Een baken in zee (1)
De vorige keer gaven wij u een kort overzicht over de ontwikkeling, het verval van het modernisme, naar aanleiding van een boekje van ds. Van der Kam uit Blija. Hij liet ons zien, dat de vrijzinnigheid te gronde ging en te gronde gaat aan het rationalisme. In dit verband betekent rationalisme: die stroming, die in de zaken van de religie aan de menselijke rede een min of meer overheersende plaats geeft. Nu is het rationalisme niet van vandaag of gisteren. Het is niet de bedoeling van dit artikel de verschillende betekenisssen van dit rationalisme in de loop der eeuwen te laten zien.
Het is wel de bedoeling het rationalisme naar aanleiding van het boekje van ds. Van der Kam als levensgrote bedreiging te tonen èn voor de vrijzinnigheid èn voor de rechtzinnigheid.
Krachtens onze verdorven natuur kunnen wij het niet laten om ook in de zaken van het geloof het licht van Gods Woord te verduisteren. Dit kan op velerlei wijzen. Wie is in staat om deze verzoeking van meet aan in de geschiedenis van de kerk en van het dogma op de voet te volgen en aan te wijzen, waar het verkeerd gegaan is? Hoe vaak is de Kerk op haar tocht over de aarde niet bedreigd door opvattingen, die haar leven afknelden?
Neen, het rationalisme is niet met het modernisme begonnen, al heeft het in dit modernisme getriomfeerd. Ook in de kerken der reformatie vóór de negentiende eeuw heeft het zijn invloed laten gelden. De scholastiek wil toch door de toepassing van de rede een zo scherp mogelijk inzicht verwerven in de geloofswaarheid. Dit redelijk maken van de geloofswaarheid is een verzoeking ook voor de rechtzinnigheid. Onze overleden voorzitter is niet moe geworden ons daartegen te waarschuwen en heeft zonder ophouden ons de geloofsmethode van Calvijn aangeprezen.
Deze methode was ook in de tijd van de reformatie niet algemeen gebruikelijk. Naast de reformatie was er immers de renaissance. Na de reformatie is een verschoolsing van de hemelse leer, zoals Calvijn deze noemde, aanwijsbaar. Ook bij godvruchtige theologen is deze ontwikkeling te zien. Zolang de godsvrucht de toon aangeeft, kan het kwaad binnen de grenzen gehouden worden. Maar ondanks godsvrucht en vroomheid zet een verkeerde ontwikkeling zich voort. Ook de rechtzinnigheid uit het verleden heeft niet altijd de geloofsleer rein gehouden.
Geldt dit ook niet van het heden?
Wie, ook onder ons, kan zeggen: Ik heb mijn hart gezuiverd en ben vrij van elke overtreding? Ook wanneer wij de leer van vrije genade verdedigen, het gezag van de Schrift wensen te handhaven, hebben wij wel toe te zien of niet de rede en de verschoolsing van de leer een plaats innemen, die zij vanuit de kennis van God en Zijn Woord niet mogen hebben. Wij hebben erop toe te zien, dat onze wapenen geestelijk zijn, aan Gods Woord alleen ontleend!
Deze voortdurende zelfbeproeving en toetsing van onszelf blijft een diep geestelijke aangelegenheid.
Sommigen wijzen erop, dat de verschoolsing van de leer en de rationalistische verdediging b.v. van 't Schriftgezag alleen in graad verschilt van de diepborende critiek van het modernisme met de rede op de inhoud der Schrift. Dan is er wel een gradueel verschil, maar geen principieel verschil.
Nu is het een weinig lonende bezigheid om twee verkeerde ontwikkelingen tegenover elkander af te wegen.
Toch is het m.i. onjuist hier van een gradueel verschil te spreken. Wanneer iemand met minder deugdelijke of ondeugdelijke middelen een goede zaak verdedigt, b.v. het gezag van de Heilige Schrift, dan is dit niet gelijk te stellen met de aantasting van de inhoud van de Schrift door het modernisme en de Schriftkritiek.
