UIT DE PERS
Misbruik der geschiedenis.
Enige tijd geleden hebt u in de dagbladen kunnen lezen hoe tijdens een mis in de Brielse Bedevaartskerk ter herdenking van de heiligverklaring honderd jaar geleden, van de in 1572 door de watergeuzen omgebrachte „Gorcumse Martelaren" zowel door de herv. predikant van Brielle, als door een r.k. priester in deze dienst een preek is uitgesproken. Beide predicators spraken over de eenheid in Christus tussen r.k. en protestanten. Aan het eind gaven dominee en priester de verzamelde gelovigen samen de zegen. Pers en televisie hebben zoals te verwachten is aan dit alles de nodige aandacht gegeven. Daardoor maakt het geheel toch wel de indruk van een propagandastunt in dienst van de oecumene. Dat klinkt scherp, maar we hebben er geen beter woord voor. Meent men werkelijk dat hierdoor de echte oecumene gebaat is? Niet alleen moet gewezen worden op de toch wel geheel verschillende visie op de martelaren als zodanig — een heiligverklaring van martelaren door de kerk botst ten enenmale met de prediking van de rechtvaardiging van de goddeloze door het geloof alleen —, maar bovendien moet hier de vraag gesteld worden: Wordt de kerkgeschiedenis hier niet op een goedkope wijze dienstbaar gemaakt aan een van te voren opgezet plan? In de Leidse Kerkbode van de Geref. Kerken gaat dr. K. Dronkert op dit aspect van de zaak in. We citeren uit dit artikel, zoals het overgenomen werd in „Waarheid en Eenheid" van 29 juli:
Hierin is toch wel een wonderlijke vermenging van opvattingen naar voren gekomen. De Gorkumse martelaren zijn de 19 priesters, die na de inneming van Gorkum in 1572 door Lumey in een turfschuur te Den Briel werden opgehangen of onthoofd, omdat zij weigerden de transubstantiatieleer en de leer van het primaat van de paus af te zweren. Deze daad van Lumey, waarvoor hij de volle verantwoordelijkheid draagt zal nooit door de reformatorische kerken worden goedgekeurd en kan ook niet op rekening van de reformatorische kerken in die tijd geschoven worden. De reformatorische kerken kenden geen inquisitie. Natuurlijk zijn er door reformatorische mensen wel eens wandaden begaan, maar dat mag zo maar niet de kerk worden aangerekend.
De rooms-katholieke kerk daarentegen kende de inquisitie wel.
Nu kan men wel zeggen dat de inquisitie een zuiver kerkelijke instelling was, die reeds voor de reformatie in de rooms-katholieke kerk werkte om de ketterij te bestrijden, en dat de inquisitie zelf nooit de processen heeft gewild, maar de bestraffing over gaf aan de burgerlijke overheid, maar de verantwoordelijkheid voor het proces tegen de ketters en de uitoefening van de straf komen toch zeker voor de volle verantwoordelijkheid van de kerk en niet van de overheid. Men vergete de kerkelijke activiteit niet waardoor honderden de brandstapel hebben moeten beklimmen met alleen de overheid als instrument en de kerk als aanklager. Hoe hebben de Jezuïeten niet gestookt aan de hoven van Europa om de vorsten te bewegen de ketters te vervolgen en te doden. Die martelaren die door middel van de inquisitie zijn gevallen en de Gorkumse martelaren op één lijn te stellen, dat riekt wel heel sterk naar geschiedvervalsing. De laatsten vielen door een zeer af te keuren daad van een Geuzenaanvoerder, die zijn boekje te buiten ging, de eersten vielen met volle instemming en medewerking van de officiële kerk.
