IN GESPREK
In het laatstverschenen nummer van het maandblad „Wapenveld" maakt dr. C. Graaf land enige opmerkingen over „Reformatorische verlegenheid". Het is mijn bedoeling niet, om dit artikel op de voet te volgen en het zou ook een krampachtige vertoning worden, als ieder woord een wederwoord zou uitlokken. Anderzijds zal het wel de bedoeling van de schrijver zijn, dat er van zijn gedachten kennisgenomen wordt, en dat ze aanleiding geven tot een gedachtenwisseling.
Welnu, collega Graafland bedoelt met reformatorische verlegenheid, dat de vragen ons te machtig geworden zijn en dat er steeds meer een kortsluiting met de tijd ontstaat en met de wereld waarin wij leven. Hij denkt daarbij aan de wetenschappelijke problemen, die wij blijkbaar niet aan kunnen, en meent dat het reformatorisch belijden, in de confrontatie met deze moeilijke vragen verstek laat gaan.
Misschien is er later nog eens gelegenheid over de verdere inhoud een gesprek te voeren, voor deze keer beperk ik mij tot het eerste argument dat hij voor deze stelling aanvoert. Er bestaat, zo zegt hij, onder de gereformeerde theologen een grote belangstelling voor de geschiedenis van de Kerk, met name voor de reformatie en de tijd daarna. Op zichzelf is dit goed en nuttig, mits deze verrijking vanuit het verleden, dienstbaar gemaakt wordt aan een verrijking voor het heden d.w.z. dat deze gedachten geactualiseerd en toegepast worden in de situatie van vandaag. En juist aan dat laatste ontbreekt het vrijwel.
Als voorbeeld noemt hij dan de uitgave van het Contact Orgaan van de Gereformeerde Gezindte - C.O.G.G.: Zicht op Calvijn. Zonder iets ten nadele van genoemd orgaan of genoemde uitgave te zeggen, vindt hij het een bewijs van armoede, dat de gereformeerde gezindte alleen dit doet en doen kan. Van dit contactorgaan zou men kunnen verwachten, dat men misschien via het zicht op Calvijn, enig zicht zou verschaffen op de kerk en de wereld van vandaag en de machten, die hen drijven. Dit blijkt echter te veel gevraagd te zijn. Aan dit heden is men (nog) niet toe. Hij acht dit symptomatisch voor de situatie waarin wij als gereformeerden verkeren. Er blijkt een onmacht te bestaan om de vragen van deze tijd aan te durven, aan te kunnen. En het induiken in de zo rijke geschiedenis van de reformatorische kerk wordt zodoende een vlucht voor het heden en dreigt daardoor een steriele bezigheid te worden. Ik hoop hiermee de gedachtegang van dr. Graafland volledig te hebben weergegeven en wij zullen ons daarvan terdege rekenschap moeten geven.
Wij mogen en kunnen ons niet van een confrontatie met onze tijd en onze wereld afmaken om de eenvoudige reden, dat wij dan de voeling verliezen met de mensen, de jonge mensen vooral, onder wie wij het Woord des Heeren verkondigen.
Toch vind ik dit betoog om meer dan één reden merkwaardig. Symptomatisch zou ik op mijn beurt willen zeggen, voor de situatie waarin wij als gereformeerden verkeren. Die situatie dreigt ons een minderwaardigheidsgevoel aan te meten, zodat wij van louter verlegenheid gaan blozen, bij iedere ontmoeting met de werkelijkheid. Wij kunnen er niet tegenop, zo wordt hier gezegd, en het helpt niet dat wij de gereformeerde religie belijden. De „anderen" beweren dat reeds lang, — reeds eeuwenlang, als ik mij niet vergis — maar nu dringt het ook tot ons door.
Laten wij ons niet groot houden, en eerlijk onze verlegenheid uitspreken. Mag ik vragen of wij daar iets verder mee komen? Te roemen is ons waarlijk niet geoorloofd, of het moest zijn in onze zwakheden. Dan verkrijgen wij uit zwakheid krachten, dan alleen. Krachten, ook in deze situatie, waarin God opnieuw de wijsheid der wijzen te niet maakt. We zouden leren roemen in de Heere, en van daaruit mogen werken. Maar dat is, dunkt mij, iets anders, dan van de ene verlegenheid in de andere vallen.