Het zal zaak zijn ons niet in dit dilemma te laten rangeren. Dit gebeurt steeds meer, ook in onze kerk. Gemakshalve worden de gereformeerden dan gezet bij de verstarden en de linkervleugel bij de verwarden. Dan is de koninklijke weg ertussen. Daarover zullen wij wel meer horen, wanneer het rapport „Klare Wijn" op tafel komt. Maar dit dilemma deugt niet. Wij hebben ons te wachten voor een verschoolsing van de leer èn voor de aantasting van de inhoud der Schrift.
De waarheid ligt er niet tussen, maar oneindig ver boven en beneden, omdat God met Zijn Heilige Geest de verborgen Leermeester is in onze harten.
Hoezeer het historisch aanwijsbaar is, dat de verrationalisering van de theologie op de Schriftkritiek is uitgelopen, wij moeten recht blijven onderscheiden. Wanneer iemand op een gebrekkige zelfs op een aanvechtbare wijze het gezag van de Schrift verdedigt, dan moeten wij hem van deze gebrekkige en aanvechtbare wijze proberen te ontdoen. Het gaat echter niet aan hem dan slechts gradueel te doen verschillen van hen, die de rede willen laten heersen over de Schrift.
Intussen bewaart God Zijn kerk, hoe klein of groot ook. Deze Kerk was er in de tijd van de reformatie, de nadere reformatie, de negentiende eeuw en is er in de twintigste eeuw. Daarvoor heeft God gezorgd en zorgt God nog.
Het was in de reformatie en in de nadere reformatie niet één en al licht en het was in de negentiende eeuw niet één en al duisternis. Er is zowel door Calvijn als de nadere reformatoren soms bitter geklaagd over de ontstellende onkunde en ingezonkenheid van het geestelijk leven, terwijl de eeuw van de Schriftkritiek een-en andermaal opwekkingen te zien gaf. De ontwikkelingen zijn — hoe boos ook — niet eigenmachtig. God doorbreekt ze naar Zijn welbehagen.
Deze doorbraken gingen echter niet van de Schrift af, maar naar de Schrift toe. Of deze opwekkingen en doorbraken velen of weinigen beroerden, of zij veel of weinig kerkelijke of theologische vernieuwingen bewerkten, in één ding kwamen en komen zij overeen, n.l. dat zij van harte beleden, dat de Heilige Schrift Gods Woord was en is. Dit leerde en leert God Zelf.
Ook wanneer er een theologische en kerkelijke vernieuwing — hoe die verder ook gewaardeerd werd — uit voortkwam was er een blijde erkenning en herkenning van de Schrift als het onuitputtelijke Godswoord. Zo nodig werd de strijd ook aangebonden met hen, die de Schrift met behoud van de hoofdzaken van de leer in overeenstemming zochten te brengen met de vragen, die de wetenschap of de bestudering van de bijbel zelf opriepen. In deze bestrijding ging het ten diepste niet over de één of andere inspiratie-theorie, maar over het gelovig belijden van de Heilige Schrift als het gezaghebbend Woord van God.
Nu is het merkwaardig, dat men op de hoogtepunten van het geestelijk en kerkelijk leven er blijkbaar weinig behoefte aan had en er ook niet aan toe kwam om een brede bezinning op de leer van de Heilige Schrift te geven. Voorzover die in de reformatie en daarvoor b.v. door Augustinus gegeven werd, volstond men met de duidelijke weergave zonder ingewikkelde constructies.
Men zal opmerken, dat er in die tijd nog niet die vragen aan de orde waren, die nu aan de orde zijn. Dit is ten dele waar. Immers b.v. Augustinus en Calvijn hebben wel terdege verschillende vragen onderkend, die nu breeduit aan de orde zijn. Aan Calvijn ontging bij de lezing van de Schrift niet veel. Hij komt er soms uit, soms ook niet, maar hij belijdt desniettemin vrij en onbelemmerd, het onvoorwaardelijk gezag van het Woord Gods. De woorden Gods zijn als evenzovele levende stemmen uit de hemel. Dat was bij Calvijn geen gespletenheid of onwaarachtigheid, maar een van buitenaf en van binnenuit overwonnen zijn door God Zelf, die in het hart getuigenis gaf, dat deze Schriften van Hem zijn. Ook Augustinus en Calvijn hebben met vragen geleefd, zonder dat deze vragen aan het goddelijk gezag van de Schrift afbreuk deden.
