HOUT OF VRUCHTEN
„Mensenkind, wat is het hout van de wijnstok meer dan alle hout? " Ez. 15 : 2. „Wie in Mij blijft, en Ik in hem, die draagt veel vrucht". Johannes 15 : 5.
Een koe wordt gehouden om de melk of om 't vlees. In elk geval: om de opbrengst. Een boer stopt ene aardappel in de grond, om er liefst 20 weer uit te halen. Hoe hoger opbrengst, hoe beter. Een vruchtboom staat maar niet voor de aardigheid in uw tuin. Nee, het gaat om de vruchten.
Het gaat om de vruchten. Dat geldt nu ook van ons leven. Waartoe heeft de Here ons geschapen en ons Zijn Woord gegeven? Opdat u en ik tot Zijn eer zouden leven. Dat heeft de Heiland trouwens Zelf tot Zijn discipelen gezegd: „Hierin wordt Mijn Vader verheerlijkt, dat gij veel vrucht draagt". En in Mattheüs 25 lezen we, dat Christus bij het laatste oordeel speciaal zal letten op de vrucht van ons leven. Wee ons, als Hij dan zal moeten constateren: „Ik was hongerig, en gij hebt Mij niet te eten gegeven". Een onvruchtbaar leven is een mislukt leven.
Dat alles wil de bijbel ons leren in Ezechiël 15. De Here stelt daar de profeet de vraag, wat het hout van de wijnstok vóór heeft boven alle andere soorten hout. Dat is min of meer een ironische, een spottende vraag. Want een kind in Israël wist al wel, dat het hout van de wijnstok totaal waardeloos was.
Een wijngaard werd geplant om zijn vruchten. Die zijn heerlijk. Maar als zo'n wijnstok geen druiven oplevert, staat hij er doelloos en zinloos. Want met het hout van de wijnstok — die slappe ranken — kun je niets beginnen. Je kunt er nog geen simpele pin van maken, om iets aan op te hangen, zegt Ezechiël. Een onvruchtbare wijnstok deugt maar voor één ding: de brand er in.
Ezechiël had met de toepassing van zijn preek niet veel moeite. Hij zegt ronduit in hoofdstuk 15: Zo'n waardeloze wijnstok is Jeruzalem.
In 't Oude Testament wordt het volk Israël dikwijls vergeleken met een wijngaard. Een wijnstok, door God Zelf geplant. Zo'n wijngaard aanleggen en onderhouden kostte in het oude oosten heel veel moeite. Zoveel zorg had de Here nu besteed aan Zijn verbondsvolk. Eeuwen en eeuwen had Hij hen verzorgd, beschermd, geleid. In Jesaja 5 spreekt God zelfs in dit verband: „Zeg nu maar, wat er nog meer te doen is aan Mijn wijngaard Israël, dat Ik niet gedaan heb”. Je zou zeggen: nu mocht de HERE van die welverzorgde wijnstok Israël toch wel vruchten verwachten. Het was ook inderdaad de bedoeling, dat Israël zó met haar God zou leven, dat de omwonende volken jaloers zouden worden, en ook zouden vragen naar deze Verbondsgod. Maar u weet, hoe weinig daarvan terecht is gekomen. De afgodendienst en de zonde tierde er vaak net zo welig als bij de andere volken. God de Here werd juist door Zijn eigen volk Israël gruwelijk onteerd.
En daarom — omdat aan die wijnstok Israël alleen maar hout te zien is, en geen enkele druif — daarom kan God met dat waardeloze volk niets meer beginnen. Het deugt nergens meer toe, dan om verbrand te worden. Het vuur van de ballingschap, het vuur van Gods oordeel, was in Ezechiëls tijd al aan het branden. Zo vergaat het een verbondsvolk, dat wel hout, maar geen vruchten levert...
Maar u en ik kunnen ons deze ernstige waarschuwing van Ezechiël ook wel aantrekken. Want ook de Nieuw-Testamentische gemeente is door God gesteld om vrucht te dragen. Wij zijn immers ook in hetzelfde genadeverbond opgenomen als Israël. Wij zijn ook een wijnstok, waaraan de HERE al wat een zorg en liefde gespendeerd heeft. Dat is al begonnen bij onze doop, toen God Zijn rijkste beloften ons meegaf. U hebt wellicht een christelijke opvoeding gehad. Hoeveel honderden of duizenden keren hebben we Gods Woord al gehoord? God heeft al wat een water gegoten bij dat wijnstok-stekje. Misschien hebt u veel verdriet en moeite meegemaakt. Was dat niet het scherpe snoeimes van de Here?
