GEZAG EN VERTOLKING
In het vierde of laatste hoofdstuk gaat prof. Berkouwer in op de vragen van de vertolking van de Heilige Schrift en hoe daarbij het gezag functioneert. Het is mogelijk, dat wij het gezag van de Schrift voluit erkennen en toch aan het concreet gezag ons onttrekken. Is de bijbel een boek, waarin ieder zijn eigen dogma's zoekt?
In dit verband gaat hij in op het overbrengen, uitleggen, vertolken wat wij reeds in de Schrift vinden. Denk aan Jezus en Emmaüsgangers e.a. In deze uitleg en vertolking wordt de tijd overbrugd en de onduidelijkheid weggenomen. Deze onduidelijkheid blijkt te zetelen in het verduisterd hart.
Sommigen leggen alle nadruk op de pneumatische exegese, maar vergeten, dat Jezus steeds uitgaat van de Schrift en van daaruit Zichzelf in het volle licht stelt.
Er is plaats voor het onderzoek van de tekst. Wie daarbij blijft staan, ontgaat het geheel, de zaak, waarover de tekst handelt. Het gaat om de sleutel, die de Schrift opent en niet sluit. Deze kan door dogmatische exegese worden geblokkeerd, bewust of onbewust.
In dit verband gaat Berkouwer in op Bultmann, bij wie de menselijke existentie medebepalend wordt voor de structuur van de boodschap. Bij Bultmann staat het probleem van de dogmatische exegese in hermeneutische gestalte voor ons. Dit misbruik neemt de actualiteit van de bedoeling van een Schriftwoord en het gezichtspunt, van waaruit de tekst gezien wordt, niet weg. De Schrift is gericht. Het is steeds: opdat gij gelooft ...
Berkouwer legt er alle nadruk op, dat het gezag van de Heilige Schrift alleen in de zuivere vertolking ten volle en naar Gods bedoeling wordt geëerd in een horen en verstaan.
In dit verband gaat hij breed in op de regel van de reformatie: De Heilige Schrift verklaart zichzelf, is de vertolkster van zichzelf. Hiermede is de allegorische verklaring uitgesloten. De reformatie had een diep respect voor 't geschreven Woord. Deze regel is door de Schriftkritiek misbruikt, omdat de kritiek deze losmaakte van de diepe religieuze verbanden van de reformatie. De nadruk op de historiciteit van de Schrift ging gepaard met relativiteit en tijdgebondenheid.
Berkouwer sluit zich in de beantwoording van deze vragen aan bij H. Ridderbos, die zegt dat de bijbelschrijvers bij allerlei, dat krachtens onderwijs en traditie tot de gedachtenwereld van hun tijdgenoten behoorde, zich aansloten zonder dat men nu zeggen kan: zo spoedig dit een plaats gekregen heeft in de bijbel, is het mede tot „openbaring" geworden.
Dit betreft dan het bijbels wereldbeeld, schriftgebruik en schriftbewijs. Ridderbos noemt dit de speelruimte van de Geest. Wat is het onaantastbaar goddelijke en wat de relativiteit van het menselijke in de Heilige Schrift? Dit is volgens Ridderbos de grote kwestie der hermeneutiek.
Is dit een nieuw dualisme? vraagt Berkouwer. Neen, hier gaat het over de aard van het Schriftgezag. Deze bezinning vindt hij legitiem. Er is een verschuiving gaande. Het zwijggebod voor de vrouw is tijdgebonden. Vandaar: de vrouw in het ambt. Er is tijdgebondenheid in bepaalde voorschriften.
Merkwaardigerwijs citeert Berkouwer hier Bavinck, die in zijn Ger. Dogm. I, 402 schrijft, dat de overgang van de mechanische naar de organische opvatting de leer der Schrift niet verzwakt, maar veel beter tot haar recht doet komen. Mag men Bavinck naar aanleiding van deze verschuiving gebruiken voor de verschuivingen die Berkouwer meemaakt? Dit lijkt mij een hachelijke zaak!
Bavinck schrijft zelf een-en andermaal, dat de organische opvatting van de inspiratie gebruikt wordt om aan het auteurschap van de Heilige Geest afbreuk te doen (I, 405). Met kracht houdt hij vast, met erkenning van het zwakke en nederige in de Schrift, aan het gezag. Hij laat de fataliteit van de verschuivingen op I, 406 juist zien!
Het is verder opmerkelijk, dat Berkouwer breed de hermeneutische vragen behandelt in dit hoofdstuk van het eerste deel, terwijl de inspiratie der Schrift tot het tweede deel wordt uitgesteld. Kan dit? Is het mogelijk de hermeneutiek vóór de inspiratie te behandelen? In dit verband somt Berkouwer de nieuwe vragen op: de betrekking tussen verkondiging en geschiedenis, de „oergeschiedenis". Gen. 1—3 en de consequenties daarvan voor de schepping, val en verlossing.
Verder: de ouderdom der aarde, schepping en evolutie. Assen, Adam en Christus.
Al deze vragen, die de schrijver niet beantwoordt, dienen vanuit de reformatorische regel behandeld te worden: De Heilige Schrift is haar eigen vertolkster. Deze vragen zijn volgens Berkouwer legitiem.
