PAULUS
Dr. Herman Ridderbos, Paulus, Ontwerp van zijn theologie, geb. 653 blz., prijs ƒ 39,50, Kok n.v.. Kampen.
In dit werk heeft dr. Ridderbos opnieuw een belangrijk werk over het Nieuwe Testament op tafel gelegd. Wie zijn: „De komst van het Koninkrijk" en „Jezus en Paulus" gelezen heeft, zal dit vervolg van de arbeid van dr. Ridderbos met grote dankbaarheid ter hand nemen. Wanneer wij dit werk niet alleen doorbladeren, het niet alleen lezen op die plaatsen, waarbij onze belangstelling bijzonder gaande is, maar het in zijn geheel doorwerken, dan worden wij door de schrijver op een boeiende tocht door de brieven van Paulus meegenomen. Het is een tocht, die wel door rustpauzen moet worden onderbroken om het alles te verwerken, maar die nooit verveelt.
Dit wil niet zeggen, dat dr. Ridderbos een „vakantieboek" geschreven heeft, al is een deel van de vakantie zeer goed besteed, wanneer ge daarmee bezig geweest zijt. Het is een boek voor de predikanten. Hebben de gemeenteleden er niets aan? Dat hangt ervan af, of zij enige scholing en of zij diepe belangstelling hebben voor deze stof. Zolang er gemeenteleden zijn, die de Institutie van Calvijn lezen en herlezen, zullen er ook zijn, die naar dit werk van dr. Ridderbos grijpen.
Ik noemde de Institutie van Calvijn. Daarmee bedoel ik niet dit werk te vergelijken met het werk van Calvijn. Dat zou dr. Ridderbos niet willen, omdat zijn boek een ontwerp is van de theologie van Paulus. Hij wil ons een deel van de Schrift verklaren. Met deze opzet zitten wij midden in de Bijbelse theologie, die in deze eeuw grote opgang heeft gemaakt en ons grote diensten bewezen heeft door ons de inhoud en de samenhang van de Bijbelse woorden naderbij te brengen. Het bezwaar van de voorstanders van de Bijbelse theologie tegen de dogmatici en de dogmatiek was en is nog al eens dat in de dogmatiek de Schrift zelf veel te weinig aan het woord kwam en komt.
Wie zal ontkennen, dat hier iets van waar is? Het is en blijft de grote verdienste van Calvijn, dat hij de leer in de nauwste samenhang met en vanuit de Schrift ontvouwde.
Dit is ten dele ook het voordeel van de huidige Bijbelse theologie, voorzover zij uitgaat van de eenheid der Heilige Schrift. Daaraan mankeert het vaak. Bovendien is de Bijbelse theologie vaak met zoveel „dogmatische" vooroordelen bevangen, dat zij de dogmatiek niets behoeft te verwijten.
Wat de eenheid van de Schrift betreft, dr. Ridderbos belijdt deze van harte. Maar is het met de eenheid van de Schrift in overeenstemming, dat bepaalde delen van de Schrift, in dit geval de brieven van Paulus afzonderlijk onder de loep genomen worden?
Natuurlijk isoleert dr. Ridderbos Paulus niet in en van de Schrift. Dat blijkt ook wel uit zijn geschriften. Maar daarmee is het gevaar van de afzonderlijke behandeling op voetspoor van de Bijbelse theologie niet weggenomen.
In het vervolg van deze eerste opmerking ligt de tweede. Kunnen wij van een theologie van Paulus spreken? Niemand kan ontkennen, dat Paulus een eigen en bijzondere plaats in de openbaring Gods heeft ingenomen. Het naspeuren van deze eigen plaats is roeping en plicht. Maar kunnen wij dan van een theologie spreken? Geven wij dan niet onbedoeld toe aan het atomisme (versnippering) van de Schrift?
Daar komt nog iets bij. Elke bezinning op een zo levend geheel als van de brieven van Paulus heeft iets stollends. Daaraan ontkomt niemand. Maar lopen wij bij een ontwerp van de theologie van Paulus niet dubbel gevaar bepaalde facetten van de prediking van Paulus te rubriceren? Laat ik een voorbeeld noemen. De liefde bij Paulus kan in een ontwerp van een theologie in een bepaalde paragraaf worden ondergebracht, maar bij Paulus staat deze tussen 1 Cor. 12 en 1 Cor. 14 en op vele andere plaatsen.
Daarmee kom ik tot het eigenlijke, dit is, dat Paulus — hoewel theoloog als niemand anders — apostel en openbaringsgetuige was als prediker. Met andere woorden: alle Bijbelse woorden functioneren bij hem in de geladenheid van de Heilige Geest in de prediking. Daardoor zijn de uitdrukkingen, die hij gebruikt en de begrippen die hij hanteert, soepel, beweeglijk, dynamisch en plastisch. Zodra wij ze afzonderlijk gaan bekijken, tegen elkaar afwegen, met elkaar gaan vergelijken, halen wij ze uit het levend organisch geheel en uit de diepte-dimensie van de Heilige Geest.
