DE UITVERKIEZING II
Zo staat daar dat geweldige besluit Gods voor ons, en we zien dat werken in deze wereld, we zien het, dat het Evangelie gaafdoor deze wereld heen naar Gods welbehagen, de gang van het Heil. De gang van het Evangelie gaat zo, dat Paulus op een gegeven ogenblik zeggen moet: „En de Geest Gods liet het mij niet toe om verder Azië in te trekken". Hij moet een andere weg gaan, en u ziet dat Evangelie gaan naar de onnaspeurlijke wegen Gods door deze wereld heen, naar de raad Gods, naar het welbehagen Gods. Men ziet ook onder dat Evangelie twee dingen geschieden. U ziet mensen, door God begenadigd, buigen onder het Evangelie Gods, en dat aanvaarden, dat geloven en daardoor zalig worden, en ze zeggen één en allemaal: „God heeft mij overmocht. God heeft mij overwonnen door Zijn genade; ik had niet gewild, maar Hij heeft mij gewild; ik heb Hem niet gezocht, maar Hij heeft mij gezocht". Omdat Hij ons liefgehad heeft met een eeuwige liefde, daarom hebben wij Hem lief.
En u ziet aan de andere kant dat er zijn, o zo velen, die het Evangelie niet gehoorzaam zijn. En we zien, dat het Evangelie daar, waar het gepredikt wordt, weerstaan wordt. U ziet daar mensen zich verzetten tegen het heil, en gij ziet in hun gelederen staan een man als Judas, waarvan staat geschreven, dat hij ging naar zijn eigen plaats, waartoe hij ook gezet was. Dat is de ontstellende ernst: de wereld zegt neen tegen God, neen tegen het Evangelie. Men denkt dat men eigen keus doet, en men doet dat, maar daarboven staat die raad Gods over zijn leven, die met alle ernst aan de ene kant het Evangelie doet verkondigen, en die aan de andere kant met volledige ernst zegt: „Zo verhardt God dan wie Hij wil". Van Farao staat geschreven, de man die een Jozef aan zijn hof gehad heeft, die een volk Israël in zijn land gehad heeft, die hun God gediend hebben in het land Gosen, en die achtervolgt dat volk van oord tot oord: „Hiertoe heb Ik u verwekt, opdat Ik in u Mijn kracht zoude bewijzen". Daar hebt u dan de twee stukken; de verkiezing en de verwerping. Deze twee stukken, die door ons niet dan met de grootste voorzichtigheid gehanteerd kunnen worden, die eenvoudig geloofd willen zijn, omdat het twee daden van God zijn, en waar wij met alle eerbied over vervuld moeten zijn. Wij kunnen zeggen als wij tot die genade mogen komen: „Heere, dat was door U door U alleen, om het eeuwige welbehagen". Wij zullen het in de hemel niet moeilijk hebben, om God er al de eer voor te geven, dat wij zalig geworden zijn. God had ons evengoed kunnen laten, zoals Hij anderen heeft gedaan, in het verderf, dat we zelven gezocht hebben. En als wij verloren gaan zullen wij niet kunnen zeggen dan dit: „Ge deedt ons geen onrecht, dat Gij ons liet, waar we waren, wij hebben dit eerlijk verdiend”.
En nu de Schriftbewijzen daarvoor. Het Oude-en het Nieuwe Testament leren dit stuk van de verkiezing duidelijk. In het Oude Testament lezen wij, dat Mozes zegt: Nu dan indien Gij hun zonden vergeven zult, doch zo niet, delg mij uit Uw boek, het welk Gij geschreven hebt". Daar hebt ge het boek des levens, dat boek wat Mozes het eerste noemt in die eerste Bijbelboeken, en wat een rol gaat spelen door heel de Bijbel heen. U leest dat in Psalm 87, waar God spreekt over het opschrijven der volkeren, en waar Hij degenen, die zalig worden, telt als degenen die in Is’rel zijn ingelijfd. En u ziet dat boek in de Openbaring terugkomen in de dag des oordeels: En de boeken werden geopend, en een ander boek werd geopend, dat des levens was". Alle vlees werd geoordeeld naar die boeken, naar dat boek dat des levens was, waarin de namen geschreven stonden van degenen, die gekocht zijn door het Lam, die het Lam gevolgd hebben, waar Het ook henenging. Zij worden zalig wier namen geschreven stonden in het Boek des levens. In Spreuken 16 : 4 leest u, dat de Heere alles gewrocht heeft om Zijns Zelfs wil, ja ook de goddelozen tot de dag des kwaads. In Jeremia 1 : 5 dat tere woord: Eer Ik u in de moederschoot formeerde, heb Ik u gekend, en eer gij uit de baarmoeder zijt voortgekomen, heb Ik u geheiligd". Dat is het Oude Testament waar dat tere, dat barmhartige stuk van Gods verkiezende liefde zo wordt beschreven, dat zelfs eer wij in de moederschoot kwamen Gods keuze reeds over ons ging. Vindt u niet geweldig, dat de Bijbel dat leert, dat Hij niet afhankelijk gesteld is van ons kiezen, maar dat het zo is dat God in dat wonderlijke mededogen van eeuwigheid, eer iets van ons begon te leven, Hij onze naam reeds in Zijn boek geschreven heeft.
