De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE UITVERKIEZING

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE UITVERKIEZING

10 minuten leestijd

I

De praedestinatie of voorbeschikking omvat meer dan de verkiezing. De praedestinatie beslaat een veel ruimer veld dan de uitverkiezing, zij raakt al de raad Gods. Ze gaat over het bestaan van alle schepselen: engelen, mensen, dieren, planten en over alle levenloze schepselen. Ze gaat over heel de tijd van ons aardse bestaan, en ook over heel de tijd van het aardse bestaan, van alle levenloze dingen, en alle levende dingen van planten af tot engelen toe, beide in de hemel en op aarde.

Ergens in deze praedestinatie is er een stuk, de verkiezing tot zaligheid namelijk, dat speciaal engelen en mensen betreft." En deze verkiezing zal dan nu onze aandacht bezighouden.

Er is een verkiezing van God niet alleen tot zaligheid, maar er is ook een verkiezing van God tot bepaalde ambten, tot een bepaalde positie. Zo kan er b.v. gesproken worden in de Bijbel over verkiezing tot het koningschap, b.v. van David, over een verkiezing tot het profetisch ambt, zoals van de profeten in* Israël. Er kan ook gesproken worden van een verkiezing tot het priesterlijk ambt, zoals het geslacht van Aaron verkoren is van God tot deze hoge en heilige taak. Een verkiezing dus tot bepaalde ambten. Daarover hebben wij het heden ook niet. Dan is er nog een ander begrip in de Bijbel voor verkiezing, n.l. een verkiezing van volkeren. Zo is het volk van Israël verkoren om een bijzondere plaats in te nemen in de heilsgeschiedenis van God, in de openbaringsgeschiedenis. Het volk van Israël is het volk, dat het volk van Gods eigendom genoemd wordt, dat de Heere dus noemt Mijn Gemeente, Mijn Volk, hoewel er allerlei mensen zijn die heel duidelijk tot de zaligheid niet komen, zodat er b.v. als Israël uittrekt in zijn begingeschiedenis uit Egypte, en het gaat naar het beloofde land (dat God aan héél het volk beloofd heeft) door God gezegd wordt, dat het merendeel van hen niet heeft kunnen ingaan vanwege hun ongeloof.

Als de Heere Jezus in het Nieuwe Testament spreekt over het volk van Israël, dan zegt Christus dat niet alles Israël is, wat zich Israël noemt; en dan zegt Christus van dit volk, dat Zijn volk is, dat Hij zo menigmaal begeerd heeft om dit volk bijeen te willen vergaderen; zoals een hen haar kuikens bijeenvergadert; maar gij hebt niet gewild. Zie uw plaats wordt u woest gelaten.

En daar gaat Israëls geschiedenis onder in de volkeren, en komen andere volkeren, en dan lijkt het alsof niét Israël, maar andere volkeren de volkeren van Zijn verkiezing worden, die gaan het heil dragen.

Daar gaat het Evangelie uit naar de volkeren der wereld, en de volkeren rond de oude wereldzee worden de volkeren van het Evangelie. En van daaruit gaat dan straks weer het Evangelie lopen naar de einden der aarde. En dan zien we dit wondere, dat in dit oude land, wat genoemd wordt het avondland, het Evangelie wat hier gedragen is zoveel eeuwen, minder schijnt te worden, hier vandaan schijnt te wijken, om te gaan naar andere delen van de aarde. En dan ziet ge aan het eind van de eeuwen weer dat heil terugkomen (Romeinen 11) bij het oude volk van Israël. Dan wordt er gewaarschuwd. God zegt: „Indien God de natuurlijke takken niet gespaard heeft, maar heeft ze uit-gehouwen, zo zal Hij ook de takken die tegen nature ingeënt zijn, niet sparen." Als straks de volheid der heidenen zal zijn ingegaan, dan zal Israël zich tot Christus bekeren, en dan zal Israël zalig worden. Zodat Israël wordt in de heilsorde Gods als het verkoren volk, het eerste, het fundament van de Kerk en straks weer het sluitstuk. God schept een schoon geheel, waarin Israël het begin en het einde is en zo een bijzondere plaats als het verkoren volk Gods inneemt. Dat is ook een verkiezing, die ons al dichter bijbrengt, de verkiezing om de drager van het Evangelie te zijn, van de boodschap van Christus, van de boodschap van de redding, van het Woord Gods, van al de woorden Gods.

