UIT DE PERS
400 jaar Lutherse Kerk in Nederland.
Begin september heeft de Evangelisch Lutherse kerk hier te lande het feit herdacht dat vier eeuwen geleden het Lutheranisme in de Nederlanden — en wel in Antwerpen — als een door de overheid erkende geloofsgemeenschap, in de openbaarheid trad. De naam van Luther is onder ons algemeen bekend. Over de geschiedenis van de lutherse kerk hier te lande echter zijn wij doorgaans minder geïnformeerd.
Daarom mogen we de bekende lutherse kerkhistoricus, prof. dr. W. J. Kooiman, dankbaar zijn voor zijn artikel, getiteld „Voorspel in Antwerpen", dat hij publiceerde in het Evang. Luthers weekblad (van 2 september).
Prof. Kooiman wijst daarin op de belangrijke positie die Antwerpen in menig opzicht innam in de zestiende eeuw. Luthers geschriften vonden er vroeg ingang. De eerste martelaren voor de Hervorming vielen er in 1523: Hendrik Voes en Jan van Esschen; zij zijn — aldus de schrijver — de geestelijke vaders van het Lutheranisme in de Nederlanden.
Het jaar 1566 is voor de ontwikkeling der hervormingsbeweging bijzonder belangrijk geweest. Prins Willem van Oranje, toendertijd burggraaf van Antwerpen, trachtte de zaken in goede banen te leiden. Dat was geen geringe taak, zoals duidelijk blijkt uit een dagboek uit die tijd van een zekere Godevaert van Haecht. Daaruit vernemen we dat de Lutheranen in Antwerpen als stootblok fungeerden tussen de conservatieve rooms-katholieken en de meer revolutionair gezinde Calvinisten.
Calvinisten en Lutheranen.
De Calvinisten waren al geruime tijd overgegaan tot het houden van hagepreken en het vormen van gemeenten. De Lutheranen aarzelden lange tijd. Kooiman noemt in zijn artikel daarover enige oorzaken:
De Lutheranen daarentegen, grotendeels Hanzeaten, kooplieden uit Duitsland en „Oosterlingen", koopvaarders uit Denemarken en Noorwegen, hadden zich nog in het geheel niet georganiseerd. De oorzaken daarvan waren vele. Ten eerste hebben Luthersen, op voetspoor van Luther, de vragen van organisatie der kerk altijd wat veronachtzaamd. Verder waren ze in Antwerpen voor het grootste deel buitenlanders, niet zo diep geworteld, zodat ze voor de nationale zaak niet die allesbeheersende belangstelling hadden. Maar de hoofdzaak was, dat zij van huis uit, gewend aan staatskerken, het beginsel huldigden van gehoorzaamheid aan de overheid. En toen men, jaren geleden van uit Antwerpen aan Luther de vraag gesteld had of men onder een roomse overheid een Lutherse „huiskerk" mocht stichten en geheime samenkomsten houden, had deze geantwoord, dat ze er beter aan deden in de oude kerk te blijven en daar God in stilte te dienen in hun hart. Zij gingen tot nu toe ter kerke bij enkele Luthersgezinde katholieke pastoors, die reformatorisch preekten; de Antwerpse magistraat liet, om erger te voorkomen, toe, dat er aldus midden in de katholieke kerk luthers georiënteerde centra bestonden. Deze verheugden zich in een grote belangstelling, vooral de kerk op het Kiel in de nieuwstad buiten de veste, waar geestelijken als Matthijs van Statfelt en Franciscus Alardus voorgingen (mannen die straks in de eerste Lutherse gemeente als predikant zouden optreden). Van Haecht vertelt daarvan:
„Ende den parochiaan op 't Kiel predickte oock, ende men sonck daer oock psalmen na Martinus Lutherus leere, oft confessie van Ausborch, maer den predicant en sonck niet mede... (dat kon hij niet doen, omdat het officieel voor een roomse dienst doorging, W. J. K.) en daer quam veul volcx..." De magistraat liet dit toe, „de bisschoppen sochten 't hem seer te verbieden" en op 10 augustus kwamen er twee geestelijken uit Leuven, die midden in de predikatie van Matthijs met hem begonnen te disputeren. Het werd een geweldig tumult, dat tenslotte door de Prins beslecht werd.