In het Nieuwe Testament is het alweer precies hetzelfde. Ik zeide dat van Judas gezegd werd, dat hij ging naar zijn eigen plaats, en dat hij deed waartoe hij ook gezet was. Het Nieuwe Testament spreekt van de verwerping van Ezau, en van de verkiezing van Jakob; van de verharding van de goddelozen, en van het verdragen van de vaten des toorns tot het verderf toebereid. En al deze dingen worden niet slechts gezien in het licht van de tijd, maar in het licht van de eeuwigheid. En dan krijgt u dat diepe hoofdstuk uit de Romeinenbrief, waarin deze dingen door Paulus verdedigenderwijze behandeld worden. Dan zegt Paulus: „Nu zult u zeggen, wat klaagt God dan nog, als wij ons tegen Hem verharden, als Hij de verkiezende God is" en dan zegt Paulus: „Doch wie zijt gij o mens, wie tegen God antwoordt". En hij slaat ons dat uit de hand, en hij zegt ons: U hebt dat alleen te geloven, en daar diep eerbiedig voor te buigen. In het Lukasevangelie, waarin Jezus' komst wordt beschreven, wordt van Hem gezegd, dat Hij gesteld wordt tot een val en tot een opstanding van velen in Israël, en dat Hij gezet wordt tot een steen des aanstoots, en tot een rots der ergernis. Jezus zegt: „Verblijdt u veel meer hierover, dat uw namen geschreven zijn in de hemelen". In de Handelingen der Apostelen wordt klaar en duidelijk gezegd: „Er geloofden er zovelen als er verordineerd waren tot het eeuwige leven". Dan volgt Efeze 1: „De genade is ons gegeven in Christus Jezus vóór de tijden der eeuwigheid”.
Welnu, genoeg over de Schriftbewijzen.Waar het nu zo is, dat de verkiezing van God uitgaat, hoe doet God dat dan? Verkiest God enkelingen? Doet Hij hier een greep, daar een greep; in die tijd daar een greep, in die tijd daar een greep? Neen, daar zit een bepaald systeem in. Daar zit een ordening in. God bouwt Zijn Koninkrijk naar een bestek. Waar wij, nu zoveel eeuwen achter ons liggen, terug mogen zien op die eeuwen, - dat God gewerkt heeft, waarin Hij Zijn Kerk gebouwd heeft, zien wij dat overal waar het Evangelie gegaan is, en Zijn werk. Zijn gezegend werk gedaan heeft, er een Kerk verrezen is naar dat gemaakte bestek. Wij zien iets van dat schoon bestek en wij worden getroost bij het verrijzen van de Kerk naar dat vaste plan.
In deze tijd taant de godsdienst en de kerk in ons werelddeel, en we worden bang als we denken aan dat woord, dat Jezus gesproken heeft: „Als de Zoon des mensen wederkomen zal, zal Hij dan ook geloof vinden op de aarde? " We worden daar bang van en toch, ziende op wat God voorheen gedaan heeft, geloven wij dat deze verkiezende God voort zal gaan, ook in de toekomende eeuwen. Al zouden zich dan ganse volkeren van God afscheuren, en van Zijn dienst afkeren, zal God voortgaan Zijn plan te volvoeren, en de Kerk rijst naar dat gemaakte bestek, dat God in eeuwigheid gemaakt heeft. God bouwt voort door alle geslachten heen. Hij bouwt Zijn Kerk verbondsmatig. Er is in onze kringen vaak gezegd, dat genade geen erfgoed is. Ik ben dat wel eens in deze zin, dat als een vader God dient, en hij sterft, en hij laat zeven kinderen na, dat dan deze zeven kinderen zonder meer alle zeven geen erfgenamen zijn van het heil. Dat zien we voor onze ogen wel anders. Maar ook met de Bijbel in de hand zien wij dat andere. Zo is het niet waar, dat genade geen erfgoed zou zijn, dat God die niet zou voortzetten in de lijn der geslachten; want dat doet God n.l. zeer wèl, Abram — Izak — Jakob. Daarnaast staat dan een Ismaël, en daarnaast staat dan een Ezau tot ernstige waarschuwing, dat het heil niet aller is, en het geloof niet aller is. Maar we zien God opbouwen in de lijn der geslachten. De verkiezing Gods is dus een organische! Wat een zegen, dat u dat geloven moogt, dat waar God de Kerk gebouwd heeft in vroegere geslachten, gij er hoop uit moogt putten, dat Hij vandaag voort zal gaan in dit geslacht. En dat u ook hoop moogt hebben voor uw kinderen, dat God met het bouwen van Zijn Kerk naar Zijn verkiezing, naar Zijn plan, voort zal gaan in de komende geslachten. Wat pen troost! Dan kan men zelfs als men met de kinderen moeite heeft bij hun opvoeding, om ze bij de dingen van het Koninkrijk Gods te houden en ze het vermaan van de kerk niet horen, daar toch moed uit scheppen en zeggen tot God: „Heere, Gij zijt een God, Die naar een vast plan werkt, en Gij werkt naar uw verbond van vader op zoon, van ouder op kind, geef ook mijn kind genade”.