Maar nu het andere, het speciale stuk van de verkiezing tot zaligheid. Jezus Christus is van God verkoren, is de verkoren Held, om de Zaligmaker van zondaren te zijn. Onder alle mensen, die van God afvallen zullen, onder de engelen die staande blijven zouden en die vallen zouden, vindt God niemand, die Borg kan zijn, die met zijn bloed Borg kan zijn, die een gemeente kan vergaderen voor God dan deze Ene, de eigen Zoon. Wat heeft God bewogen om te verkiezen Zijn Zoon om dat grote offer van Zijn leven te gaan brengen, en om zo Zich een gemeente te kopen? Daar staan wij eerbiedig voor stil, dat begrijpen wij niet. Als God om Jezus' wil, in Christus, Zich een gemeente verkiest, dan begrijpen wij dat ook niet! Dat God Zijn Zoon verkoren heeft, om Zichzelven over te geven in de dood van het kruis, in de nederdaling ter helle, dat is onbegrijpelijk en dat voor zondaars. En het even onbegrijpelijke is, dat God Zich een gemeente verkiest van zondaars, om die zalig te maken, voor die Ene, die Geliefde, de Heere Jezus Christus. Dat begrijpen wij niet. Zo hebben wij u te verkondigen onbegrepen dingen, en niet te begrijpen dingen, toch dingen, die de Bijbel ons duidelijk leert, en die ons zeer lief zijn. In Efeze 1 wordt gezegd, dat God alle dingen werkt naar de raad van Zijn wil, en als God dat doet, dan valt daaronder niet alleen de natuurlijke, maar ook de zedelijke wereld. Dan bepalen Gods gedachten niet alleen het stoffelijke, maar ook het geestelijke leven.

Er is een Britse monnik geweest, Pelagius, een zeer hoogstaand man, vooral zedelijk een zeer hoogstaand man, die met dit probleem geworsteld heeft, en het niet klaar heeft kunnen krijgen. Hij heeft het niet met elkander kunnen rijmen: de vrijmacht van Gods genade en de verantwoordelijkheid van de mens. Toen heeft hij de vrijmacht van de genade laten vallen voor de verantwoordelijkheid van de mens. Hij is in zijn worsteling gestuit op een andere bekende theoloog uit de 4e eeuw na Christus, Augustinus, die zijn grote tegenvoeter geworden is. Deze heeft geleerd de vrijmacht van Gods wil, waarin God Zelve genade bewijst naar Zijn welbehagen, en dat God genade bewijst naar Zijn wil, aan wie Hij wil. Augustinus heeft dit verbonden aan de andere kant met de verantwoordelijkheid van de mens. Hij heeft geleerd dat een mens verantwoordelijk blijft en naar God gaat zoeken. Volgens Augustinus worden het als twee handen, die in elkaar sluiten; de grijpende hand Gods die zondaars redt zondermeer. Hij alleen, en aan de andere kant de hand van de mens, die in zijn verantwoordelijkheid door de genade Gods ertoe gebracht wordt om deze hand, de Hand Gods te omvatten. De hand die van bovenai uitgestoken wordt naar een drenkeling in het water, welke hand gegrepen wordt. Dat is geen dode hand, maar is dan een levende hand, die omklemt de hand, die toegestoken wordt, en die hem redt uit de diepte van zijn verderf.

Pelagius meende dat de verantwoordelijkheid van de mens op deze wijze losgelaten werd, en ook alle prikkel tot heiligmaking verloren ging. Hij zegt: „God heeft wel besloten tot de zaligheid." Dat moest hij wel erkennen, dat zag hij zo ook in de Bijbel staan. Maar hij zegt: „Als God dat doet, dan doet Hij dat uit voorwetenschap. God heeft van te voren gezien wie naar Hem zouden vragen, die Hem zouden kiezen tot hun deel, en uit deze voorwetenschap heeft God deze mensen geschreven op de rol van Zijn boek, deze mensen willen brengen tot de zaligheid”.