Ook de Calvinisten wensten — nu oogluikend deze lutherse prediking werd toegestaan — in de nieuwstad zelf samen te komen, vooral omdat ze zich buiten op het veld steeds meer bedreigd voelden. De Prins weigerde echter nog steeds de toestemming.
Intussen breekt de beeldenstorm los. Een week heerst er de grootste wanorde, veel r.k. geestelijken vluchten weg. Onder druk gezet geeft de overheid op 24 augustus 1566 aan de predikant der Lutheranen toestemming om in de binnenstad de dienst te leiden. Dan stelt Prins Willem orde op zaken.
De volgende dag was de Prins weer in de stad. Hij nam het roer vast in handen. In overleg met hem dienden nu zowel de consistories van de Calvinisten, die intussen ook begonnen waren in de binnenstad te preken, als de leiders van de Luthersen een officieel verzoek in om vrijheid van godsdienstoefening. Eerst werd het aan de Calvinisten, de grootste en lastigste groep, toegestaan. Dezen waren, zoals we zeiden, reeds georganiseerd. De 2de september krijgt ook de Lutherse groep consent. Die gaat zich dan ook als zelfstandige gemeente constitueren, ouderlingen benoemen, predikanten beroepen, kerken bouwen.
De gemeente zal slechts korte tijd bestaan. Reeds in april 1567 is de wind gekeerd en moeten op bevel van de regentes alle protestantse geestelijken de stad verlaten. Alva is op komst. Van 1576 tot 1585 herleeft de Antwerpse gemeente. Maar dan komt Parma en gaan de meeste Lutheranen naar de Noordelijke Nederlanden, waar zij zich in Amsterdam en elders verder organiseren. Vóór 1566 waren er in de Noordelijke provinciën al wel hier en daar Lutherse groepjes, maar tot een gevestigde gemeente had het nog nergens kunnen komen.
Terecht heeft prof. Pont dus geschreven: „Den 2den Sept. 1566 werd de eerste Lutherse kerk in de Nederlanden gesticht”.
Conflict in Zuid-Afrika.
Zoals u in de dagbladen hebt kunnen lezen is er rumoer ontstaan rondom een artikel van prof. dr. A. van Selms, de Oud-testamenticus in Pretoria. Uitgaande van Jes. 33 : 14 spreekt hij in dat artikel over Gods gericht over kerken en volkeren. Het artikel luidde: Christen wees in hierdie land", en het droeg de ondertitel: Kan ons met vuur speel? ”
In het Geref. Weekblad (Uitgave Kok, Kampen) van 2 sept. is dit artikel overgenomen en we willen hier er een deel van citeren om u een indruk te geven van de inhoud:
Kan ons met vuur speel? Kan ons met God speel? Kan ons God gebruik as 'n instrument tot opbou van ons persoonlike lewe, tot versterking van ons nasionale bevmssyn? Wie is daardie God wat ons so wil gebruik? Dit is die God wie se oordele oor die hele wereld gaan. Let wel: aar staan nie: or die hele wereld behalwe die Christelike volke nie; daar staan: or die hele wereld. En volgens 1 Petrus 4 : 17 begin die oordeel „by die huis van God". Want daar, in Sion, in die kerk, is die sondaars, die roekeloses. As God begin om die wereld skoon te maak, begin Hy by sy eie huis. Hy vee voor sy eie deur, en die vuil wat Hij wegvee en weldra sal verbrand, dit is die roekeloses in Sion, dit is die teoloë wat God nie God wil laat nie, die predikers wat Hom tot 'n element in die volkslewe wil maak, die kerkmense wat dit so heerlik vind om van die kansel af 'n skynbaar goddelike sanksie op hul sosiaal-ekonomiese posisie te ontvang.