Men kan in het belijden van schuld over daden van het voorgeslacht ook te ver gaan. Zeker wanneer men meent daarmee te kunnen volstaan dat men elkaar wat te verwijten heeft. Maar van een uitdrukkelijke veroordeling door de kerk zelf van haar officiële aandeel in het martelarenproces lees ik hier geen woord. De bedoeling van mijn artikel is niet om te waarschuwen voor Rome en ook niet om te waarschuwen voor de vergeving van elkaars misdaden, maar het is mijn bedoeling, dat men gewaarschuwd zij om niet lichtvaardig de geschiedenis te misbruiken voor een valse oecumeniciteit en voor een valse eenheid van vormen. Daar is Rome niet mee gebaat en daarin zijn de kerken van de reformatie alleen maar ontrouw.
Dat is een nuchter en bezonnen geluid. Terecht spreekt dr. Dronkert over een valse oecumeniciteit. Het minderwaardigheidsgevoel tegenover het eigen verleden en de vlotte wijze waarop men „schuld bekent" zijn beslist niet bevorderlijk voor de echte oecumene. De schuldbelijdenis tegenover elkander zal toch altijd plaats moeten vinden, coram Deo, voor het aangezicht Gods, d.w.z. ten overstaan van het Woord.
En inderdaad, met de verzekering, dat men elkaar wat te verwijten heeft, is men niet klaar, maakt men van de schuldbelijdenis een karikatuur. De kerken der Reformatie hebben erop toe te zien, dat zij niet in naam der „oecumene" het reformatorisch erfgoed prijsgeven. Daarmee pleiten we niet voor een onkritische verheerlijking van het verleden. Juist de reformatorische christen, die ernst maakt met het „De Schrift alleen" zal verstaan dat ook dit verleden valt onder de kritiek van het Woord. Maar datzelfde Woord roept ons evenzeer op om het pand ons toevertrouwd te bewaren. Zo alleen dienen we de ware oecumene.
Wederdoop.
In het blad „In de Waagschaal" (van 23 juli) gaat prof. dr. H. Berkhof op de kwestie van volwassendoop en zuigelingendoop in. Nadat de Leidse hoogleraar erop gewezen heeft dat de discussie muurvast schijnt te zitten, omdat de standpunten over en weer vast staan, tracht hij in deze muur een bres te vinden. Hij wijst erop hoe juist de Herv. Kerk door de invloeden van allerlei Pinkstergroepen met dit vraagstuk op bijzondere wijze geconfronteerd wordt: Men denke aan ambtsdragers die moeite kregen met de kinderdoop of zich lieten herdopen en uit het ambt gezet werden.
Berkhof is niet zo erg onder de indruk van het argument van kerkelijke zijde aan het adres van de „wederdopers": De Kerk kan niet dulden, dat de geldigheid van haar sacramentsbediening wordt ontkend. Dat antwoord heeft voor prof. Berkhof een onechte bijtoon. De heilsmiddelen dragen z.i. een ontmoetingskarakter. Daartegen is door de Kerken eeuwenlang gezondigd. Men doopte maar wat in het doophuis kwam, zonder dat sprake was van een waarachtig verstaan van de ontmoeting. Kan men, zo vraagt Berkhof, zo'n doop nog geldig noemen? Wordt in het verlangen naar wederdoop aan de kerk niet de rekening gepresenteerd voor haar eigen zonden op het gebied van de doopspraktijk?
Prof. Berkhof pleit daarom voor de oplossing die men gevonden heeft in de (nu bijna) Verenigde kerk van Nrd-India en Ceylon. Daar komen zuigelingendoop en volwassendoop gelijkwaardig naast elkaar te staan. Ziet iemand de doop die hij als kind ondergaan heeft als ongeldig en wil hij overgedoopt worden, dan zoekt men in een pastoraal gesprek naar een oplossing in de ene of in de andere richting. Het pastorale is het principiële. Het gaat immers om de ontmoeting: Om de twee partijen in het Verbond.