Intussen zouden wij de schrijver schromelijk onrecht doen, wanneer wij van hem zouden verwachten, dat hij ons de prediking van Paulus zou „overdoen" of „nadoen". Dat is zijn bedoeling niet en dat mogen wij ook niet verwachten. De bedoeling van de voorafgaande opmerkingen is te wijzen op de eigenaardige moeilijkheden, die zich voordoen bij het schrijven van een ontwerp theologie van Paulus.
Zullen wij — daarmee bedoel ik voornamelijk de predikanten — aan de prediking van Paulus recht doen, sterker aan de bedoeling van de Heilige Geest beantwoorden, dan zullen wij al deze woorden en begrippen opnieuw in het veld van de prediking en de overdracht in de diepte-dimensie van de Heilige Geest hebben te zetten. Dit is geen kleinigheid.
Daartoe levert dr. Ridderbos ons een uitnemend en uitgebreid arsenaal. Wij worden op school genomen en op een zeer bekwame wijze onderwezen.
Wanneer wij elkander daarvan een indruk willen geven, dan is het het beste, dat wij u de hoofdlijn van het boek laten zien.
Na een inleiding over de geschiedenis van het onderzoek komen in hoofdstuk II de grondstructuren van Paulus' theologie aan de orde. Daarna volgen: het leven in de zonde, de openbaring van de gerechtigheid Gods, de verzoening, het nieuwe leven, de nieuwe gehoorzaamheid, de Kerk als het volk van God, de Kerk als het Lichaam van Christus, Doop en Avondmaal, de opbouw van de gemeente en de toekomst des Heren. Deze hoofdstukken zijn alle overzichtelijk geordend in paragrafen.
Wat opvalt is niet alleen de ordening van de stof, maar ook de aanwijzing van de samenhangen. Wat een perspectieven!
Dr. Ridderbos neemt als uitgangspunt (of zoals hij het noemt als hoofdingang) niet de rechtvaardiging door het geloof als in de reformatie, maar het heilshistorische eschatologische karakter van Paulus' verkondiging. Dit betekent natuurlijk niet, dat de rechtvaardiging door het geloof in dit boek niet aan de orde komt, maar wel, dat het geheel van de inhoud van de prediking van Paulus onder het gezichtspunt komt te staan van de met de dood en opstanding van Christus ingegane laatste fase van de geschiedenis.
Deze heilshistorische inzet blijft de schrijver in zijn gehele boek trouw. En — het moet gezegd worden— daarmee geeft hij vaak verrassend licht over teksten en pericopen, die onder ons vaak zo verklaard worden dat dit heilshistorisch aspect tekortkomt.
Het in-Christus-zijn en het in-de-Geestzijn komen — bij de schrijver — voornamelijk voor onder deze heilshistorische gezichtspunten. De heilsorde wordt in grote lijnen afgewezen, omdat deze de heilshistorische categorieën van Paulus niet zou onderkennen en het zwaartepunt vanuit het in en met Christus gestorven en opgewekt zijn of zou verwaarlozen of in verkeerde verbanden zou zetten.
Het gaat niet aan in een recensie de heilsorde te behandelen. Wanneer alle misvormingen en vergroeiingen, die de heilsorde heeft ondergaan in de loop der eeuwen, worden afgetrokken, blijven er zeer legitieme vragen ten aanzien van de toeëigening van het heil over. Die vragen ontloopt de schrijver ook niet, wanneer hij na al de heilshistorische aspecten tenslotte komt bij het binnengaan van dit heil in ons bestaan via de wegen van de doop en het geloof.
Hoe belangrijk ook de heilshistorische wending is en hoezeer deze in de prediking ook een centrale plaats inneemt, toch blijft er in de Schrift ruimte voor het aankomen van het heil bij de mensen. Nu is de moeilijkheid, dat dr. Ridderbos dit allerminst ontkent en daar ook aandacht aan schenkt, terwijl er toch een gevoel van een leemte overblijft.
