De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Pniël (I)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Pniël (I)

9 minuten leestijd

„En Jakob noemde de naam van die plaats Pniël". Gen. 32 vs. 30a.

De zomermaanden zijn maanden om te reizen. De meeste mensen zoeken het steeds verder van huis; en als men verre reizen doet, dan kan men veel verhalen. Thuis gekomen halen wij de herinneringen nog eens op, wisselen de ervaringen met elkaar uit, en vertellen bijzondere voorvallen in geuren en kleuren. Het hoort bij de vakantievreugde, dat we van tevoren de plannen klaarmaken, en later de reis bepraten met ieder die er maar naar luisteren wil. Doen we het erg nauwkeurig, dan komt de kaart er al spoedig aan te pas: Deze stad, dat dorp, die route. We doen het in gedachten nog eens over, en nemen anderen even mee.

Nu kijken wij vandaag over Jakobs schouder op de landkaart van Palestina. Hij legt zijn vinger bij een plaatsnaam: Pniël. Is dat een belangrijke of zelfs maar een bekende stad? Nee, dat niet bepaald, al wordt Pniël in het boek Richteren nog een keer genoemd. Kijk, hier stroomde de Jabbok, een oostelijke zijrivier van de Jordaan. Aan de overzijde strekt zich het land Kanaän uit. Misschien zegt ons dit iets; Jakob had de grenzen van Kanaän bereikt. Hij keerde immers na een lange reis terug naar huis.

Daar, aan de grens moet hij zijn papieren tonen; zij staan op de naam Jakob. Daar moet hij de kosten overrekenen van zijn terugkeer. Pniël is een grenspost. Er wordt naar zijn naam gevraagd, iemand kijkt zijn paspoort in: Jakob. Hij fronst de wenkbrauwen: geen fraaie naam. De naam heeft de klank van bedrieger. Jakob bedroog zijn vader Izaak en zijn broer Ezau. Zeker, de bedrieger werd op zijn beurt door Laban bedrogen, maar dat neemt de schuld niet weg. Er staan bezwarende aantekeningen op het paspoort, het verleden spreekt mee. Jakob wordt aan de tand gevoeld. Opsporing en aanhouding verzocht van... O wee, dat ziet er niet mooi uit.

U kent dat: Pascontrole bij de grenspost. Hoe is uw naam? In dit geval stelt God de vraag; Hij bemoeit er zich persoonlijk mee. Dat is Pniël; Ik heb God gezien, zo maar recht tegenover mij, van aangezicht tot aangezicht. Weet u Pniël te liggen? Hoe ging het in uw leven. Het liep u mee, het liep u tegen en soms liep het u uit de hand. Maar liep u ooit tegen de lamp? Het felle licht van Gods alwetendheid flitst aan over uw verleden, uw naam werd afgeroepen: Bedrieger. Dacht u God en mensen om de tuin te kunnen leiden en toch vrijuit te gaan? Als u dit leest, vraagt de Heere inzage van uw levenspapieren. Zijn ze in orde? Had u daarop niet gerekend, toen u dit blad openvouwde? 't Zou er mij toch maar rekenschap van geven; plotseling kunt u aan de grens van de eeuwigheid staan, en wat dan?

Wie Jakob zegt, zegt Ezau. Jakob denkt aan zijn broer, hij heeft trouwens vernomen, dat Ezau hem met vierhonderd man tegemoet trekt. Dat belooft niet veel goeds. Pniël ligt tussen verleden en toekomst, en ook de toekomst is niet rooskleurig. Ezau is nog wraakzuchtig, hij zal Jakob de terugkeer beletten. En Jakob is kwetsbaarder dan ooit, met zijn vrouwen en kinderen, zijn vee en zijn have. Hoe zal hij Ezau verzoenen? Hij doet er zijn uiterste best voor, maar zal het hem gelukken?

Bij de grenspost worden zijn bange vermoedens tot zekerheid: Ezau wacht hem op! Jakob was goedsmoeds op weg gegaan naar de tent van zijn vader, naar het land van zijn jeugd. Nu zinkt hem de moed in de schoenen, Ezau staat levensgroot voor hem. Verleden en toekomst spannen tegen hem samen, dreigen hem te verpletteren onder hun loodzware gewicht. Hij moet boeten voor wat er is gebeurd; met een geschenk? Met een gevecht? Een gevecht op leven en dood? Wat kan de toekomst ineens beangstigend naar ons toe komen; er is geen ontwijken aan.

Zo wordt Pniël in Jakobs leven een dieptepunt. Want Jakob loopt vast, zo vast als een muur. Tot nu toe vond hij altijd een uitweg, hij redde het, soms ternauwernood, maar hij redde het. Nu kan hij vooruit noch achteruit, hij zit volkomen klem. In deze nood roept hij tot de Heere, de God van zijn vaderen. Hij pleit op het woord des Heeren: Gij hebt toch gezegd: Keer terug naar uw land en Ik zal u weldoen. Red mij toch uit de hand van mijn broeder. Er valt niets op zo'n gebed aan te merken, of het moest zijn, dat Jakob zijn naam vergeet! Hij roert de schuld niet aan en daarom vindt hij geen rust. Wie doét dat nooit, over de schuld heen bidden? Wie komt er eerlijk voor uit: Ik heet Jakob, ik heb al uw weldaden dubbel en dwars verbeurd. Zou daar de oorzaak niet liggen van veel onvrede? Wij kunnen wel amen zeggen, maar waar en zeker wordt de verhoring pas, als we van ons hart geen moordkuil maken. Wanneer we onze nood en ellendigheid recht kennen, leert ons de catechismus. Vergeef ons onze schulden! Dat hoort bij een gebed dat God behaagt en van Hem verhoord wordt.

