De Dordtse Leerregels
Hoofdstuk V, artikel 8
Alzo verkrijgen zij dan dit, niet door hun verdiensten of krachten, maar uit de genadige barmhartigheid Gods, dat zij noch ganselijk van het geloof en de genade uitvallen, noch tot het einde toe in de val blijven en verloren gaan.
Hetwelk, zoveel hen aangaat, niet alleen lichtelijk zou kunnen geschieden, maar ook ongetwijfeld geschieden zou.
Doch ten aanzien van God kan het ganselijk niet geschieden, terwijl noch Zijn raad veranderd, noch Zijn belofte gebroken, noch de roeping van Zijn voornemen herroepen, noch de verdienste, voorbidding en bewaring van Christus krachteloos gemaakt, noch de verzegeling des Heiligen Geestes verijdeld of vernietigd kan worden.
De Belofte.
De vromen van het Oude Testament hebben geleefd uit de belofte. Dat begon met Adam en Eva, en dat ging voort met allen. Noach heeft geloofd dat God hem in de ark zou bewaren en daarom heeft hij de ark gebouwd. Daar zijn beloften Gods. Zij gelden voor Zijn kinderen, voor de gelovigen. Zij zijn onverbrekelijk en onvoorwaardelijk. Hun bron is de vrije goedheid Gods. De Heere geeft Zijn beloften nl. niet, om iets van de mens te belonen. „Ik, Ik ben het. Die uw overtredingen uitdelg om Mijnentwil en Ik gedenk uwer zonden niet". (Jes. 43 : 25). Die beloften zijn ook vast, omdat zij de vrucht zijn van eeuwige wijsheid. Het zijn de gewisse weldadi^eden Davids. Dit te overwegen is van grote betekenis voor ieder, die door de enge poort op de nauwe weg is gekomen. Velen immers zeggen: mijn bekering en bevinding kunnen onmogelijk waar zijn, want ik ben schandelijk ontrouw aan God. Had de Heere zulks tevoren geweten, bij wijze van spreken. Hij zou nooit enig goed ding aan mij geschonken hebben. Daarop mag men antwoorden, dat de Heere van eeuwigheid geweten heeft, hoe Zijn volk wezen zou en dat dit Hem van Zijn liefdesvoornemen niet heeft kunnen afbrengen.
Elke belofte in de Bijbel, bestemd voor Gods kinderen, is een plechtige bekendmaking van Godswege, waarin de Heere zegt: dit en dat wil Ik doen aan een arm en ellendig volk tot verheerlijking van mijn eigen Naam.
Door de beloften is de Bijbel voor Gods volk een schathuis. Het komt er maar op aan, dat zij de sleutel mogen gebruiken en dat de Heere hen ogen geeft om de belofte te zien. Maar de andere kant is, dat de Heere graag wil, dat Zijn volk vrijmoedig vraagt om het beloofde goed.
Voorwaardelijke beloften.
Daar zijn echter, naast de absolute, onvoorwaardelijke beloften, ook conditionele, voorwaardelijke. Comrie omschrijft de laatste als een bekendmaking van de wil Gods, waarin Hij openbaart, dat het Zijn goddelijk voornemen is, aan elk, in wie deze en die hoedanigheden, gestalten en werkzaamheden in oprechtheid bevonden worden. Zijn tijdelijke, geestelijke en eeuwige zegeningen te schenken, uit Zijn loutere onverdiende genade en barmhartigheid. We lezen in Exodus 19 : 5 : „Nu dan, indien gij naarstiglijk Mijner stem zult gehoorzamen en Mijn verbond houden, zo zult gij Mijn eigendom zijn uit alle volken, want de ganse aarde is Mijn”.
Hier is duidelijk een voorwaarde. Psalm 106 : 3: Welgelukzalig zijn zij, die het recht onderhouden, die te aller tijd gerechtigheid doet". Geestelijke voorwaardelijke beloften zijn er veel. De Heere Jezus sprak: Bidt en u zal gegeven worden; zoekt, en gij zult vinden; klopt, en u zal opengedaan worden. Want een iegelijk, die bidt, die ontvangt en die zoekt, die vindt; en die klopt, dien zal opengedaan worden" (Lukas 11 : 9, 10). De beloften zijn ruim. Hoe zou het komen dat velen weinig ontvangen? Dat kon wel eens hieraan liggen, dat zij niet geestelijk ernstig roepen, worstelen en aanhouden bij God. De Heere heeft immers tot het huis van Jacob niet gezegd: oek Mij tevergeefs.
