heilgeheimen Gods met een zekere technische bekwaamheid leert hanteren, maar zon der besef van de goudswaarde der dingen, waarmee men omgaat.
Laten we daarbij niet onderschatten de waarde van de indrukken, die in de prille jeugd worden ontvangen. De geur van 't eerste nat blijft 't langst in 't verse vat.
Ook boven de derde vraag staat het Woord van de Here Jezus Christus: „laat de kinderkens tot Mij komen en verhindert ze niet, want derzulken is het Koninkrijk der hemelen".
Dat het de ouders ernst is met de aanvaarding van dit woord, moet blijken uit de wijze waarop zij de opvoeding beoefenen.
Daarbij zal de hulp van de school (eventueel ook van de zondagsschool) en niet minder het onderricht van de kerk onontbeerlijk zijn.
Maar dit gemeenschappelijke leiden en begeleiden van het opgroeiende kinderleven blijft een zaak van grote tederheid en heilige ernst. Daar komen geen snauw en geen grauw, geen wettisch Spaans rietje aan te pas, maar wel het bewustzijn, dat het gaat om de eer van God in dit leven en het behouden worden of verloren gaan van dit kinderleven.
Wanneer we voor deze taak staan. vragen we onszelf af: wie is tot deze dingen bekwaam? Dan kan deze belofte alleen worden afgelegd in het bewustzijn, dat wat bij de mensen onmogelijk is, mogelijk is bij God.
Hij alleen geeft wijsheid dengene, wien wijsheid ontbreekt. Hij alleen geeft in Zijn eigen genadeverbond de voorwaarden, waaronder iets van deze opvoeding, onder Zijn zegen, kan verwezenlijkt worden.
Ouder geworden zullen we er ons van bewust zijn, hoe enorm we te kort kwamen in deze heilige en verantwoordelijke roeping. En hoezeer we verantwoordelijke verbondspartners zijn in de kring van het gezinsleven, we zullen er toch van doordrongen zijn, dat wanneer de opvoeding enige geestelijke vrucht mocht dragen in het komende geslacht, dit niet aan ons te danken is, maar aan Hem, uit Wien, door Wien en tot Wien alle dingen zijn.
Willen we zelfvoldaanheid enerzijds en wanhoop anderzijds ontgaan, dan zal het zaak zijn de derde vraag in direct levensverband te houden met het geheel van de bediening van het verbond van Gods genade.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 juli 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 juli 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's