De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Boekbespreking

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Boekbespreking

14 minuten leestijd

Jodocus van Lodensteyn, door ds. D. Slagboom, geb., 157 blz. Uitg. De Banier, Bibliotheek voor het gezin.

In deze serie, die door de Uitgeverij De Banier verzorgd wordt, is nu dit deel over Van Lodensteyn verschenen.

Ds. Slagboom, Chr. Geref. predikant, heeft deze taak op zich genomen. In zijn: Woord vooraf, laat hij weten, dat de spanning tussen het voornemen deze studies te schrijven en de vervulling ervan ook hem niet onbekend is.

Over Van Lodensteyn is betrekkelijk veel geschreven. De geschriften die daarover handelen worden vermeld, zodat belangstellende lezers verder kunnen studeren.

Het is een goede zaak, dat deze man Gods in zijn leven en werken via dit boek onder de aandacht van velen wordt gebracht.

De indeling is niet van geboorte tot dood. Het eerste hoofdstuk geeft een korte levensbeschrijving. Daarna wordt in elk hoofdstuk een bepaald onderwerp behandeld: de vriendenkring, de reformatie van het leven, boeteprediker, herder in de gemeente, dichter van de nadere reformatie, kritiek tijdens en na zijn leven, betekenis en invloed tot op vandaag.

Wat is deze betekenis? Wel, dat het Van Lodensteyn ging om de reformatie van het leven en hij in deze (nadere) reformatie een profetische plaats innam!

Allerlei vragen rondom zijn persoon, prediking, zielszorg, worden behandeld. Daarbij komt de plaats van Van Lodensteyn ten opzichte van de reformatie en zijn opvolgers in de nadere reformatie aan de orde. Het is goed, dat de schrijver op deze vragen ingaat en b.v. het verschil tussen Van Lodensteyn en de lateren, als Smijtegelt, Iaat zien.

Ook wordt hier en daar op een voorzichtige wijze de kritiek niet gespaard. Echter de verbondenheid van de schrijver met de persoon en de prediking overweegt.

Het is een boek, dat zijn weg zal vinden. De schrijver zegt, dat dit werk geen wetenschappelijke pretenties heeft. Zou hij bij nader en breder onderzoek ons geen dienst doen door zowel de lijnen van de reformatie naar Van Lodensteyn als van Van Lodensteyn naar de uitlopers en de verzanding van de nadere reformatie scherper te tekenen?

Het is een vriendelijk verzoek. Daarmee doet hij velen een dienst. Het boekje wordt u van harte aanbevolen.

Prof. dr. K. Runia, Religie zonder God? Antwoord op Robinson's : „Eerlijk voor God", ing., 133 blz., prijs ƒ 1,75. Boeketreeks, Kok, Kampen.

De schrijver is in 1955 gepromoveerd aan de V.U. op een proefschrift: „De theologische tijd bij Karl Barth”. Sinds 1956 is hij hoogleraar in de dogmatiek aan het Reformed Theological College te Geelong, Australië.

Deze waardevolle studie begint met een uiteenzetting van de betekenis van de oecumenische symbolen. Zoals bekend worden daarmee bedoeld: het Onze Vader, het Nicenum en het Athanasium. Deze symbolen, voortgekomen uit de liturgie, zijn uitingen van persoonlijk geloof in het midden der kerk. De oude kerk kende geen tegenstelling tussen dogma en liturgie.

De latere, reformatorische belijdenisgeschriften zijn objectiever, uitvoeriger, hebben weinig of geen band met de liturgie en zijn theologische documenten, die alle nadruk leggen op de zuiverheid van de leer.

Het: ik geloof van de gehele kerk is ingewisseld voor het: Wij geloven van een groep gelovigen of van een hele denominatie. Zij zijn dus kenmerken van de gebrokenheid van de kerk.

De schrijver, die komen wil tot een weerlegging van de geschriften van Bultmann, Tilllch, Robinson e.a., neemt daartoe zijn uitgangspunt in deze oecumenische symbolen van de oude kerk en niet in de reformatorische, hoe waarderend hij overigens over deze belijdenissen spreekt.

Inderdaad zijn de vele belijdenissen vanuit de reformatie uitingen van de gebrokenheid van de kerk. Ook is waar, dat de schrijver in de bestrijding van deze nieuw-protestantse theologie sterk staat vanuit de oecumenische symbolen. Maar hoe heeft de reformatie zichzelf verstaan? Daarmee is de werkelijkheid, die de schrijver noemt, niet ontkend, maar het onderscheid tussen het: Ik geloof van de oude symbolen en het wij geloven en belijden van de reformatorische geschriften, doet wat kunstmatig aan. De geschiedenis van het ontstaan van de oude symbolen is bepaald niet verheffender geweest dan het ontstaan van de reformatorische belijdenissen.