Wie ken sy bedoeling?
God het 'n blanke volk aan die suidpunt van Afrika gebring. Ja seker! God het daarmee 'n bedoeling gehad. Ja seker! Sy bedoeling, sy eie bedoeling, en niks anders as daardie eie bedoeling van HomseU nie. WU u beweer dat u God se bedoeling met de volksplanting aan die Kaap ken? Het u in die raad van God gesit? Kon u woon by 'n verterende vuur, by 'n ewige gloed? Wie sal sê watter bedoeling God met die Afrikanervolk gehad het? Wie sal sê of volgens sy raad daardie bedoeling niet nou verwesenlik is nie, sodat u volk nou die weg van al die ou volke kan gaan, die weg van die Arameërs wat God uit Kir laat optrek het, of die weg van die Filistyne wat Hy uit Kaftor laat kom het — altwee nasies wat volgens die raad van God hulle rol in die geskiedenis gespeel het en vervolgens moes verdwyn? „Is jullie nie vir Mij soos die kinders van Kus (die Soedan) nie, o kinders van Israël? " (Amos 9 : 7).
Die gloed van God se gerig het baie volke verteer. Wat het oorgebly van die Christelike nasies in Noord-Afrika? Wat het geword van van die Nestoriane, vne se keiklike lurisdiksie eenmaal van die Eufraat tot diep in China gestrek het? Ken u die geskiedenis van de Aya Sofia, daardie monument van Bisantynse praal en kerklike magsdrif? Dit is eers in 'n moskee verander, en is nou 'n museum, 'n leë dop.
En as dit die raad van God is, dat die Afrikanervolk wel sal voortbestaan, weet ons dan wat die bedoeling van God daarmee is? Is die beproewings, waaruit die Afrikanemasie deur die laatste honderd en vyftig jaar gered is, bewyse van God se besondere voorkeur vir daardie volk, of is dit laaste waarskuwings? Tot Israel het God eenmaal gespreek (Amos 4 : 10, 11): Ek het jullie jongemanne met die swaard gedood saam met die wegvoering van jullie perde... nogtans het jullie jul tot My nie bekeer nie, spreek .die HERE. Ek het jullie omgekeer soos God Sodom en Gomorra omgekeer het, sodat jullie soos 'n stuk brandhout was wat uit die vuur geruk is — nogtans het jullie jul tot My nie bekeer nie, spreek die Here”.
Juis daarom ...
Dit kan bes moontlik sowees dat God nog 'n bedoeling met die talankes aan die suidpunt van Afrika het; maar wie sal sê watter bedoeling dit is? Tot Farao sê God deur bemiddeling van Moses (Ex. 9 : 16): Maar juis hierom het Ek jou nog laat bestaan, dat Ek jou my krag kan toon, en dat hulle My Naam op die hele aarde kan verkondig". Ook hierdie woord word in die Nuwe Testament herhaal en bevestig (Rom. 9:17) en die apostel Paulus wys in hierdie verband daarop dat God , sy toom wil bewys en sy mag bekend maak" (Rom 9 : 22) en daarom 'n tyd lank „die voorwerpe van toom wat vir die verderf toeberei is, verdra”.
O daardie onsaglike, huiweringwekkende raad van God! Hoe ondeurgrondelik is sy oordele en onnaspeurlik sy weë! Want wie het die gedagte van die Here geken, of wie was sy raadsman gewees? Hy is 'n verterende vuur, 'n ewige gloed. Laat ons, die sondaars in Sion, die roekeloses, leer om te beef en te sidder vir daardie God!
Is dit die laaste woord oor God? Nee, maar dit is wel die eerste.
