KRONIEK
Om te beginnen zie ik me, genoopt terug te komen op de inhoud van de vorige kroniek. Onder het kopje “Geen God en geen meester” besprak ik tendensen, die afbreuk deden aan gezag en aan de voor ons zo unieke bron van het gezag nl. Gods Woord. Ik kon daarbij niet stilzwijgend voorbijgaan aan het geschrift „Klare Wijn", samengesteld door een Synodale commissie voor het vraagstuk van de Heilige Schrift.
Hierop kwam een reactie binnen mede namens prof. Jonker van de kant van ds. Meijers van Ermelo, die naar ik begreep én niet wist evenals prof. Jonker deel uitmaakt van bovengenoemde commissie. Ds. Meiers heeft bezwaren tegen de „wijze waarop" en „het verband waarin" de vorige kroniek het geschrift „Klare Wijn" aan de orde stelde. De wijze waarop betreft de magere informaties, die de kroniekschrijver ten dienste stonden.
In de samenhang, zo betoogt ds. Meijers, wordt verder gehandeld over de ontkenning van het leerstuk van 's mensen verdorvenheid, over allerlei aanslagen tegen Gods Woord, over tijdgebondenheid, toelating vrouw in het ambt, ja zelfs het accepteren van homoseksualiteit, loochening van maagdelijke geboorte en opstanding.
De kroniekschrijver heeft op deze wijze het bij voorbaat onmogelijk gemaakt om het te verwachten geschrift op eigen kwaliteiten te toetsen. De lezers van „De Waarheidsvriend" hebben recht op een onbevooroordeelde voorlichting. Op dit punt is de kroniekschrijver ontspoord. Tenslotte: „Pas wanneer de gemeente weet wat er aan de orde is kan alles op zijn eigen bijbels gehalte worden getoetst. Woord en wederwoord komen dan op hun plaats te staan, in gebondenheid aan de bijbel zelf, en gesteund door de kennis van de feiten”.
Wat deze laatste volzin betreft is natuurlijk dat juist de kardinale vraag, waar alles om draait: Wat is die gebondenheid aan de Bijbel? In hoeverre voelt men zich gebonden. Ds. Meiers verwacht, dat ik de geesten, die ik oproep wat bezweren zal en dat ik de gewekte indruk wat wil wegnemen.
Wat zal ik tegen al deze dingen te berde brengen? Laat ik vooropstellen dat ik niet van plan ben te gaan discussiëren. Onderwerp en zaak is het wel waard. Maar de gegevens zijn momenteel niet toereikend. Enige tijd geleden zette ik het overigens niet absolute verschil uiteen tussen de pennevruchten, die enerzijds onder Persschouw en anderzijds kroniek in dit orgaan publiek worden. De kroniek probeert iets beschouwelijker te zijn, iets meer gelijksoortige verschijnselen onder één noemer te brengen.
Bij mij rees de gedachte om bepaald eens te schrijven vanwege de actualiteit over gezag. Gezag van de Overheid en gezag van de Schrift. Met een gevleugelde uitdrukking zou ik kunnen schrijven: Mag ik?
Achteraf was ik blij, dat het zo geleid werd. Immers juist in het nummer van 7 juli stond het In memoriam prof. dr. J. Severijn. Ik dacht, dat het een zeer passende hommage was aan de nagedachtenis van onze onvergetelijke professor te attenderen op het gezag van Overheid en Schrift, twee punten, waaraan hij veel aandacht heeft gegeven. Met name het Schriftgezag heeft hij voortdurend beklemtoond. Men zou zijn levensstrijd op kerkelijk en theologisch terrein mogelijk niet passender kunnen schetsen dan met de uitdrukking „Om het gezag van de Heilige Schrift”.
Een studie waard: Het Schriftgezag bij prof. Severijn. Het ging derhalve in de onderhavige kroniek om de geestelijke en wetenschappelijke erfenis van onze betreurde voorzitter.
Wat nu het gezag van Gods Woord betreft was er stof te over. De Kamper Hogeschooldag, allerlei recente beschouwingen over de (on)feilbaarheid van de Bijbel in courant en periodiek, allerlei herwaarderingen van gegevenheden, die voorheen met beroep op Gods Woord werden afgewezen. Overal ziet men de vaantjes in één richting wapperen, als de kwestie van de autoriteit van de Schrift in geding is. Ik dacht, dat het kritiek zou hebben ontmoet, wanneer ik, welbewust, enkele beschouwingen over „Klare Wijn" had genegeerd. Immers „De Waarheidsvriend" komt in allerlei kringen. Als ik wel de Kamper Hogeschooldag had gememoreerd en publicaties in eigen kerk de vermelding niet waardig gekeurd, was er stellig verwijt gekomen. En terecht.
Ds. Meijers concludeert een climax. Die is er ook in de beschouwing. Geen enkele lezer zal de indruk krijgen, dat de meest progressieve opvattingen als aanvaarding van homoseksualiteit en loochening van kardinale heilsfeiten zonder meer de onmiddellijke consequenties zijn van de Schriftopvatting, die de sub-commissie van Kerk en Theologie in „Klare Wijn" naar voren brengt. De Schrift echter leert ons, dat we haten moeten wat met de zonde of het vlees bevlekt is. Ds. Meijers zal toch moeilijk kunnen bewijzen, dat de beschouwingen in de gewraakte brochure geheel vrij zijn van de smetten van moderne opinies over het gezag van de Heilige Schrift. Ds. Meijers kan dit niet. Want zelf zegt hij immers: We hebben ter commissie heel wat kunnen bijsturen. Als men spreekt van bijsturen is er toch wel een koers, die men niet de juiste acht.
