Boekbespreking
Dr. H. J. Flipse, Gods wereldplan en de evolutie, ing., ƒ 1, 75, Boeketreeks, Kok, Kampen.
Dr. Flipse is bioloog, leraar aan een christelijk lyceum in Hilversum.
In de inleiding schrijft hij: Dit boekje is geschreven voor allen, die de Heere Jezus als him persoonlijke Heiland en Verlosser kennen en de Bijbel als Gods Woord aannemen, speciaal voor allen, die als ouders of als leerkrachten bij een of andere tak van het onderwijs, als jeugdleiders of als predikanten te maken hebben met de opvoeding en voorlichting van de jeugd.
Dr. Flipse verwerpt de stelling, dat geloof en wetenschap niets met elkaar te maken hebben. Niemand is neutraal. Ieder gaat van een of ander geloof uit: of hij gelooft naar Gods Woord in de schepping öf hij schakelt bewust het bovennatuurlijk ingrijpen van God uit en gelooft, dat de Bijbel niet Gods Woord is. Het is onze dure plicht te allen tijde een getuige te zijn en zó invloed uit te oefenen. Hij vindt het een jammers zaak, dat vele vooraanstaande personen op godsdienstig gebied concessies doen aan de natuurwetenschap.
Ook deze natuurwetenschap gaat van een bepaald geloof uit. De jeugd moet doordrongen worden met de bijbel en op grondslag van de bijbel worden opgevoed. De jonge mensen moeten een stevig houvast hebben. Alleen hij, die door Christus' bloed gereinigd en gered is en zich eerbiedig neerbuigt voor Gods Woord leert God in de natuur kennen als een liefhebbend en zorgend Vader en mag de jeugd opvoeden.
De invloed van de natuurwetenschap is erg groot. Maar' zij ziet niet, dat God de schepper is van hemel en aarde en weet niet, dat deze aarde niet blijft, zoals deze nu is. Er zal een volkomen verlossing komen. God maakt Zijn plan met deze wereld af.
De opvoeders van de jeugd moeten zich door en door vertrouwd maken met de misvattingen van geologen en evolutionisten om de hun toevertrouwde jeugd te kunnen leiden en voor afval te bewaren. '
Met name keert hij zich tegen het boek van prof. dr. J. Lever: Creatie en Evolutie.
De bijbel leert ons, dat Gods scheppingswerk geheel bulten onze kennis valt. Wij zien alleen maar de resultaten. De natuurwetenschap poogt uit waarnemingen te komen tot zekere wetten. Derhalve zijn de uitspraken van de natuurwetenr schap minder gezaghebbend dan die van de Schrift. De resultaten van de wetenschap wijzigen zich regelmatig, maar de Schrift kan niet gebroken worden.
Velen vechten het geschiedenis-karakter van de eerste hoofdstukken van Genesis aan. Wanneer de vertegenwoordigers van de kerk zelf zich reeds zó door de bijbelcritiek laten misleiden, behoeven wij ons niet te verwonderen, dat buitenstaanders zich geheel niet om bijbelgeloof bekommeren.
Aldus dr. Flipse in zijn inleiding.
Met opzet heb ik een uitvoerige samenvatting gegeven van deze inleiding. Deze is bedoeld om uw belangstelling voor dit - boekje gaande te maken. Het is hartverwarmend te lezen hoe deze doctor in de biologie het opneemt voor het gezag van de Heilige Schrift. In het eerste hoofdstuk gaat hij de plaatsen na, waar in het N.T. over de eerste hoofdstukken van Genesis gesproken wordt. Jezus (Matth. 19) en de apostelen (1 Tim. 2 : 13, 14; Rom. 5 : 12-21; 1 Cor. 15 : 45-49; Jac. 3 : 9; Openb. 20 : 2 en 1 Joh. 3 : 12) spreken gezaghebbend over deze hoofdstukken.
Daarna gaat hij de plaatsen na, waarin over de schepping gesproken wordt. Dasirbij komt het zelfgetuigenis van de Schrift aan de orde.
In het hoofdstukje over Bijbei en wetenschap verzet de schrijver zich ertegen, dat de bijbel aangepast wordt aan de huidige stand van de wetenschap. De uitspraak: „De bijbel is geen leerboek voor de natuurwetenschap" is ten dele waar, maar mag niet zo worden verstaan, alsof de oorspronkelijke bijbelse tekst zelf natuurkundige, feitelijke fouten bevat. Er kan en zal nooit werkelijk disharmonie zijn tussen Gods Woord en werk.
En worden we beschuldigd van bekrompenheid en dweepzucht, laten wij er aan vasthouden, dat het verstandiger is in God te geloven dan in twijfelachtige successen van de mens.
Dr. Flipse wil — geleerd uit eigen ervaring — elk compromis tussen de bijbel en de wereldse wetenschap mijden. Ket scheppingsverhaal is ook voor onze tijd.