Het artikel heeft ook in de Nederlandse pers reacties opgeroepen. Prof. Rothuizen heeft het met gemengde gevoelens gelezen. Het is aan de ene kant z.i. een ootmoedig en vroom betoog „van het soort, waarnaar men snakken kan vandaag aan de dag". Anderzijds acht hij de taal van prof. Van Selms onduidelijk, te weinig concreet.
Het is niet helemaal duidelijk, waarom dit voor een liquidatie in aanmerking zou komen. Wel pakken sombere wolken in het artikel samen (de verwisseling van Gods zaak met de eigen zaak bijv.), maar het blijven nevels. Het Is niet helemaal duidelijk, wat het Zuid-Afrikaanse volk nu precies misdaan zou hebben, dat het er zo (somber) gekleurd op staat. Anders dan Vriezen, die daarin juist de kracht ziet schuilen van de prediking — en, inderdaad, prediking is het — van Van Selms, zie ik in het niet-concrete een zwakheid. Iemand zou de schrijver nu immers kunnen verwijten, dat hij er een beetje mee speelt, met het oordeel, omdat hij niet concreet wordt (afgezien van het feit, dat het uitgespeeld zijn van de rol van een bepaald volk natuurlijk niet altijd op een oordeel hoeft te duiden). Hij zou de auteur zelfs kunnen vragen, waarom hij niet één van tweeën heeft gedaan: óf precies zeggen, wat het Zuid-Afrikaanse volk nu precies misdreven heeft om dusdanig voor het oordeel in aanmerking te komen óf zwijgen. Steekt in zoverre zijn artikel niet onduidelijk af bij de duidelijkheid der profeten? En kan men dan niet twee bezwaren tegen deze mediatie, hoe vroom, ootmoedig deze ook klinkt, aanvoeren? Nl. dat zij nogal onbillijk uitvalt tegenover een volk, dat duidelijker aangeklaagd had moeten worden, wil het zo zwaar worden toegesproken èn dat zij zo doende nogal ongevaarlijk uitvalt jegens hen, die de zwaarte van het oordeel nu naast zich kunnen neerleggen, omdat de klacht te onbewezen op tafel is gebracht? Nogmaals, de toon en de ernst van het schrijven van professor Van Selms bereikt de diepte en het niveau van de preken, waarmee in dertiger jaren in Duitsland de predikanten van de Bekennende Kirche hun volk en kerk, waarin de zaak van God èn van Duitsland zo allerluguberst dooréén werd gehaald, toespraken. Tegelijkertijd is niet helemaal uit de verf gekomen, wat het verband, het precieze verband zou kunnen zijn tussen dat Duitsland en dit Zuid-Afrika. Tenminste niet in het artikel van professor Van Selms.
Maar — aldus prof. Rothuizen — bedenkingen tegen een exegese houden niet in dat men dit artikel naast zich neer kan leggen. Ook prof. Berkhof spreekt over „zwaarwegende vragen. Hij schrijft in „In de Waagschaal" van 3 september.
Dat zijn zwaarwegende vragen (n.b.: het zijn slechts vragen, waarmee de serie geopend wordt). Velen van ons zullen die vragen als wezenlijk voor elk land en voor elke kerk beschouwen. We kennen allen Luthers befaamde woorden over het Woord Gods dat als een „fahrender Platzregen" Duitsland had bezocht en daarvan straks, naar hij vreesde, weer weg zou drijven. En wij hebben afstand moeten doen van de ideologie van het drievoudig snoer (God-Oranje-Nederland) dat niet verbroken wordt. Behalve Israël is er geen volk dat speciale volksbeloften heeft. Alle volkeren zijn als gras. Alleen het Woord van God blijft tot in eeuwigheid.
Het gelijk van prof. Van Selms.
