De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

God had over ons wat beters voorzien

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

God had over ons wat beters voorzien

Heid. Catechismus. Vraag en antw. 19.

8 minuten leestijd

Vr. Waaruit weet gij dat? A. Uit het heilig Evangelie, hetwelk God zelf eerstelijk in het Paradijs heeft geopenbaard, en daarna door de heilige Patriarchen en Profeten laten verkondigen, en door de offeranden en andere ceremoniën der Wet laten voorbeelden, en ten laatste door zijn eniggeboren Zoon vervuld.

In Hebr. 11 : 13 lezen we dat de Kerk in de oude dag de belofte niet verkregen heeft. Dat wijst op een verschil tussen haar en de Kerk in de nieuwe bedeling. We wezen reeds daarop. In de oude dag bleef de Kerk uitzien en verwachten, in de nieuwe dag ontving zij de vervulling. In de oude bedeling lag derhalve een tekort, een gemis. De Kerk in de oude dag — op zichzelf genomen — was niet volmaakt. Het sluitstuk ontbrak. Dat heeft de oud-testamentische kerk ook beseft. Daarom zag zij heilbegerig uit naar de toekomst en had zij niet genoeg aan de belofte, ook al vond ze rust in de belofte. Ze mocht immers vertrouwen dat God Zijn belofte vervullen zou.

Het is er ons nu om te doen dat „ten dele" te onderstrepen. De volle heerlijkheid van het Evangelie ligt in de vervulling der belofte, in Christus, in de vleeswording des Woords.

Met dit „ten dele" van de openbaring van het Evangelie in de oude dag was in overeenstemming de graad van kennis voor de Kerk in de oude dag. Naar de aard der openbaring was er wel kennis van het middelaarswerk, doch het bleef toch bij een duistere kennis in vergelijking met de stand der kennis van nu. We zouden het zo kunnen zeggen: een beginneling op de school der genade thans weet van Christus veel meer dan de veel verder gevorderde in de oude dag. Wij leven nu na de heilsfeiten, na kruis en opstanding. De zoendood en de overwinning van de dood zijn openbaar geworden. Dat heeft ongetwijfeld betekenis voor de geestelijke kennis. Zelfs de discipelen b.v. hadden voor het verzoenend lijden en sterven van Christus nog geen oog. Wanneer nu de Geest van Christus gaat arbeiden aan een ziel is er toch van stonde aan — hoe veel donkerten er overigens ook mogen zijn — een ander vlak van kennis. We doen wel hierop te letten, opdat we niet zonder meer over de geloofskennis der vaderen in de oude dag spreken, als was Christus reeds verschenen. En ook moeten we dit goed in het oog houden, opdat we het geloofsleven van de Kerk in de nieuwe dag niet naar beneden halen naar het oud-testamentische vlak. Want dan zou geminacht worden het rijkere dat God in de nieuwe bedeling geschonken heeft. Het gevaar voor dit laatste is in 't geheel niet denkbeeldig. Dat weet ieder die geen vreemdeling is in Jeruzalem.

Zo leert ons Gods Woord duidelijk dat er voor de komst van Christus een schemerachtige kennis van de goederen in Christus was. Maar als Hij komt brengt Hij de volheid mee. Het Koninkrijk is nu nabij gekomen. Voordien werd het slechts als uit de verte in vage omtrekken gezien, nu is het vlak voor ogen gesteld en het evangelie des Koninkrijks in heerlijkheid geopenbaard.

Dit Koninkrijk wordt dan bevestigd in de zoendood op Golgotha, en na de volle verheerlijking van Christus komt de Geest van Vader en Zoon inwonen in de Kerk om de volheid der rijkdom van het Koninkrijk aan de Kerk te verkondigen en mee te delen. Na Pasen en Pinksteren is er wat nieuws in de Kerk, wat er voordien niet zijn kon. De inwonende Geest ontsluit de diepten der genade in Christus. Hij doet de Kerk Christus kennen als haar gezegende Borg en verheerlijkte Zaligmaker, als haar Profeet, Priester en Koning, zittende ter rechterhand des Vaders. Hij ontsluit als de Geest van Christus de rijkdom van de Vadernaam. Hij leidt in de gemeenschap met God drieënig in.

De volle ontsluiting van al deze heerlijkheid kon er onder de oude bedeling niet zijn. Zij is het vervulde Evangelie. Naar die heerlijkheid hebben de vaderen begeerd, uitgezien, gehijgd. Welke rijke voorrechten heeft dan de Kerk van de nieuwe dag! Moest ze niet altijd daarover verwonderd staan en haar God aanbidden vanwege zijn goedertierenheden over ons. — Helaas, hoe ver is de Kerk dan van haar plaats! Ja, er wordt genoeg gedaan alsof, maar het gaat om beleving.

Het moet wel duidelijk zijn geworden uit het voorgaande dat dit alles voor het geloofsleven ook van grote betekenis is. Met rijkere kennis dient een rijker geloofsleven gepaard te gaan. God geeft immers niets voor niets. Als Hij in zo'n volheid de heerlijkheid in Christus heeft geopenbaard, dan zal die ook beleefde werkelijkheid moeten zijn voor ons geloofsbewustzijn. Zullen we althans als kinderen Gods van de nieuwe dag overeenkomstig onze stand (Pinksterstand) en niet tot oneer van onze grote God en Zaligmaker leven. Anders verachten we de rijke gaven Gods en minachten we eenvoudig datgene, waarnaar de vaderen zo zeer hebben verlangd.