In het tweede hoofdstuk gaat de schrijver in op de oorsprong van de oecumenische symbolen. Daarin staat veel belangwekkends. In het derde hoofdstuk komt het geloof van de oecumenische symbolen aan de orde. Dit geloof, waarin de verlossing centraal staat, is vol van de historische daden: verlossing, schepping, val, belofte, geschiedenis van Israël, verschijning van de Messias enz. Op dit historische legt de schrijver terecht alle nadruk. De zonde is in de historie bedreven en wordt in de historie verzoend, en wordt in de historie verzoend.

In het vierde hoofdstuk komt het trinitarisch kader waarin de oecumenische symbolen gezet zijn, breed in bespreking. De eenheid en de drieheid worden vanuit de Bijbelse en dogmenhistorische achtergronden belicht.

In hoofdstuk vijf wordt ons duidelijk gemaakt, dat de reformatoren deze symbolen van harte aanvaardden omdat zij in overeenstemming waren met de Schrift.

In het zesde hoofdstuk wordt in grote lijnen de ontwikkeling geschetst vanaf de reformatie naar deïsme, modernisme en neo-orthodoxie.

Het verschil tussen het modernisme en de neo-orthodoxie is volgens de schrijver, dat het eerste de oude symbolen openlijk bestreed, maar de neo-orthodoxie in de oude belijdenissen eigen interpretatie indraagt: de kerninterpretatie!

Nu (hoofdstuk VII) komt de schrijver tot zijn plan: weergave en bestrijding van het nieuw modernisme van Bultmann en Tillich. Volgens deze theologen moet het mythologische kleed van het Evangelie verwijderd worden om de boodschap te vinden. Hun leer wordt besproken en afgewezen als puur modernisme in een nieuw gewaad.

Een brede bespreking krijgt Robinson's boek: Eerlijk voor God. Deze bisschop heeft, wat in de studeerkamers van de theologen speelde, op een populaire wijze aan de man gebracht. Robinson ontleent veel aan Bultmann, Tillich en Bonhoeffer. Hij wijst de traditionele christelijke theologie af, geeft in veel opzichten een karikatuur van de orthodoxe christologie, enz.

Prof. Runia gaat alle aspecten van deze leer na en wijst haar af als een ander evangelie. Tegelijk wijst hij op de voordelen van deze kritiek, omdat wij gedwongen worden rekenschap te geven van de inhoud van de woorden die wij zo vaak gebruiken.

„Traditionalisme is als een poel met stilstaand water. Na een poosje begint hij te ruiken, wordt vergiftigd en tenslotte zal hij het leven, dat erin aanwezig is, doden." Dit is voor ons allen een waarschuwing. „De traditie moet 'n levende stroom zijn, waar wij zelf midden instaan.”

De predikanten zullen er veel in vinden wat zij weten, althans kunnen weten. Zij zullen het des niettemin met vrucht lezen. Maar vooral de belangstellende gemeenteleden zullen dit boekje tot fundering en versterking kunnen lezen. Hoe vaak lezen zij niet de namen van Robinson, Tillich en Bultmann?

Hier is goede en deskundige voorlichting. De prijs in deze boeketreeks is wel bijzonder laag! Hartelijk aanbevolen.

Katwijk aan Zee, G. Boer

Enige uitgaven van Kerk en Wereld 1965.

Op een conferentie van theologen uit verschillende kerken in april '65 gehouden was het thema: Vragen en antwoorden 1965 (leken stellen vragen aan theologen) en bij die vragen ging het om: De communicatie van het Evangelie in deze wereld. Van deze conferentie verscheen nu een gestencild verslag, waarin ook de discussie is opgenomen. Het zijn twee deeltjes (van 38 en 34 blz.). Over de volgende onderwerpen werd o.a. gerefereerd: De crisis in de communicatie van het Evangelie (A. v. d. Meiden); De crisis in de Verkondiging (dr. J. J. Buskes); De communicatie tussen predikanten respectievelijk geestelijken en leken (A. M. J. Kreykamp, o.p.); De gestalte van het gemeente-zijn in deze tijd (mej. drs. C. M. Warners). —

Men zat dus wel midden in de hedendaagse vragen. Als we echt nieuwe vormen zoeken, moeten we durven experimenteren, zei de heer V. d. Meiden. Mej. Warners wijst erop, dat wij moeten uitgaan naar de veranderende situatie zonder de continuïteit van geloof en leven te verliezen die de dienst der kerk pas echt christelijk maakt. Hoe levendig de deelnemers aan deze conferentie reageerden blijkt uit de discussie, die de lezer niet gaarne had willen missen.