Op deze wijze wordt God de afhankelijke God. Als wij de vrijmacht handhaven van de God, die redt, van Wie het alleen uitgaat, en van God, Die alles doet, dan blijft God de God van alle genade. Maar als wij het om gaan keren, en de mens laten opklimmen tot God, laten zoeken naar God, laten vragen naar God, als we het van de mens uit gaan zien, dan moet God afhankelijk gesteld worden van mensen, die het behaagt, die het belieft, om God te kiezen tot hun deel. En als het nu zo is, dat God afhankelijk gesteld wordt van de keus, van de willekeur van de mens, dan zijn we bezig de God van alle genade kwijt te raken. Voor alle dingen moeten we dit vaststellen, dat God hooggehouden moet worden, en dat Gods deugden, Gods goedheid. Zijn eigenschappen veiliggesteld moeten worden in heel onze theologie, in heel ons geloof. Eerder zullen we van alles van de mens afgaan, dan dat we één ding ten nadele van God zouden zeggen, waardoor God enigszins verkleind zou worden. God is gróót in al Zijn werken, en wij begrijpen Hem wel niet, maar Zijn grootheid zullen we Hem laten.

Als God nu de eerste oorzaak is van alle heil, als Hij besloten heeft om Zijn Zoon te zenden aan een wereld verloren in schuld, dan zegt ons dat reeds dit, dat God in eeuwig welbehagen bewogen geweest is, om redding te geven. Als God dat doet, zal God dan ook niet het andere doen, dat Hij aan deze Zoon geeft een volk van Zijn eigendom? Dat nu heeft Hij gedaan! Hij heeft van eeuwigheid gezegd tot Zijn Zoon: „Eis van Mij en Ik zal U geven de heidenen tot Uw erfdeel, en de einden der aarde tot Uw bezitting." Ik zal U geven! Jezus zegt in het hogepriesterlijk gebed: „Al wat Mij de Vader geeft, dat zal tot Mij komen." De gegevenen des Vaders, die Hem van de Vader gegeven worden, die zal Hij ontvangen. Christus krijgt Zijn loon. Het is niet mogelijk dat loon eventueel te vergroten, eventueel te verkleinen. Dat behoort tot het uitgeslotene. Het loon wat God geeft aan Zijn Zoon, dat staat vast. Dat is een loon, niet klein, het is groot; dat is een loon van de Vader gewogen met Zijn hand.

En ten tweede is er dan de Heilige Geest. Hij heeft mede gezeten in de raad Gods, Hij heeft medegemaakt dat plan in de eeuwige vrederaad, vèr voor alle dingen. Het is de Geest Gods geweest, de Geest, Die de Bijbel ons geschonken heeft, de Geest Die uitgaat in de wereld om de gemeente voor Christus te vergaderen van de einden der aarde. Het is de Geest Die uitgestort is, niet met mate, en Die gegeven wordt aan al de gekenden des Vaders, en de gekochten door Jezus' bloed. Nu komt die Geest. Hij wint voor Christus een gemeente. Er staat in de Bijbel: „Er geloofden er zovelen, als er verordineerd waren tot het eeuwige leven." De Geest bindt Zich aan het plan van de Vader, en de Geest bindt Zich in Zijn arbeid aan het offer van de Zoon. Jezus zegt: „Hij zal het uit het Mijne nemen, en Hij zal u verkondigen.”

Welnu, zo ongeveer was nu de redenering van de grote Augustinus, de tegenstander van Pelagius. En Augustinus heeft het in dit Westen gewonnen! Zo is in Nederland in de kerken van de Reformatie met de Schrift in de hand, men ertoe gekomen om onverbloemd te belijden, dat God naar Zijn eeuwig besluit met het geloof begiftigt, wie Hij wil, en dat Hij anderen niet begiftigt naar Zijn welbehagen. En dat God Zich ontfermt over wie Hij wil, en dat Hij verhardt wie Hij wil.

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 augustus 1966

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE UITVERKIEZING

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 augustus 1966

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's