Voor onze situatie acht ik iets dergelijks de juiste oplossing. Wie meent zich te moeten laten wederdopen, kan dat niet achter de rug van de kerk om doen. Hij moet bereid zijn, zich aan een gesprek met zijn kerkeraad of predikant bloot te stellen. Dat kan voor beide partijen alleen maar goed zijn. Maar dan komt het ogenblik waarop het gesprek eindigt en de enkeling de beslissing moet nemen. Als de kerkeraad van de oprechtheid van zijn motieven overtuigd is, zal hij zich achter de beslissing stellen, ook als die „wederdoop" zou betekenen. De vraag of zo iemand dan nog oprecht mee kan werken in het kerkelijke kader, zal dan meestal vanzelf al beantwoord zijn; maar ze zal in geen geval door een eenzijdige machtsuitspraak worden beantwoord. Ongetwijfeld zullen we op deze weg op allerlei moeilijkheden stuiten. Maar dat zijn dan moeilijkheden die we tot nu toe ten onrechte hebben ontweken. Bovendien: heel veel wat van de buitenkant een moeilijkheid lijkt, zal als wij het ernstig nemen, een deur blijken die tot dieper verstaan leidt van de doop en van het heil dat we daarin ontmoeten, en die tevens leidt tot een verdere groei naar een meer adequate gestalte van het éne Lichaam met de vele leden.
Vraagtekens.
Dat er op het gebied van de doopspraktijk vaak zwaar gezondigd is en dat door velen de zin van de kinderdoop niet meer verstaan wordt en beleefd, is helaas maar al te waar. Toch hebben we bij het betoog van Berkhof — dat typisch een synthese beoogt — vraagtekens gezet. Wordt op deze wijze toch niet het accent wat verlegd naar de geloofsbeslissing van de enkele mens? Het gaat om de ontmoeting, inderdaad, maar dan toch altijd een ontmoeting in de genade, waarbij de daad Gods aan mijn beslissing voorafgaat.
Bovendien, wanneer kan iemand zeggen: De doop die ik als kind ondergaan heb is ongeldig. Berkhof moge dan de uitdrukking „geldigheid" en „objectiviteit" van het sacrament minder juist vinden, omgekeerd staat hier toch de poort open naar het subjectivisme, waarbij toch weer op typisch doperse wijze de gelovige, bekeerde mens de eerste is. Hoezeer we ook overtuigd zijn dat de Leidse hoogleraar wil pleiten voor een dieper verstaan van de doop dit neemt niet weg dat dit voorzichtig pleidooi voor een onder bepaalde omstandigheden toelaten van de wederdoop ons op een weg voert, waarbij aan de betekenis van het Verbond in de verbanden waarin het in de Schrift gesteld is tekort gedaan wordt.
Geen christenen niveau van hoger en lager
Kweekt men bovendien niet op deze wijze verschillende graden en rangen in de gemeente, als men volwassendoop en kinderdoop gelijk gaat stellen? Dat is de vrees van dr. G. de Ru, de synode praeses, die in „Hervormd Nederland" enkele artikelen schrijft over de doop van de kinderen der gemeente. Dr. de Ru, wiens dissertatie over dit onderwerp op allerlei punten van eminent belang is, stelt terecht dat wanneer men de normaliteit en wellicht ook de wettigheid van de kinderdoop gaat ontkennen de uiterste consequentie is, dat de Gemeente van Christus als Volk des Verbonds wordt ingeruild voor een „vrijwilligheidskerk, die uit verschillende soorten christenen bestaat”.