In no. 25 van Horstcahiers zijn twee voordrachten opgenomen: de eerste van prof. dr. H. Berkhof: De ongeloofwaardigheid van het Evangelie in deze tijd. Hij zegt hier o.a. dat wij van de Scylla in de Charybdis dreigen te vervallen. Na een eenzijdige individualisering en verticalisering van het heil zijn we nu toe aan een even erge, zo niet ergere communicering en horizontalisering van het heil, waarin datgene wat centraal moet staan: de unieke relatie met de genade van God in Christus niet meer ter sprake komt. De tweede voordracht is van mej. Warners over hetzelfde onderwerp als van de conferentie: De gestalte van de gemeente in deze tijd: „Het is experimenteren geblazen, of wij willen of niet, pasklare antwoorden en vormen zijn er niet.”

Deze kleine brochures (de prijs van het Horstcahier is ƒ 1, 25) geven vooral voor onze theologen studiemateriaal van betekenis.

Dr. J. J. Buskes, Het bier is weer best, 110 blz., G. F. Callenbach, Nijkerk.

In de Waagschaal schrijft dr. Buskes regelmatig een stukje „Terzijde" en dat wordt door iedere abonnee van dit blad gelezen en niet alleen door hen. Van tijd tot tijd wordt een aantal van deze artikeltjes gebundeld. Na „Zoetzuur" nu het bovengenoemde. De schrijver typeert het geheel in de ondertitel van deze bundel als „Kerkelijke humor en rumor van terzijde". Raak zijn de stukken altijd, scherp soms, vinnig een andere maal, geestig b.v. de opmerking van de krant, die bang was dat zijn lezers niets wisten wat bedoeld wordt met de uitdrukking ‘houten broek’: het zou de streepjesbroek aanduiden, die al het ware tot de uitrusting van de dominees behoort! — Ik noem de naam van dat blad maar niet om te voorkomen, dat men denkt, dat ik propaganda maak of ook wel anti-propaganda. De prediking op de Veluwe komt aan de orde en het afscheid van een vicaris in Ermelo. Vlijmscherp is het antwoord aan kardinaal Alfrink op diens brief aan het moderamen van de Synode.

Ik houd niet van de titel; misschien is het wel daarom, dat ik dit boekje nog steeds niet aankondigde. Ik lust geen bier en ik geloof niet, dat het de maatschappij en de mens schade zou doen als het afgeschaft werd.

Een luchtig werkje, dat laat zien, dat dr. Buskes zijn mensen kent en een scherpe opmerker is.

P. Lugtigheid, Om u de waarheid te zeggen, 140 blz., ing. f 1,95, Carillonreeks no. 41. Uitg. W. ten Have, Amsterdam.

Ds. Lugtigheid heeft stampvolle kerken. Wat is het, dat de schare in zijn preken treft? Waar ligt ergens het geheim van zijn optreden? Hij stelt zijn hoorders wel midden in het volle leven met zijn gebrokenheid en ellende; hij geeft verhaal op verhaal en dat boeit zonder twijfel, de spreker houdt de mensen vast en daarop ziende zullen deze preken gelezen worden. Onze lezers zullen wel met mij in deze preken elementen van de zonde-en genadeleer missen, die wij onmisbaar achten.

C. W. Vos, Goede reis. Een boekje voor het Bijbelonderwijs op de scholen met illustraties van Nans van Leeuwen, 2 delen, f 1,75 per deel, Ringband ƒ 1,50, Boekencentrum, 's-Gravenhage, 1966.

Deze nieuwe losbladige methode voor het Bijbelonderricht op de scholen bestaat uit twee delen: deel 1 bestaat uit 15 lessen over het O. Testament en 8 lessen over het N. Testament. Het tweede deel bevat eveneens 15 lessen over het O. Testament en 9 lessen over het N. Testament. Elke les is twee bladzijden groot. Een handleiding voor de leerkracht (14 bladzijden) geeft enkele aanwijzingen bij het gebruik van deze methode (ƒ 1,--). De ringband is zo ruim dat kaartjes, opstellen en aantekeningen gemakkelijk kunnen worden opgeborgen. Er blijft bij deze methode een grote vrijheid voor de docent; de vertelling blijft en wordt niet door de lessen vervangen, die veelmeer een samenvatting geven van de Bijbelse boodschap.