Zodra God met eigen stem tot ons spreekt, worden de vragen verschrompelend klein. Daarbij is het geloof niet een stok om de vragen weg te slaan, of — om een oneerbiedig beeld te gebruiken — een vliegenmepper om lastige vragen als lastige vliegen dood te slaan. Integendeel. Maar het geloof is het orgaan waardoor de vragen tot de juiste afmetingen worden teruggebracht. Dan ontvangen zij een plaats in de schaduw van het overweldigende licht dat vanuit God in Christus door de Heilige Geest in ons leven binnenstroomt.
Dan gaan wij ook verstaan, dat wij de Geest van de Vader en de Zoon, die tegelijk is de Auteur van de Schrift nog maar zo weinig kennen. Dan groeien wij niet boven de Schrift uit en dragen wij geen eigenwillige beoordelingsmaatstaven in de Schrift binnen. Dan worden wij in de omgang met de Schrift en in het stellen en beantwoorden van vragen aan en vanuit de Schrift steeds ootmoediger en voorzichtiger. Dan wantrouwen wij eigen gedachten steeds dieper, omdat de wortel van alle zonde is de hoogmoed, die o.a. tot uiting komt in het wijs willen zijn boven hetgeen geschreven staat.
Hoe vermaant ons de Schrift tegen deze zonde! Hoe heeft ook Calvijn onafgebroken de eigen aard van het geestelijk leven onderkend en onderstreept.
Het is de Heilige Geest, die ons met Christus verbindt en uit de Schrift doet leven. Het is de Heilige Geest, die ons ook in die gedeelten van de Schrift inleidt, die wij niet verstaan of nog verkeerd verstaan.
Hoe meer wij van deze Geest ontvangen, des temeer leren wij om die Heilige Geest bidden, opdat Hij ons ook in de bestudering van de Schrift beware voor uitglijding, voor voorbarige conclusies, voor het stellen van vragen, die wij niet mogen stellen, omdat zij uitgaan boven hetgeen geschreven staat, of die wij wel mogen stellen, maar waarop wij (nog) geen antwoord hebben en waarin wij te wachten hebben op nader licht.
Wij hebben te bidden om de bewaring door de Geest bij het geschreven Woord Gods, opdat wij geen antwoorden geven of „oplossingen" aan de hand doen, die later verkeerde oplossingen blijken te zijn en intussen rampzalige gevolgen veroorzaken.
Ook bij de bestudering van de Heilige Schrift hebben wij de grenzen van het geopenbaarde Woord nauwkeurig te ontzien. Wie deze grenzen overschrijdt, zondigt tegen God.
Hoezeer het de roeping is, in het bijzonder voor de theologen, Gods Woord te bestuderen en hoezeer bij die studie allerlei vragen aan de orde kunnen komen, iedere roeping en iedere taak heeft eigen verzoekingen. Dit geldt in het bijzonder van theologen. Zij staan aan de speciale verzoeking bloot buiten het geloof van Gods Kerk om op een verkeerde wijze met allerlei vragen bezig te zijn. Vanuit de verte gaan wij dan vermoeden hoe de satan het op allerlei wijzen voorzien heeft op hen, die vooraan staan om hen uit de vastheid van het Woord Gods uit te rukken of in een of ander stelsel te doen verstarren.
Eén van de verzoekingen voor de theologen is, of zij daar halt houden waar God de grens trekt en Zijn mond sluit. Waar God zwijgt, hebben wij niet verder te vragen. Vragen, waarop God geen antwoord geeft, hebben wij niet te stellen, en ook niet te beantwoorden.
Het is ons genoeg een leerling van de Heilige Geest te zijn, die ons onderwijst uit het geschreven Woord. Dit geschreven Woord is het kleed van Christus. Wij mogen Christus niet aan Zijn kleed gelijk stellen. Wij mogen niet zeggen, dat de bijbel Christus is. Evenmin mogen wij Christus van Zijn kleed (de Heilige Schrift) scheiden of tussen Hem en de Schrift zodanige afstand scheppen, dat wij de ruimte nemen voor onze vragen, opmerkingen, aanmerkingen en theorieën, die vreemd zijn aan de inhoud van de Schrift.
(Wordt vervolgd)
Katwijk aan Zee, G. Boer
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 september 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 september 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's