Wat is nu Gods doel met het geven van voorwaardelijke beloften? Is het de bedoeling, dat wij mensen door het vervullen der voorwaarden de zaligheid verdienen? Volstrekt niet. Het ware bidden en worstelen wordt door de Geest gewerkt evenals het ware hongeren en dorsten en arm zijn, waaraan de zaligheid verbonden is. De Heere stelt hiermee ook de orde der zaken vast. Het vinden is niet het eerste, maar het zoeken. Daarmee is het vinden veroordeeld van ieder, die geen zoeken heeft gekend. Er zijn zeer veel kerkmensen, die roemen in Christus, zonder Hem ooit als een hongerige en dorstige naar genade, te hebben gezocht. Ieder oprechte krijgt door deze voorwaardelijke beloften de ware kenmerken te zien. Het is een grote zaak als een mens biddende, zoekende, kloppende, hongerig, arm en treurend mag wezen. De Heere Jezus acht het echter een kwade zaak als wij niet weten, dat wij arm zijn en blind en naakt en ellendig en jammerlijk.
Hoe veel moet men gezocht hebben, om van het vinden verzekerd te mogen zijn? Hoe groot moet de droeflieid zijn, om als een treurende zalig gesproken te kunnen worden? Sommigen zeggen: ik durf niet te ontkennen, dat ik een innerlijke droefheid meedraag, maar wie kan mij zeggen of het uit een ware grond voortkomt, of het diep genoeg gaat en of mijn hart nu wel echt verbroken is. Het merkwaardige is, dat in deze bekommering, als zij echt is, een schoon kenmerk ligt van echte genade. De echte gelovige kan men hieraan kennen, dat hij met alle bevindingen kleiner wordt en bekommerder. Maar hoe moet de maat zijn? Zodanig, dat het u nooit genoeg is en dat ge er nooit tevreden over zijt: dan is de maat volkomen voldoende.
Absolute beloften.
Deze zijn voor de gelovigen, voor Gods volk. De Heere openbaart daarin, dat Hij aan Zijn volk, naar dat gebrek en omstandigheden het vereisen, alle tijdelijke en geestelijke en eeuwige zegeningen schenken wil, zonder enige gedachte aan hun hoedanigheden, gestalten of werkzaamheden als een vereiste zaak. De Heere maakt deze beloften waar uit vrije genade.
Van al Gods volk staat geschreven, dat hun brood zeker zal zijn en hun water gewis (Jes. 33 : 16). Voorts zijn er vele geestelijke beloften gedaan. Daarin worden geestelijke goederen zonder enige voorwaarde beloofd. Daar staat in Jeremia 50 : 20: In die dagen en te dier tijd, spreekt de Heere, zal Israëls ongerechtigheid gezocht worden, maar zij zal er niet zijn, en de zonden van Juda, maar zij zullen niet gevonden worden; want Ik zal ze diengenen vergeven, die Ik zal doen overblijven”.
Dat is allemaal onvoorwaardelijk. Ook dit: Hoor naar Mij, o huis van Jacob en het ganse overblijfsel van het huis Israëls, die van Mij gedragen zijt van de buik aan, en opgenomen van de baarmoeder af. En tot de ouderdom toe zal Ik Dezelfde zijn, ja tot de grijsheid toe zal Ik ulieden dragen; Ik heb het gedaan, en Ik zal u opnemen, en Ik zal dragen en redden". (Jesaja 46 : 3, 4). Voor de eeuwigheid zijn er dingen beloofd, die niemand uitspreken kan.
Uit de absolute beloften kan men zien, dat God alles wat hij soms als voorwaarde en plicht voorstelt, zelf geeft. Er staat geschreven: Welgelukzalig is de mens, die geduriglijk vreest". (Spreuken 28 : 14). En ook: Hij zij uw vreze en Hij zij uw verschrikking". Maar beide zijn te vinden in de volstrekte belofte: Ik zal hen enerlei hart en enerlei weg geven, om Mij te vrezen" (Jer. 32 : 39).
Hoe gaat het nu met deze beloften? Is hier voor de gelovige niets aan te doen? Gaat dit alles, vervulling en voltooiing van Gods belofte en werk automatisch? Volstrekt niet. Of moeten wij zo maar lukraak om de vervulling van elke belofte bidden? Natuurlijk niet, wie gezond is, moet niet om genezing gaan bidden. De eerste vraag om een recht gebruik van Gods beloften te maken is voor een gelovige deze: Heeft de belofte, die mijn aandacht trekt, een bepaald goed in zich, dat ik mis en toch niet missen kan. Een tweede zaak is: Spreekt deze belofte mij aan? Is het lezen of horen er van met geloof gemengd? Is dit zo dan is de vraag: Zou God aan iemand als ik ben deze belofte willen vervullen? Dat zal niet kunnen om iets van ons, maar u moet er op letten, dat de Almachtige aan de vervulling Zijn trouw, waarheid en almacht verpand heeft.