Niemand kan dan ook in de nieuwe bedeling rust vinden dan in Christus, de vereniging met Hem door de toepassende daad van de Heilige Geest. Bij een belofte kan men niet blijven staan, het zal de ziel gaan om de kennis van de Beloofde.

Het is verre van ons om ons te verheffen boven een Abraham, een Jakob 'of een David. Wat zijn wij bij hen vergeleken? ! Maar naar de bedeling Gods van de openbaring Zijner genade gaan wij ver boven hen uit. Daarop doelt dan ook Hebr. 11: Deze allen (de geloofshelden) zijn in het geloof gestorven, de belofte niet verkregen hebbende, maar hebben dezelve van verre gezien en geloofd en omhelsd. — Calvijn merkt bij dit vers op: De vaderen hebben van verre gezien het geestelijk rijk van Christus, welks aanblik heden zo nabij is; zij hebben van verre begroet de beloften, die nu zo vertrouwelijk bij ons wonen. Daarom zijn ze veraf geweest van die graad, waartoe God ons heeft opgevoerd. — En op dat meerdere van de nieuwe bedeling boven de oude zinspeelt ook vrs. 40: En deze allen hebben de beloften niet verkregen, alzo God wat beters over ons voorzien had, opdat zij zonder ons niet zouden volmaakt zijn. Luisteren we nog een keer naar Calvijn: „Hier wordt gewezen op het onderscheid der genade, waarmee God onder de wet de gelovigen heeft bejegend, en der genade, die Hij ons heden heeft waardig gekeurd. Kortom, hoewel hun dezelfde zaligheid was beloofd, hadden ze toch niet de klaarheid der beloften die wij genieten onder de heerschappij van Christus, maar zijn tevreden ermee geweest die van verre te zien”.

God had over ons wat beters voorzien. De heerlijkheid van het vleesgeworden Woord zou worden gekend onder rijkere bediening van de Heilige Geest. Dat was het „betere". Dat bewaarde de Heere voor ons. Daarom zijn de vaderen zonder ons niet volmaakt, d.w.z. ze konden nog niet de trap der kennis van nu bereiken. En dat stempelde dus ook hun geloofsleven.

Welke les hebben wij uit dit alles te trekken? — Dat de Kerk geroepen wordt uit deze meerdere heerlijkheid, de heerlijkheid der vervulling en de vruchten daarvan te leven. En dat ze, als dat niet het geval is, met smart heeft te bekennen dat zij niet op haar plaats is.

„Wanneer God de genade, die over ons in rijke mate is uitgestort, aan de vaderen slechts te proeven heeft gegeven, wanneer Hij hen van verre heeft laten zien een duister beeld van Christus, Die zich nu als vlak voor onze ogen te zien geeft, en desondanks de vaderen toch rust hebben gevonden, en nooit van hun geloof zijn vervallen, hoeveel meer stof tot volharding wordt ons dan heden gegeven?! Indien wij wankelen zijn wij dubbel te laken". (Calvijn)

Wat is hiervan weinig besef. Ik bedoel: bij degenen die oog hebben voor de noodzakelijkheid van het toepassende werk van de Heilige Geest. Er is zo weinig kennis van en leven uit Christus. Het wordt ook weinig van de kansel gepreekt. Er wordt vaak weinig leiding gegeven aan de zielen. De zoekenden wordt niet de weg gewezen naar Christus. Er wordt geen doorn in het nest gelegd, zodat de rust wordt opgezegd. Er is gebrek aan de verheerlijking der deugden Gods.

Anderzijds is men druk met het bekeren van mensen en daarom bang om vrije genade te preken en de toepassing in de handen van de Heilige Geest te laten. Is er niet bij velen op de kansel een krampachtigheid? Men moet toch de mensen opwekken en aanzetten! — Predik het volle Evangelie en geeft de Heilige Geest de vrijheid van werken. Dan komt alles goed en de Kerk wordt vergaderd en gebouwd. Zo zal de prediking zijn 'n bediening der verzoening in een pastorale bewogenheid, waarbij we de zielen niet in de toeleidende weg een zacht bed spreiden, maar met alle klem wijzen op de genade die is toegebracht in Jezus Christus. Het ga onze ziel om verzoening met God, om een staan in de vrede, om het leven uit die vrede naar Rom. 5:1: Wij dan, gerechtvaardigd zijnde, uit het geloof, hebben vrede bij God, door onze Heere Jezus Christus; door Welke wij ook de toeleiding hebben door het geloof tot deze genade, in welke wij staan, en roemen in de hoop der heerlijkheid Gods. De in de kerk inwonende Geest des Vaders en des Zoons wil Zijn bediening in de harten der gelovigen heerlijk maken tot lof van Vader en Zoon.

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 september 1966

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

God had over ons wat beters voorzien

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 september 1966

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's