In de volgende hoofdstukjes gaat dr. Flipse uitvoerig in op de evolutie, die hij beslist afwijst. Welke mutaties er ook zijn — en die zijn er, derhalve is er sprake van een micro-evolutie — van een macro-evolutie is geen sprake.
Het is volgens de schrijver geen wonder, dat de evolutie-gedachte zo'n grote opgang heeft gemaakt. Men kan er zijn geweten mee sussen. Als de evolutie-theorie juist is, dan is er geen zondeval geweest, dan heeft de mens zich ontwikkeld uit iets, dat veel lager is dan hijzelf. Dan vervalt de schepping naar het beeld van God. Dan is de oorspronkelijke staat van rechtvaardigheid en heiligheid een fictie, dan is de mens ook niet verdorven en behoeft hij ook niet wedergeboren te worden. Dan is ook het kruis van Christus pure fantasie.
Boeiend is het hoofdstuk over het scheppingsverhaal. Dr. Flipse neemt een grote pauze aan tussen Gen. 1 : 1 en Gen. 1 : 2. Daarin ligt de val van satan (Jes. 14 : 12-17 en Ez. 28 : 16, 17).
Merkwaardig is ook zijn opvatting van dag en nacht. De nacht is de macht van de satan, die telkens weer wordt gebroken door de nieuwe dag van God.
De tijdperken worden onder deze dagen en nachten ingedragen.
Merkwaardig is ook de gedachte, dat de kosmos tijdens de voortgaiig van Gods werk in de scheppingsdagen reeds ten dele onder de invloed van de satan stond en dat de mens de opdracht krijgt de aarde te bewerken en te bewaren. Het paradijs zou dan de plaats van de ongestoorde gemeenschap met God zijn, van waaruit de mens de gehele aarde weer voor God moet terugwinnen. Buiten het paradijs heerste reeds de dood er binnen niet. Voor Adam zijn er reeds sporen van levensvernietiging aan te wijzen
Hoe is dan de reeds aanwezige dood tot de mensen gekomen? Door (dia - f 2de naamval) één mens. De mens is dus doorgangspunt.
Deze en andere gedachten van dr. Flipse geef ik door, niet omdat ik dit alles weet, maar om tot nadenken en lezen te komen.
Tenslotte gaat de schrijver uitvoerig in op de toekomst. Van dit hoofdstukje ben ik diep onder de indruk gekomen. Niet, dat ik' het met de rangschikking van de dingen in de eindverwachting steeds eens ben — daarin zijn vele vragen — maar de ernst, waarmee en het doel waarop heel het leven betrokken wordt is indrukwekkend. Lees 't hoofdstukje over: Standhouden — wapenrusting! Hier is de christen aan het woord, die de ontzettende verzoekingen van de satan ook in deze tijd onderkent en met een bewogen hart oproept tot weerbaarheid.
Het aanhangsel geeft nog allerlei vragen en antwoorden.
Of er geen vraagtekens te plaatsen zijn? Jawel! Maar deze vallen weg tegen het warm getuigenis van de christen-schrijver.
Bij het lezen is bij mij soms de vraag gerezen of de schrijver — zonder dat hij iets aan het schriftgezag behoeft af te doen — de eigen aard van bepaalde bijbelgedeelten voldoende in het oog gehouden heeft.
Bij de hartelijke instemming met veel, blijven er toch moeilijkheden, die ook Calvijn in zijn commentaar op Gen. 1 zag en die de schrijver nergens noemt. Het geloof heeft toch ook hier zijn aanvechtingen? Wellicht kan in een volgende druk op de eigen aard van het schriftgetuigenis nader worden ingegaan.
Verder rijst de vraag of de scherp afwijzende houding tegenover de wereldse wetenschap in overeenstemming is met de erkenning van de resultaten van de wetenschap, voorzover deze in te passen zijn in Gen. 1? Ik denk daarbij aan de aanwezigheid van de dood in al zijn vernietigende vormen buiten het paradijs en aan de plaatsing van de val van de duivel tussen Gen. 1 : 1 en Gen. 1 : 2?
Ik kan dit niet bestrijden of bevestigen, maar deze vragen kwamen bij, mij op.
Gaarne beveel ik dit deeltje van de Boeketreeks bij u aan! Laat ieder er zijn voordeel mee doen.
Dr. C. Rijnsdorp, In de greep van het reusachtige. Een literator over het Calvinisme, ing., 119 blz., prijs ƒ 5, 90, Kok, Kampen.
In deze bundel zijn de artikelen gebundeld, die dr. C. Rijnsdorp in het Rotterdammer-Kwartet heeft geschreven. Het is een goede gedachte van de schrijver en de uitgever deze artikelen nu samengevat in een fleurig bandje op de boekenmarkt te brengen.