Ook dr. de Ru weet van doopproblemen in de praktijk van de kinderdoop. We citeren uit het artikel van 30 juli:
Als men echter gewaagt van „kerken, die worstelen met de problemen van de Doop", dan hebben deze problemen primair en voornamelijk te maken met de praktijk van de kinderdoop, méér nog met de praktijk van de prediking, de catechese, het pastoraat en de kerkelijke tucht. Daarop zal, als men klaagt over de ingezonken staat van de christelijke gemeente, alle aandacht moeten worden gericht en dan vanuit de verbondsbelofte, die God aan Zijn kerk heeft gegeven. De poging om met wijs beleid „een bres te slaan in de eeuwenoude traditie van de kinderdoop" wijzen wij met beslistheid af, ook al wordt ons deze poging op de meest vriendelijke en tolerante wijze aangeprezen. Niet omdat wij onvriendelijk en intolerant willen zijn, maar omdat wij de gemeente willen behoeden voor een aantasten van de meest essentiële aspecten van de Bijbelse verkondiging, n.l. het verbondsmatige handelen Gods, de alleenwerkzaamheid van de genade, de verbondszegen, waarin wij geroepen worden samen met onze kinderen te delen. Daarom zou ik „de grote wijsheid, geduld en de liefde", waarmee sommigen de „eenvoudige kinderen Gods" van het betrekkelijk belang van de kinderdoop willen overtuigen, liever gebruiken om him, die door een individualistische, aan het „geheelheidsdenken" van de bijbel vreemde gedachtegang worden meegesleept op de weg van uitstel van de Doop, ja zelfs van wederdoop, weer de ogen te openen voor het feit, dat een „huis", een gezin méér is dan de som van een aantal willekeurige mensen, die ieder voor zich geloven of niet geloven en ieder voor zich, op eigen manier, moeten proberen zalig te worden, maar een eenheid, een „wij, dat toch geen meervoud is" en waarin de kinderen als vanzelf besloten zijn.
Het zou niet minder dan een ramp zijn, als de kerk zich liet meevoeren op de stroom van een tijdsverschijnsel en zo haar karakter zou verliezen als kerk, als volk Gods, dat Hij zich vergadert, als Lichaam van Christus, waartoe ik allerminst door eigen keuze behoor (als was het een vereniging, waarvoor ik mij spontaan of na ampele overweging als lid opgeef), maar waarin ik door de Doop wordt ingelijfd, waartoe ook mijn kinderen mogen behoren, om straks te weten en metterdaad te bevestigen, dat zij dood zijn geweest en levend geworden in Christus Jezus door de Heilige Geest.
We zullen de praktische problemen niet mogen verwaarlozen en zeker niet de wonde plekken in het kerkelijke leven m.b.t. het verstaan van de Doop gaan bagatelliseren. Maar men lost niets op wanneer men toch min of meer tegemoet wil komen aan hen die zich willen laten herdopen. Integendeel, de verwarring wordt alleen maar groter, en de betekenis van de Doop als inzetting Gods „om aan ons en aan ons zaad Zijn Verbond te verzegelen" geraakt in de mist. En hoe oprecht iemands motieven om zich te laten herdopen ook zijn, dat neemt toch niet weg, dat de geloofsdaad dan toch ergens weer voorwaarde wordt om het heil te ontvangen. En dat tast inderdaad een van de meest wezenlijke aspecten van de Bijbelse prediking aan, n.l. dat het geloof niet een voorwaarde is, maar de weg, waarin het mij toegezegde heil ontvangen en toegeëigend wordt. Wij zullen inderdaad moeten waken voor een objectivisme, waarin geen plaats meer is voor de toeëigening van het heil in de weg van geloof en bekering.
Een verbondsbeschouwing die het werk van de Heilige Geest zou gaan ontkennen of in de schaduw stellen tast evenzeer de Bijbelse verkondiging aan. Maar het mag ons toch wel wat te zeggen hebben dat iemand als Calvijn, die als geen ander aandacht heeft gehad voor dit werk van Gods Geest met alle scherpte de doperse kritiek op de kinderdoop heeft afgewezen. En hetzelfde treft u in de Heid. Cat. aan. Men heeft het doperse argument afgewezen, gegrepen door de overmacht van Gods Woord. De Kerk late zich in gemeenschap en overeenstemming met de belijdenis der Reformatie leiden door dit volle Woord Gods, opdat de rijkdom van de Doop meer en meer verstaan en beleefd moge worden, in het geloof dat Amen zegt op de vaste beloften Gods, ons in de Doop betekend en verzegeld.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 augustus 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 augustus 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's