Overigens heb ik wat ik als voorlopige indruk weergaf van het geschrift met vele reserves omgeven. Ik schreef: „Slechts iets hebben we uit de dagbladen kunnen vernemen". „De indruk ... doet vermoeden, dat er min of meer..." „Zodat we mogelijk toch onvoldoende houvast krijgen". Ik dacht dat dit wel zeer voorzichtig gesteld was.
Vervolgens lezen we een overweging over het Schriftgezag naar analogie van wat de Catechismus omtrent het ware en rechtvaardige mens-zijn van Christus aan de orde stelt.
Daarna nog de Kamper Hogeschooldag. Er zit dus heel wat tussen eerdere zaken, die genoemd worden, waar ds. Meijers zich bijzonder aan stoot. Alles is zeker niet pardoes op ene hoop gegooid. Er is kennelijk een escalatie. Daarop mag ik wel wijzen. Want dat is een algemeen erkend verschijnsel, dat bepaalde tendensen de neiging hebben voort te gaan in een eenmaal ingeslagen richting.
In De Rotterdammer van 20 juni '66 trof ik een uitvoerige beschouwing aan over de nieuwe uitgave over de Heilige Schrift. Het dialectische, het ja en nee is in dat artikel duidelijk uit de verf gekomen. Reeds de vette kop: „Bijbel is Gods Woord en mensenboek beide". Er wordt — zo zegt de schrijver van het artikel — een strijd naar beide fronten, zowel tegen de Bijbelkritiek, die al te zeer van het menselijke van de Bijbel uitging als tegen de orthodoxie, die optrad met de strijdkreet: De Bijbel is Gods Woord. De kritische school wilde alles schrappen, de orthodoxie alles harmoniseren (alle tegenstrijdigheden met elkaar in overeenstemming brengen). Iemand die enigszins de geesten kent, moet wel tot de slotsom komen, dat er dus een opvatting gekozen is tussen orthodoxie en Bijbelkritiek (lees: vrijzinnigheid) een midden-orthodox standpunt dus.
Tenslotte voorspelt De Rotterdammer, dat het geschrift wel aangevallen zal worden. Van rechts en van links.
Deze gegevens wettigen m.i. volkomen de behoedzame conclusie, die ik trok: „Mogelijk krijgen we toch onvoldoende houvast", ik kan me met de beste wil van de wereld niet indenken, dat deze voorlichting zo bevooroordeeld was.
Integendeel ik dacht, dat het in de lijn was van wat jaren in de kolommen van „De Waarheidsvriend" geschreven werd omtrent dit soort vraagstukken, met name door wijlen prof. Severijn.
Er schiet niet zoveel ruimte over om andere gebeurtenissen in ogenschouw te nemen.
In het algemeen zien we, dat niet alleen in verschillende kerken verschuivingen, omvangrijke verschuivingen plaatsvinden, maar ook dat er stemmen luid worden van mensen, die verontrust zijn over die gang van zaken.
Ik behoef niet uitvoerig stil te staan bij de bezwaren die priester Loos (vroeger ds. Loos) uitte. Hij was hevig ontdaan over het feit, dat de progressieve pressiegroep geheel en al de „image" van de rooms-katholieke kerk bepaalt. Men beluisterde zo de toon: Ben ik daarvoor overgegaan. Wat ik wilde ontlopen, tref ik geheel ongedacht in versterkte mate aan in mijn nieuw gekozen geestelijk tehuis. Eens riep de paus de moderne theologen in de roomse kerk een onverbiddelijk halt toe. Sedert moesten de kerkelijke functionarissen de anti-modernisten-eed afleggen. Men meent, dat de huidige ontwikkeling in de kerk van Rome ook deels te verklaren is als repercussie op dat forse halt.
Doch paus Paulus heeft onlangs in een toespraak toch ook maar gewaarschuwd voor bepaalde denkrichtingen in de theologie. Sunt deni que certi fineo — er zijn tenslotte grenzen, zei paus Paulus. De uitleg, die hedendaagse schrijvers aan erfzonde geven is onverenigbaar met de leer. Vooral veroordeelde de paus de auteurs, die er niet van uitgaan dat de mensen afstammen van één ouderpaar. Men leert niet langer, dat door Adam de zonde in de wereld is gekomen.
Maar ja, om met minister Diepenhorst te spreken, paus Johannes was volledig een pastor, doch paus Paulus doet aan een notaris denken. Fundamentalisten zijn juristen! Notarissen.
Het dagblad Trouw bericht dat door een aantal verontrusten in de Gereformeerde Kerken te Harderwijk een vereniging werd opgericht. Doel is getuigen tegen de nieuwe theologie. Tegen een zeker oecumenisch streven, dat niet gebaseerd is op Schrift en Belijdenis. Wij zouden willen aantekenen: Eindelijk heeft men geleerd niet direct af te scheiden van de kerk, maar te doleren binnen de gemeente. De Schrift zegt: Wee, de gerusten. De progressieven roepen: „Wee, de verontrusten". Ik dacht dat we gerust verontrust mochten zijn over veel wat in Kerk en wereld zich breed maakt. Ik heb ook wel eens een lans gebroken voor verandering van methode en vormgeving. Dat maakt gauw verdacht. Maar als men ziet, dat velen al maar verder willen ... wordt men beducht. Het gaat — begrijp ik — tenslotte niet om een standpunt, maar om een koers, waarin men zich beweegt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 augustus 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 augustus 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's