Ik verwonderde mij over de opname van verscheidene Hebreeuwse woorden: Jom kippoer (waarom niet de bijbels-Hebreeuwse vorm? ), Thenach e.a. In een volgende editie zal men goed doen de tekens bij de geschiedenis van Dan. 5 te veranderen, daar de nu getekende niet de juiste zijn.

Zo heb ik nog wel enkele opmerkingen. Over de schepping wordt eerst in les 27 gesproken; ik begrijp wel waarom, maar acht het daarom nog niet juist.

Er zijn heel wat methoden voor het Bijbelse onderricht en wij kunnen niet anders doen dan er ons over verheugen, dat velen er zich voor inzetten om aan de kinderen van ons volk het Woord des Heren bekend te maken en mee te geven op hun reis.

H. Thielicke, Het Zwijgen Gods, 112 blz., Uitg. N.V. Zomer & Keuning, Wageningen.

Reeds verscheidene werken van de bekende professor in de systematische theologie aan de universiteit van Hamburg zijn in het Nederlands vertaald. Bij deze voegt zich nu een bundel met een tiental meditatiën. Enige dateren uit de zware oorlogsjaren: Catastrofen (Marc. 6 : 45 vv); Waarom? (eveneens uit 1942); Het zwijgen Gods (Matth. 15 : 21 vv). De meditatiën zijn rijk aan vermaning en vertroosting. De schrijver eindigt met een stuk getiteld: aan wie het laatste uur behoort.

De schrijver wijst erop, dat God juist en gaarne midden in de catastrofen op ons toekomt; juist op het ogenblik dat onze wereld in elkaar stort. Misschien, zegt hij elders, moet ons allemaal de grond onder de voeten wankelen, zodat we gaan vragen wat is de echte grond, waarop ik mijn leven kan funderen. Hij wijst er met klem op, dat het niet goed is ons bij voorbaat te laten meeslepen door een moderne vraagstelling; wanneer men werkelijk met God te doen heeft, moet de mens zwijgen. Hij waarschuwt voor een vrijblijvend geloof, dat niets mag (kosten. Hij tekent de Heere Christus als de grote zielszorger in de geschiedenis van de blindgeborene, als de discipelen met htin waarom tot Jezus komen.

Hier en daar zal de lezer iets willen aanvullen of ook wel van andere gedachten zijn; ik denk b.v. aan wat de schrijver zegt over het bidden in Jezus' naam, maar de auteur toont ook in dit werk zijn bijzondere gave om met de hedendaagse mens over de diepste vragen naar het evangelie te spreken.

E. Müller, Gesprek over het geloof, 212 blz., geb. ƒ 8,50, Boekencentrum' 's-Gravenhage. 1965.

De schrijver, directeur van de Evangelische Academie te Bad Boll heeft met vele mensen gesprekken gevoerd over het geloof en de neerslag van deze gesprekken vinden wij in dit keurig uitgevoerde boekje. De schrijver denkt bij zijn lezers aan mensen, die „het moe zijn zich slechts met alledaagse dingen bezig te houden en die bewogen worden door de vraag of het geloof der vaderen ook hun een mogelijkheid tot levensinzicht geeft".

De stof is verdeeld in drie stukken: De mens voor de persoonlijke God; Het geloof in Jezus Christus; De Geest van het leven uit God. In deze orde loopt de schrijver de voornaamste stukken van de christelijke leer langs. Hij schrijft over godsdienst als toverij; over Gods almacht en goedheid achter het geheimenis van het kwaad, over Gods gerechtigheid en het leed der wereld, over afzondering en verwereldlijking van de kerk (inderdaad beide gevaren bedreigen altijd de kerk), over de grenzen van de kerk.

Mij troffen in dit werkje vele goede opmerkingen: Ik noem er enige: Wie de kerk miskent, leeft — zonder het te bemerken — van het uitdovende licht van zijn eigen verstand. — Loochening van het wonder is terugval in het heidendom; wonderbewijs is een innerlijke tegenspraak. - -De christenen zien uit naar de voleinding van hun lichamelijk leven. Ik kies maar een aantal.

Anderzijds laat de schrijver de lezer meer dan eens in de mist staan, wat wel samenhangt met een kritische beschouwing van de Schrift. De schrijver staat zeer positief tegenover de opstanding des Heeren: Hij is het. Hij leeft! Toch schrijft hij: Men moest de strijd om het ledige graf terzijde leggen. Dat geldt ook van de hemelvaart en van enige andere leerstukken.

Het is een boeiend werkje, dat de lezer tot bezinning en nadenken noopt.

Utrecht, H. Bout

 

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 augustus 1966

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Boekbespreking

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 augustus 1966

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's