. Dr. Rijnsdorp heeft het Calvinisme gedurende lange tijd op haar hoogtepimten en in haar dieptepunten met intense belangstelling gevolgd en er midden in gestaan.
Wie dr. Rijnsdorp wil kennen moet zijn boek:
„Koningskinderen" gelezen hebben. Dit boek is een neerslag van wat hij zelf doorleefde.
Lees zijn confidentie op blz. 21-25. Mij trof dit boek indertijd buitengewoon, omdat de echtheid en de waarheid van dit gereformeerd leven aan alle kanten duidelijk is. Hadden wij maar meer van deze romans. Daarom begrijp ik niet, dat hij verderop in zijn boek nu niet bepaald waai> derend spreekt over dit geestelijk leven, dat hij in zijn ouderlijk huis en de omgeving daarvan opmerkte.
Dr. C. Rijnsdorp is in een cultuurarm gezin en omgeving groot geworden. Hem imponeerde het Calvinisme, dat oog had voor het brede terrein van het leven. Het cultuur-arme christendom, zoals dat leefde onder de kromgewerkte vromen van het begin van deze eeuw, had en heeft wel zijn liefde, maar is niet zijn ideaal. Van daaruit worden de pogingen bezien om het gehele leven, waaronder zeker de kunst in een grootse conceptie samen te vatten.
Daarbij doorziet dr. Rijnsdorp scherp de geweldige greep van en naar het reusachtige, wanneer er tegelijk de verwijdering is van het oorspronkelijk machtswoord van de Meester.
„Kunnen onze reputaties en posities de blik van de Meester verdragen? " Zo vraagt de schrijver op blz. 106. „Bij Jezus' machtswoord gaan valse reputaties scheuren en eigenwillige posities wankelen. De zonde van het zich vastklemmen aan gevestigde reputaties en posities is een typische zonde van de protestantse orthodoxie.”
„Zijn onze tradities, onze pluriforme kerkgestalten, zijn alle aangeklede, decoratieve kerkelijkheden vuurvast voor ven'olgingen en in de laatste wereldbrand? Laten wij er aan denken: wie geen levende Heer heeft, krijgt een dode kerk.”
Er is één hartstocht bij Rijnsdorp, dat is, de verscheurde kerk te confronteren met de levende Heere. Wanneer het oog des geloofs maar één ogenblik zich van Hem afwendt, kunnen zelfs de best geformuleerde belijdenissen niet van dwaling weerhouden.
Ge merkt, dat hier een krachtig pleidooi gevoerd wordt voor het oorspronkelijke, voor het blijven bij de oorsprong, bij het hart van het evangelie.
Van daaruit komt voor mij opnieuw levensgroot de vraag naar de verhouding van geloof en cultuur. Dr. Rijnsdorp wil niet het cultuur-arme christendom. Hij kent dit uit eigen ervarmg. Maar hoe komt het dan — zo is de vraag — dat, naarmate de christenen in de opeenvolging van de geslachten zich diep gaan interesseren voor de cultuurvragen, zij deze meest oorspronkelijke beleving van het horen van de stem van Christus kwijtraken? Hiermee is natuurlijk lang niet alles gezegd — dat weet ik. Maar deze vraag kan ik niet kwijtraken.
Anders geformuleerd: Hoe komt het dat boeken van het genre: Koningskinderen — wat mij betreft in een geheel andere leefwereld — in deze tijd in reformatorische kringen niet meer verschijnen? Is deze meest oorspronkelijke beleving van het horen van de stem van Christus te verbinden met... ? Vul nu maar in.
Dr. Rijnsdorp geeft daarop in zoverre een antwoord, dat hij alles stelt in de verwachting van de komende Heere. Hij wil, dat alle kerken in het staren op dezelfde Heere, hun eigen kerk-zijn vergeten om in het grote verlangen te blijven. Hij vindt de kerk-en traditievorming een van de grote bedreigingen van het christelijk geloof, voorzover het horizontale het verticale weg duwt.
Het reusachtige is de stolling van het christelijk geloof, waar de levende omgang met God uit is. Vele voorbeelden daarvan worden gegeven! Is het billijk de reuzen te erkennen en de klein-Irinderen van deze reuzen neer te slaan?
Is er bij al de vergroeiingen ook niet een voortgaand werk Gods? Komt zo de inwoning van de Heilige Geest tot zijn recht?
Neem en lees! Het is de neerslag van iemand, die veel heeft nagedacht over het verleden, het heden en de toekomst van Christus' kerk!
Dr. Rijnsdorp zegt ergens: De kerk begint niet tiij de jongeren, maar eindigt ook niet bij de ouderen. En dat is waar! Hartelijk aanbevolen.
K. a. Z.
G. B.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 augustus 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 augustus 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's