De nacht valt nu snel over het veld en over de beek. Jakob brengt zijn vrouwen en kinderen aan de overzijde, zelf blijft hij aan deze zijde, alleen, volstrekt alleen. Zou hij ooit zo eenzaam geweest zijn als in deze nacht? Was de nacht ooit zo donker, om hem heen? Alleen met zijn verleden en met zijn toekomst; met zo'n toekomst.

Sluipen de zonden en de zorgen hier in Pniël nu naar hem toe? En wie doemt daar op uit het diepe duister van de nacht? Is het Ezau? Is het iemand anders? Het is Iemand anders: Ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht. God verschijnt aan hem in mensengedaante; niet als een toeschouwer, die eens poolshoogte komt nemen maar als een tegenstander, die orde op zaken stelt. Dat had Jakob allerminst verwacht; Hij had God immers tot medestander, tot bondgenoot? Denk maar aan Bethel, waar de Heere zich aan hem openbaarde. Hij had hem er onlangs nog aan herinnerd. En Jakob kon op de Heere rekenen, vandaar zijn gebed gisteravond, vol verwachting, vol vertrouwen. Hoe heeft hij het nu?

Er is echter geen twijfel mogelijk. Het gevecht is meteen aan de gang en neemt in hevigheid toe. Jakob en deze Man worstelen met elkaar, hun lichamen verstrengelen zich in de strijd. Pniël, een Gods ontmoeting. Welk een ontmoeting. God neemt Jakob geducht onder handen. Hoe had deze gepoogd zijn broeder uit handen te blijven, en zie daar, onverhoeds valt hij God in handen. Het is vreselijk te vallen in de handen van de levende God. Niet de God waarmee wij spelen kunnen als met een pop en aan wie wij onze handen vol hebben. Maar de levende God, in wiens handen wij zijn als was, dat smelt voor het vuur.

Pniël. Hier kan Jakob het niet winnen en wie het niet kan winnen heeft het eigenlijk al verloren. Er verstrijkt enige tijd, dan vlijmt de pijn door Jakobs lichaam: zijn heup werd ontwricht. Hij is gebroken in zijn kracht; met een handomdraai werd hij buiten gevecht gesteld. Hij lijdt niet alleen de nederlaag, hij kan zich nauwelijks meer overeind houden. Hij vreest het leven er bij te zullen inschieten. Als hij de naam Pniël verklaart, trilt er nog een grote ontsteltenis in zijn woorden: Ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht en...

Begrijpt u nu, dat Pniël het dieptepunt in Jakobs. leven betekent? Hij had de kaart geraadpleegd, de weg uitgestippeld. Langs Pniël zou hij trekken. Toen kwam dit oponthoud! Geen tegenspoed is te vergelijken met deze tegenstander. Ezau verdwijnt in het niet, wanneer God verschijnt en Jakob Hem aanschouwt, van aangezicht tot aangezicht. Dat is om te besterven; eigenlijk gaat Jakob hier sterven. Hij komt aan het eind van zijn wegen. Zeker, de Heere wilde hem op de wegen ontmoeten, bemoedigen zelfs; maar de Heere kon ze niet goedkeuren. En Jakob die ervan uitging, dat God met hem was, moet hier ontdekken, dat God zich tegenover hem stelt.

In Pniël worden de rollen omgekeerd, daar gaat God de teugels in handen nemen. Wie kan het tegen Hem volhouden? U en ik, wij kunnen ons niet rechtvaardigen, als de Heere onderzoek doet naar onze overtredingen. Daarom trachten wij Hem te ontlopen, als Hij ons wat te na komt. De levende God, die zoeken wij niet, die zoekt ons. En Zijn zoeken wordt in Pniël een bezoeken; een afrekenen met iemand die niets heeft om zijn schuld te betalen. Wie zou daarnaar verlangen? Niemand immers. Onze godsdienst — had u er ooit erg in — dient vaak als een hulpmiddel, om de levende God te ontlopen. Wij dienen Hem toch, wij eren Hem toch. Wat wil Hij nog meer? Hij nog meer, mijn lezer. Hij wil u een nieuwe naam geven! Daarom pakt Hij deze en gene hardhandig aan. Wij vleien ons met de gedachte, dat wij van God niets te duchten hebben. Het wordt ons van bevoegde en betrouwbare zijde verzekerd: Hij kan geen kwaad. Maar in Pniël worden wij genoodzaakt deze mening te herzien. Doet het heden nog, vergist u niet in Hem, Hij is de Levende.

Wij spannen God zo graag voor ons eigen karretje, vooral als we vastraken in de modder van moeite en nood. Ondertussen rijden we verder in ons eigen spoor, en spannen we Hem straks uit: het gaat weer. Maar dat kan op de duur en uit ter aard niet: God voor ons karretje spannen, terwijl dat in ons eigen spoor verder rijdt. Dat moet Jakob leren hier in Pniël. God houdt hem staande. Ik heb God gezien. Wat wist ik van God? Ik had met Hem onderhandeld; ik had gebeden en gedankt: ik had heel wat uitreddingen ervaren, ik kon daar lange verhalen van vertellen. Maar in Pniël kwam ik erachter met welke God ik al deze tijd van doen had. En die al die tijd met mij van doen wilde hebben, dat ook, o wonder van genade. Toen ik Hem in het oog kreeg, werd ik verschrikt. Ik moest het opgeven, het was verloren! Dat is het dieptepunt, mijn lezer, daar waar wij het verloren geven ... om het te winnen. Dat moet echter wachten tot de volgende week.

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 juli 1966

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Pniël (I)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 juli 1966

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's