Wat we daarmee bedoelen? Laat ik een voorbeeld noemen. Wanneer eerst Rom. 6 in de heilshistorische aspecten is verklaard, komen de wegen van doop en geloof aan de orde. Voortdurend denkt ge, dat de uitspraken van Rom. 6 betrekking hebben op een gemeente en op personen, die na belijdenis des geloofs de doop hebben ontvangen in de z.g. volwassendoop. Aan het eind zegt de schrijver dit ook. Men dient er volgens hem rekening mee te houden, dat de uitspraken van Rom. 6 niet zonder meer voor de kinderdoop gelden, maar dat in Rom. 6 mensen bedoeld worden, die hun geloof reeds beleden hebben. Maar welke consequenties dit heeft voor de prediking en de situatie van nu, daarop gaat de schrijver niet in. Dit behoort wellicht niet tot zijn taak. Toch rijst dan de vraag: Waarom is de geachte auteur zo breed, wanneer het over de heilshistorische aspecten gaat en zo kort, wanneer het gaat over de wegen, waarlangs dit heil gaat en komt tot mensen?
Hiermee kom ik tot de pneumatische kern in het leven van Paulus. De auteur stelt, dat de benadering van Paulus' theologie dient plaats te vinden vanuit zijn brieven, niet vanuit zijn persoon, bekering, ervaring enz. Het heil komt van God door Christus in de Geest tot de gemeente en via de gemeente tot de enkeling, 'k Geloof, dat dit juist is. Een andere vraag is, of niet evenzeer aandacht geschonken moet worden aan de bekering van Paulus en de „weg" waarlangs Paulus aan deze schatten deel kreeg. De alles bezielende motorische kracht in zijn leven is toch zijn verbinding geweest met de verhoogde Christus. Zijn in-Christus-zijn moge gefundeerd zijn in de dood en de opstanding van Christus, hij wist dit niet, totdat Christus hem ontmoette. Dat hem later — na vele jaren studie, mediteren, peinzen, enz. — door de Heilige Geest veel diepten en verborgenheden geopenbaard zijn, is duidelijk. Nu is mijn bedoeling duidelijk te maken, dat er niet alleen de strakke heilshistorische weg is, die de schrijver schetst, maar ook omgekeerd een weg (door God gebaand) van de ontmoeting met God naar de verdieping en verbreding van de inzichten in de verborgenheden van het Evangelie, 'k Wil deze beide gezichtspunten niet coördineren, maar wel aan de laatste een plaats geven, ook nu. Daarbij doen wij Paulus niet over, daarbij trekken wij de heilshistorie niet op het vlak van de een of andere heilsorde, maar blijft er de werkruimte van de Heilige Geest nog op een andere wijze dan in de verbanden van de auteur.
Verder blijft het m.i. jammer, dat de auteur Rom. 7 grotendeels verklaart als van de mens in de zonde, die in worsteling is met zichzelf. De parallel met Gal. 5 is m.i. dwingend, al geef ik toe, dat Rom. 7 deze zaak veel uitvoeriger en met meer complicaties aan de orde stelt.
Een ernstig bezwaar mag gemaakt worden tegen de verklaring van Rom. 9—11 ten aanzien van het verkiezend handelen. Niet alleen worden art. 16 van de Ned. Gel Bel. en de Dordtse Leerregels, zonder dat ze genoemd worden, bestreden, maar ook de Schrift in zijn geheel wordt m.i. geen recht gedaan. Is het mogelijk de numerus clausus af te wijzen in het geheel van de Schrift? Hier komen de schaduwzijden van het verklaren van een deel van de Schrift bloot. Is er — met Joh. 17 en andere Schriftplaatsen in de hand — niet nog veel meer over deze zaak te zeggen? De Heilige Schrift in haar eenheid is toch haar eigen vertolkster?
Dit zijn wel de voornaamste vragen, die rijzen. Daarmee keer ik weer terug tot het begin: theologie en prediking. Hoeveel opmerkingen dr. Ridderbos ook maakt over de prediking, een afzonderlijk hoofdstuk ontvangt deze niet. In de bespreking van de bezwaren zit een bewondering van het overige werk. En dat is in een recensie niet allemaal op te noemen. Laat ik mij beperken tot het vermelden van de bespreking van de grondstructuren, de verzoening, de nieuwe gehoorzaamheid, de kerk.
Het is een werk, dat zijn weg niet alleen in Nederland, maar ook in het buitenland zal vinden. Dat is het zeker waard. Laten wij intussen in Nederland er ons voordeel mee doen, door het niet alleen aan te schaffen, het niet alleen in onze studiebijbel (achterin staat een uitnemend tekstregister!) in te schrijven en het in ons eventueel kaartsysteem (achterin is een uitnemend zaakregister!) te verwerken, het niet alleen te lezen, maar het ook te bestuderen en het ons kritisch eigen maken. Waar halen wij de tijd vandaan? Die moet er komen. De kerkeraden moeten hun predikanten tijd voor studie geven en de dominees moeten hun tijd indelen en niet teveel „koffie drinken" enz. Dan kan er veel gebeuren.
Aan de schrijver onze zeer hartelijke dank voor deze indringende en boeiende studie.
Katwijk aan Zee, G. Boer
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 september 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 september 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's