Maar wat is nu de vrucht van dat alles? Is er in ons leven nu ook liefde tot die God, die alles voor ons overhad, tot zelfs Zijn Zoon toe? Gaan we, in de weg van geloof en bekering, met Hem het leven door? En is er bij ons ook de vrucht van een teer gebedsleven met de God van het verbond?
En in de tweede plaats: de HERE mag van Israël en ons verwachten, dat we door onze woorden en levenshouding een getuige van Hem zullen zijn. Zodat onze buren er jaloers op worden, en ook naar die Heiland gaan vragen. Maar is dat zo bij ons? Zijn we, in een wereld vol van materialisme en modem heidendom, een wegwijzer tot Christus? Om het heel concreet te maken: Bij u en mij in de straat wonen wellicht mensen, die maar aanleven zonder God en zonder hoop. Hebben we ooit tot hen een goed woord over de Here Jezus gesproken? Of geldt ook van ons dat ontroerende gedicht „Mijn buurman en de dood"? Een gedicht dat eindigt als een aanklacht: Mijn rechterbuurman is vannacht gestorven, en ik heb nooit één woord tot zijn behoud gezegd. Erg voor die buurman. Maar ook erg voor ons. Want van zo'n onvruchtbaar leven zegt God — misschien heel binnenkort : „Ruk die wijnstok uit de grond. Waarom beslaat hij nutteloos de aarde? ”
Het gaat om de vruchten. Als u en ik dan naar onszelf kijken, wat komen we dan schuldig te staan tegenover de Here. Wat rijpt er in ons leven bitter weinig tot verheerlijking van God. Dat klaagt ons aan, hopelijk. Als er aan ons, wijnstok, alleen maar het hout is van een zekere godsdienstigheid (met hier en daar een gereformeerd blaadje eraan), dan zijn we in Gods ogen alleen maar geschikt voor het vuur. Vruchteloos, nutteloos, waardeloos.
Hier is maar ene uitweg meer. Maar die uitkomst is er: Jezus Christus, de Redder van mislukte levens!
Toen Israël zijn taak als wijnstok van God volkomen verzaakt had, toen zond God Zijn eigen Zoon. En Hij, Christus, is gaan staan op de plaats van het nalatige Israël. Hij heeft het uitgeroepen: „Ik ben de ware Wijnstok. Israël is als wijnstok mislukt. Maar Ik heb het overgenomen”. Ik ben de ware, de echte Wijnstok. Dat zegt de Zaligmaker vandaag ook nog tot ons. Als wij naar onszelf kijken, dan schrikken we van de onvruchtbaarheid van ons bestaan. Maar zie, dan mogen we met ons leven vol nalatigheid' vluchten naar Jezus. En als wij, dooie wijnstokken die we zijn, voor Hem neerknielen, dan roept Hij ons toe: „Vrees niet. Vrees niet voor het vuur. Want Ik ben de ware Wijnstok. Ik in uw plaats”.
Als wij met onze schuldige onvruchtbaarheid schuilen bij Christus, gebeurt er een groot wonder. In de eerste plaats worden dan al de vruchten van Jezus' Middelaarsleven toegerekend aan mij. Dan mogen we het horen, tot onze stomme verwondering: „Uw vrucht is uit Mij gevonden". Dan rekent God, alsof ik alle vruchten heb opgeleverd, die Christus heeft gedragen in mijn plaats.
Maar wie uit die toerekening leeft, die gaat toch ook wel vruchten dragen. Dan zal het aan ons leven te merken zijn, dat we een andere Meester hebben. Niet omdat wij zo flink zijn, van ons blijft gelden, tot aan onze laatste dag toe: Ik kan mezelf géén wasdom geven, niets kan ik zonder U, o Heer.
Maar de Heilige Geest wil ons toerusten om vruchten van dankbaarheid voort te brengen. Daar zorgt de Heiland Zelf voor, door de gemeenschap met Hem. Daar dringt ons de liefde van Christus dan wel toe.
Hier blijft maar ene vraag meer over. Een heel belangrijke vraag: Kent u die ware Wijnstok? Zijn we door het geloof een rank van Hem? Dan alleen, maar dan ook zeker, zullen we vrucht dragen. Tot eer van God, en tot zaligheid van onze buurman.
Den Bommel, T. v ’t Veld
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 september 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 september 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's