Wat is echter de voornaamste grond voor de gelovige, om vervulling te verwachten? Wij hebben alles verbeurd, maar de beloften zijn immers in Christus ja en amen. Dus niet in ons. De beloften komen tot Gods kinderen door Jezus als het Verbondshoofd. Vertrouw daarop.
Worden beloften bij het eerste gebed vervuld? Daar moeten we niet op rekenen. De Heere weet, wat goed voor ons is. Wij moeten kunnen wachten. De Heere geeft, wat Zijn kinderen van Hem vragen, als het goed voor hen is. Als het niet goed voor hen is, krijgen zij iets, dat beter is. Maar zij moeten willen wachten.
Voor de vervulling der belofte en voor de toepassing daarvan is het werk van de Heilige Geest onmisbaar. Dat werk des Geestes is vaak einders dan wij denken. Ik zeg nog eens, dat Gods beloften zeker vervuld worden. Maar de weg waarin de Heere ze vervult, gaat menigmaal tegen ons vlees in. Abraham, bij wijze van voorbeeld, had de belofte, dat hij tot een groot volk zou gemaakt worden. Maar dat gebeurde in een weg, waarin de onvruchtbaarheid van Sara steeds duidelijker uitkwam. De Geest pleegt vaker de mens zijn armoe te doen gevoelen. Wees daarover niet verschrikt. Als God ontledigende wegen met ons gaat, bedoelt Hij vaak niet anders dan ons te maken arm en klein en zo voor de vervulling van een belofte vatbaar.
Maar de orde is ook hier zo, dat er eerst een groot verlangen is en daarna de vervulling. Anders zou de gave Gods de mens onopgemerkt voorbijgaan. Dus maakt de Geest de mens uitziende en verlangende naar het heil des Heeren,
Beloften alleen voor bekeerden?
Die belofte van het heil in Christus en alle beloften, die hier mee samenhangen kunnen niet gebroken worden. Wat de Heere beloofd heeft, doet Hij ook. Wij mogen er dus voor de eeuwige toekomst en voor de dagelijkse lichamelijke en geestelijke noden mee werkzaam zijn. Hijzelf heeft immers gezegd: Bergen zullen wijken en heuvelen zullen wankelen, maar Mijn goedertierenheid zal van u niet wijken en het verbond Mijns vredes zal niet wankelen". (Jesaja 54 : 10).
Het is goed, dat men het onderscheid tussen voorwaardelijke en onvoorwaardelijke beloften niet vergete. De voorwaardelijke zijn gedaan aan allen, die het evangelie gehoord hebben. De Heere Jezus roept door de prediking allen toe: Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven". Het komen is hier voorwaarde. De vermoeidheid niet, maar hoe zal iemand, die niet vermoeid is, naar rust verlangen. Hij heeft rust. De voorwaardelijke belofte komt dus tot alle mensen: een iegelijk, die bidt, die ontvangt". Hier is niemand van uitgesloten. De absolute belofte is alleen voor de gelovigen, de bekeerden, de wedergeborenen, de schapen. „Mijn schapen horen Mijne stem en Ik ken dezelve, en zij volgen Mij. En Ik geef hun het eeuwige leven; en zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid, en niemand zal dezelve uit Mijn hand rukken". Deze belofte betreft alle schapen, alle gelovigen, alle bekeerden. Omgekeerd, heeft een wolf of een onbekeerde geen enkele absolute belofte. Voor een onbekeerde, zegt Brakel, zijn geen beloften in de Bijbel. Wel voorwaardelijke, geen absolute. De gelovigen alleen zijn erfgenamen der beloftenis. Alle goederen des genadeverbonds zijn voor hen, die zullen zeker aan hen gegeven worden. Laat dus geen onbekeerde denken, dat het met hem wel goed staat, als hij maar gelooft, dat God hem alles geven zal. Daar staat niet in Ezechiël 33 : 11, dat God lust heeft in geloof zonder bekering, doch er staat, dat God juist in bekering lust heeft. Tot de rijke jongeling is niet gezegd: geloof maar en neem maar aan", doch: doe alles weg". Tot Nicodemus is niet gezegd: Gij moet door het geloof zalig worden"; maar: Gijlieden moet wederom geboren worden”.
Maar die de Zoon door een waar geloof is ingelijfd, voor hem zijn alle beloofde goederen. Deze belofte kan voor hem niet gebroken worden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 juli 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 juli 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's