Het opzienbarende en het verbijsterende ligt niet zozeer in het artikel van Van Selms, als wel in de reacties erop in de Zuid-Afrikaanse pers. Reacties die dreigen uit te groeien tot een hetze tegen de schrijver. We citeren uit het artikel van Rothuizen:
Wat is n.l, het geval? Niet zodra was het artikel van de hoogleraar verschenen of reeds veertien dagen later stortte zich een krant, geheten Dagbreek en Sondagnuus op de auteur met een verontrusting en verontwaardiging, welke de waarheid van het omstreden artikel op een allergriezeligste manier onderstreept. Dat was veertien dagen later, 31 juli j.l. Op 7 augustus verscheen hetzelfde blad met de kop: Pretoria wil optree na Van Selms-artikel. Wanneer men leest, wat er onder de kop staat dan is niet helemaal duidelijk waarin en waarom Pretoria precies zal optreden, wèl duidelijk is, dat Pretoria door genoemde krant opgehitst wordt öm „op te treden". Een man, die zo praat over het Afrikanervolk als professor Van Selms heeft gedaan, heeft zichzelf daarmee als professor onmogelijk gemaakt. Hij zal dus niet alleen moeten worden aangesproken: ij moet verdwijnen, het optreden zal „disciplinair" moeten zijn. Anders zal genoemd optreden moeten bestaan in het intrekken van de grote schenkingen die de gemeenteraad jaar in jaar uit aan de Universiteit doet. Er blijkt ook meteen een collega te zijn, die scherp op het artikel heeft gereageerd: Professor Pont. Of scherp? Was het maar scherp geweest, want dat is natuurlijk zijn goed recht! Maar men zal eerder van bot dan scherp moeten spreken, wanneer in de aanval op professor Van Selms' artikel invectieven voorkomen als „zelfgemaakte profeet" erl de hele teneur van het betoog wordt teruggebracht tot een uit West-Europa en Amerika overgewaaide „levens-en strijdensmoeheid". Een dominee, ds. Griezel uit Johannesburg, maakt het nog bonter, wanneer hij het artikel dat van een fatalist, ja van een „ongelovige" noemt en schrijft: Hy kan of wil blykbaar nie soos ons voel nie, want hy is nie een van ons nie, " welk verwijt samenhangt (behalve, naar ik hoop niet, met 1 Johannes 2 : 19: Zij zijn van ons uitgegaan, maar zij waren uit ons niet; want indien zij uit ons geweest waren, zouden zij bij ons gebleven zijn") met het feit, dat de hoogleraar sinds zijn komst in Zuid-Afrika, in 1938, nog steeds niet van zins is geweest zich te laten naturaliseren (van welke aarzeling of weigering men nu plotseling zeer veel begrijpt).
Deze felle reacties zouden — aldus de Kamper hoogleraar — prof. Van Selms wel eens meer in het gelijk kunnen stellen dan zijn niet zo duidelijke artikel deed verwachten. Ook prof. Berkhof betreurt het dat op de zaak zelf niet wordt ingegaan, maar dat men meteen overschakelt van het Bijbelse naar het nationale. „En daarmee geeft men zelf antwoord op wat bij prof. Van Selms nog slechts vragen waren" (Berkhof).
Wij hier in Nederland volgen deze discussie vanuit de verte. Het past ons niet met stenen te gooien of een voortijdig oordeel te treffen. De problematiek waar Zuid-Afrika voorstaat is ingewikkeld. Maar het rumoer rondom prof. Van Selms is wel een teken aan de wand. Hoezeer dreigt telkens weer de vereenzelviging van Gods zaak en onze zaak. Ook onder ons. Dan laten we het Woord van God niet meer regeren over ons leven. Nationale of ook kerkistische gevoelens overheersen dan het spreken van Gods getuigenis. En de wil van God wordt afgelezen uit het dagelijks gebeuren uit wat wij goedkeuren. En dan is inderdaad de waarschuwing van Jes. 33 : 14 op zijn plaats. Niet alleen in Zuid-Afrika, maar ook onder ons.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 september 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 september 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's