Daar staat dat wondere gebed:
Geef dat mijn oog het goed' aanschouw, 't Welk Gij, uit onbezweken trouw, Uw uitverkoor'nen toe wilt voegen; Opdat ik U mijn rotssteen noem'. En delend in Uw volks genoegen. Mij met Uw erfdeel blij beroem’.
Het is niet alleen verbondsmatig een vaste voortgaande lijn, maar daar is ook een lijn in de verkiezing Gods, die ons laat zien, dat God niet maar enkelingen kiest en zaligt, die Hij als enkelingen laat staan, zodat zij individualisten zouden worden, maar God bouwt er een volk van. Het volk van Israël is als een type gegeven voor de gemeente van Christus van de nieuwe dag. Dat is de belofte Gods, dat het een volk wordt. Jezus zal een Koning zijn, die een volk ontvangt. Het is Zijn bruidsgemeente, maar het is ook Zijn volk. Eén volk! Er staat in het boek Esther, dat er verspreid door al de landschappen van het machtige koninkrijk van die koning, in die dagen een volk was, dat naar eigen wetten leefde, een volk dat voor God alleen boog, verspreid over de 147 landschappen. Over de héle wereld, de koninkrijken, de landschappen der wereld is er ook een volk, een gemeenschap, een eenheid, dat staat onder Koning Jezus. Het is aan Koning Jezus gegeven als volk.
God kiest wel, maar God bouwt er wat van. God maakt er een gemeenschap van, God maakt er een volk van. Ik moet het nog iets dieper zeggen, het is niet alleen een volk, maar het is een Kerk, de Kerk van Christus; (kerk — to kuriakon — hé kuriakè — ecclesia) wat betekent de Gemeente die des Heeren is. Het is een Gemeente! Een volk dat kan nog — we weten het in ons eigen volk — in allerlei partijschappen uiteenvallen. Maar de Kerk van Christus, in welk land ze ook woont, die wordt een gemeenschap, ze heeft gemeenschap onderling, omdat ze van één God verkoren is; omdat ze door één Bloed gekocht is; omdat ze door één Geest vergaderd wordt. En nu staan we voor dit wonderlijke feit, dat God een gemeente Zich verkiest, die een onderlinge gemeenschap vormt. Zij hebben elkander zo lief, want zij zijn familie van elkander. Van welke kerk ze zijn, in welk land ze wonen, ze vormen een gemeenschap met al degenen, die hun heil in Christus zoeken, met al degenen, die door Christus' genade gekocht, en door Zijn heerschappij overwonnen worden.
Ernstig zij ertegen gewaarschuwd, dat men niet op een individualistische wijze de dingen Gods verstaat, ook niet de verkiezing, ook niet de genade. Want wie individualistisch denkt, die kan los van de gemeente Gods leven, op zichzelf alleen. Dat is vaak een bron van hoogmoed, men kan dan alle anderen missen, men behoeft niet met anderen tot die ene Kerk gerekend te worden, men hoeft niet met anderen onder diezelfde Sacramenten gebracht te worden. Dat doet God nu juist; die Hij verkiest, die voegt Hij in in Zijn Kerk. Het is daarmee als met een bouwwerk, waar God de mensen als stenen, als levende stenen invoegt. Men wordt samengevoegd rondom het Woord Gods, rondom het Sacrament Gods. Zo rijst dat machtig gebouw van Gods gunstbewijzen waarin alle heerlijkheid de roem van de souvereine God verkondigt. Het hele gebouw verkondigt: „Door U, door U alleen zijn we wat we zijn, hebben we wat we hebben: de genade van Uw Woord, van Uw Evangelie, de genade van Christus' bloed en verzoening; de genade van de heilige Sacramenten, waardoor Gij het geloof versterkt en onderhoudt". Zie, daar hebt ge de verkoren Gemeente.
Verstaat u het, dat God bezig is naar het plan van Zijn genade een Kerk te bouwen, die als een kathedraal, die als een levende tempel wordt van de levende God, geschonken aan de Zoon van het huis, de Heere Jezus Christus. Als u dat verstaat, dan zal het u niet moeilijk vallen, om van dit vrijmachtig heil te zingen: „'k Zal eeuwig zingen van Gods goedertierenheen", dan zal het u niet moeilijk vallen om van deze souvereine God te zingen dat oude lied van de vrijmacht Gods: „Gij toch. Gij zijt hun roem de kracht van hunne kracht. Uw vrije gunst alleen wordt de ere toegebracht, daar Uw geheiligd volk van Uwe trouw mag zingen". Daar klinkt het over de rondte der aarde, waar maar een volk woont, dat zijn God dient en door de genade gezaligd wordt, dat voor God als de énige Souverein leert buigen. Die God te verheerlijken, dat wordt hun lust. Dat klinkt over de rondte der aarde heen, waar maar volken wonen op wie God in welgevallen heeft neergezien.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 september 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 september 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's