Dit is intussen nogal wat. In de R.K. theologie is men al druk bezig om Rom. 5 niet beslissend te achten voor de werkelijkheid van de eerste Adam. (Hulsbosch: Evolutie en erfzonde). Ook hier laat Berkouwer alles onbeslist. Hij verwerpt deze vragen niet en doet ook geen oplossing aan de hand, maar poogt de weg te wijzen, waarlangs deze vragen met de reformatorische regel tot een oplossing kunnen worden gebracht.
Intussen — al is het niet de taak van de dogmaticus alle vragen aangaande de Schrift op te lossen — neemt hij een grote verantwoordelijkheid doordat hij deze vragen openlaat. Natuurlijk weet Berkouwer dat deze vragen op gespannen voet staan met de belijdenis der kerk. Hij wijst o.a. naar Zondag 3 en 4. Volgens hem heeft de reformatorische belijdenis een verwijzende functie naar de Schrift, die haar eigen vertolkster is.
Hier zitten wij midden in de vragen rondom de functie van de belijdenis. Wie Polman, Ned. Gel. Belijdenis blz. 1—108, nog eens leest over wezen en waarde van de belijdenisgeschriften, staat verbaasd, omdat achter deze gedachte van Berkouwer een totaal andere opvatting van de belijdenis steekt.
Hier wordt de weg van het gravamen uitgeschakeld (blz. 203, noot 316).
Zeker, het is waar, dat de belijdenisgeschriften naar de Schrift verwijzen, zich onder de Schrift stellen. Maar het gezag van de belijdenis — herhaling van de Heilige Schrift — wordt volkomen ondermijnd, wanneer hier buiten de weg van het gravamen zaken ter discussie worden gesteld, die klaar en helder beleden zijn.
Wij willen ons niet mengen in de discussie, die hierover gaande is in de Ger. Kerken, maar constateren met droefheid, dat de Geref. Kerken dezelfde weg gaan als de Hervormde Kerk in de 18e en 19e eeuw: ondanks het ondertekeningsformulier loskomen van het kerkelijk gezag van de belijdenis. De Hervormde Kerk heeft dat geweten en het is te vrezen, dat de Geref. Kerken dit ook zullen weten. En dat in een stroomversnelling, die van geen stilstand weet.
Of dan de weg van het gravamen de oplossing biedt? Of er dan geen ruimte moet zijn voor de doordenking van nieuwe vragen?
Of er dan niet de vrijheid van exegese is? Kan dan de belijdenis ooit de plaats van de Schrift innemen? Is er dan niet de stolling, het geloven van de belijdenis inplaats van het belijden van het geloof? Leidt het standpunt van Polman, dat is het standpunt van Dordt, niet tot verstarring?
M.i. is de handhaving van het kerkelijk gezag van de belijdenis en de integratie of beter de voortgang en de correctie van het bestaande belijden alleen mogelijk, wanneer de religie der belijdenis leeft in de harten van voorgangers en lidmaten. Raken wij de diepe verbondenheid kwijt tussen de belijdenis en het actuele belijden, dan is er geen kruid gewassen (ook niet het kruid van het gravamen) tegen deze uiteengroeiing.
Een eenvoudig gemeentelid zei eenmaal: Eerst raken wij het leven (laten wij dit de religie der belijdenis noemen) kwijt en daarna de leer. Dit is een woord om over na te denken. Temeer omdat zowel van Herv. als Gereformeerde zijde vanuit de Synode over verschralingen, gebrek aan H. Geest is gesproken. Deze rapporten zijn intussen weer opgeborgen en men begint juist in zulk een tijd over het Schriftgezag te spreken, in afwijking van het gereformeerd belijden.
Dit geeft op zijn minst te denken. Dit moest ons tot het uiterste voorzichtig maken!
Berkouwer (blz. 204) vindt, dat in de concrete vragen een hoofdlijn te ontdekken valt, n.l. de aard der theopneustie. De aandacht voor het literaire genre van de Schrift en de bezinning op de tijdgebondenheid acht hij geen aantasting van de betrouwbare boodschap van de Schrift. De inspiratie kan niet vooraf worden gesteld, maar wordt nagespeurd op het vlak, waarop men al luisterend naar de Schrift, bezig is met de vertolking daarvan.
De weg, die Berkouwer kiest, is een beslissing. Niet eerst de Schrift laten spreken, hoe zij de aard van de inspiratie verstaat, niet eerst aan Jezus en de apostelen vragen, hoe zij de Schriften verstonden, maar in de vertolking van de Schrift, de aard van de inspiratie ontdekken!
Dit is één van de hoofdbezwaren tegen dit boek, de opzet en vooral van dit hoofdstuk.
Tenslotte gaat Berkouwer in op de rol van de wetenschap. Een zeer leerzame excurs!
Welke bezwaren iemand ook tegen dit boek kan aanvoeren, niemand twijfelt aan de eerlijkheid en de moed van dr. Berkouwer om de vragen van deze tijd aan te vatten.
In een citaat, dat hij van N. H. Ridderbos aanhaalt, staat: Wie zal zijn eigen hart doorgronden? Dit geldt van ons allen, hetzij wij de wegen gaan, die dr. Berkouwer meent te moeten gaan, hetzij wij daarin een wezenlijk verlies aan gereformeerd belijden in ontdekken, en zelfs ertegen moeten waarschuwen. Maar achter deze vraag staat: Ik, de HEERE doorgrond het hart, en proef de nieren!
Het gaat om Zijn licht en waarheid.
Dit boek is waard om doorgewerkt te worden.
Katwijk aan Zee, G. Boer
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 augustus 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 augustus 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's