Vluchten wij van het heden, als wij in de zo rijke geschiedenis van de reformatie induiken? Dat behoeft niet. Neen, geeft dr. Graafland toe, mits wij de gedachten die ons worden aangereikt, actualiseren in de situatie van vandaag. Toegegeven! Wie zich verdiept in dit verleden, komt altijd weer tot de indruk, dat de historie een eigen actualiteit heeft. Dat kan mijn waarde collega toch niet ontgaan zijn. Anders begrijp ik hem niet. Stel u voor, dat ik bij collega Graafland een doorlopende verlegenheid zou signaleren op grond van het feit, dat hij zich tot nu toe uitsluitend, met het verleden bezighield. Eerst zijn studie over de zekerheid van het geloof, en daarna zijn nogal stof opwerpend —gesprekstof! — boekje over de verschuivingen in de gereformeerde bondsprediking. Blijkt er daarom bij hem een onmacht te bestaan om de vragen van deze tijd aan te durven, aan te kunnen? Mag hij dat dan anderen verwijten? Wij lopen dan allen met boter op ons hoofd, en dat in de brandende zon. 'k Wil graag de aandacht vestigen op het boek: Zicht op Calvijn. Uitgegeven omdat het in 1964 vierhonderd jaar geleden was, dat Calvijn stierf. Dit boekje moest al lang uitverkocht zijn, geen belangstellend gemeentelid mag het ongelezen laten. U kunt het via de boekhandel bestellen — uitgegeven bij Buyten & Schipperheyn, Amsterdam 1965.
U zult, al lezende ontdekken, dat Calvijn actueler is, dan u denkt. En dat het heus geen steriele bezigheid is, om zich met hem bezig te houden. Zouden we niet wat bedachtzamer met, elkaar moeten spreken, om billijk te blijven. Want het verwijt dat hier werd neergeschreven is misplaatst.
Aan het heden is men (nog) niet toe, schrijft collega Graafland. Wie de 'men' zijn? Allen, op enkele uitzonderingen na! In ieder geval het C.O.G.G. Nu is dit verband een bescheiden poging om elkaar wat vast te houden, als gereformeerden in ons vaderland. Mij dunkt, dat wij daarin voluit met het heden te maken hebben. Het heden van de verdeeldheid en de verwardheid onder hen, die zich aan de gereformeerde belijdenis gebonden weten. Het is echt niet een krampachtig vluchten voor het heden, maar een voorzichtig stand houden in dat heden.
Woensdag 14 en donderdag 15 sept. wordt er een conferentie op Woudschoten gehouden. Het onderwerp dat daar behandeld wordt draagt als titel: De Kerk in een geseculariseerde wereld. Inleiders zijn: Prof. dr. ir. H. van Riessen en ds. A. Noordergraaf. Van harte hoop ik dat velen zich voor deze conferentie zullen aanmelden, ook uit onze kring. Doet u het meteen bij: Ds. J. H. Velema, Anna Paulownalaan 17, Apeldoorn! Het welslagen van deze conferentie hangt grotendeels af van de belangstelling die ervoor bestaat. Kom en wek anderen op.
Het heeft er de schijn van, dat ik een goed woord doe voor de arbeid van het C.O.G.G. en de gelegenheid die collega Graafland mij daartoe bood, met beide handen aangreep. Dat is echter slechts bijkomstig. Wel heb ik de vinger gelegd bij een zwakke plek in onze onderlinge gesprekken: Er wordt te snel, en op te zwakke gronden geoordeeld. Dat geschiedt, over en weer. Het zou winst zijn, als we daar erg in kregen. Overigens zullen de bezwaren van collega Graafland hierdoor niet weggenomen zijn, naar ik denk. Hij noemt immers nog meer bewijzen van de verlegenheid waarin wij verkeren. Wij, dat zijn wij allen. Echter, dat moet gezegd, hij, anders dan anderen, anders dan ik. Daarover moesten we toch nog eens praten.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 augustus 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 augustus 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's