De Dordtse Leerregels
Hoofdstuk V, artikel 8 Alzo verkrijgen zij dan dit, niet door hun verdiensten of krachten, maar uit de genadige barmhartigheid Gods, dat zij noch ganselijk van het geloof en de genade uitvallen, noch tot het einde toe in de val blijven en verloren gaan. Hetwelk, zoveel hen aangaat, niet alleen lichtelijk zou kunnen geschieden, maar ook ongetwijfeld geschieden zou. Doch ten aanzien van God kan het ganselijk niet geschieden, terwijl noch Zijn raad veranderd, noch Zijn belofte gebroken, noch de roeping van Zijn voornemen herroepen, noch de ver^ dienste, voorbidding en bewaring van Christus krachteloos gemaakt, noch de verzegeling des Heiligen Geestes verijdeld of vernietigd kan worden.
Een wonderlijk volk.
De staat van Adam in het paradijs, de staat der rechtheid, wordt menigmaal hoog geprezen. Daar is wel reden voor, meen ik. In plaats van vrees had hij vrede. In plaats van het vonnis des doods de boom des levens. In plaats van een verduisterd verstand, de kennis van God. In plaats van een aanklagend geweten, een reine consciëntie. In plaats van een verdorven gemoed, een heilig binnenste. Het was, zoals de Belijdenis zegt: „Wij geloven dat God de mens geschapen heeft van het stof der aarde, en heeft hem gemaakt en geformeerd naar zijn beeld en gelijkenis, goed, rechtvaardig en heilig; kunnende met zijn wil in alles overeenkomen met Gods wil. Maar als hij in ere was heeft hij het niet verstaan, noch zijn uitnemendheid erkend; maar heeft zichzelf willens der zonde onderworpen, en overzulks de dood en vervloeking, het oor biedende aan het woord des duivels”.
De mens heeft dus zijn heerlijkheid verloren. „In al zijn wegen goddeloos, verkeerd en verdorven geworden zijnde, heeft hij verloren al zijn uitnemende gaven, die hij van God ontvangen had en heeft niet anders overig behouden dan kleine overblijfselen daarvan, dewelke genoegzaam zijn om de mens alle onschuld te benemen”.
We kunnen dus naar waarheid zeggen, dat de mensheid in een zeer droevige toestand terecht is gekomen. De diepte van de val is moeilijk te peilen. Maar hierover wilde ik dit keer niet schrijven. Er is mij een wonderlijke zaak opgevallen nl. deze, dat er nochtans, niettegenstaande de val, een volk op aarde is, dat in een bepaald opzicht er beter aan toe is, hoger staat dan Adam en Eva.
Adam immers stond in het leven met God, maar kon daar uit vallen. De gelovigen echter, die in Christus Jezus zijn ingelijfd, staan ook in het leven met God, maar kunnen daar niet uitvallen. Ze zeggen wel eens, dat de gereformeerde leer een donkere pessimistische leer is. Dat is in geen enkel opzicht waar. Ik hoef maar twee kernteksten van de bijbels-gereformeerde leer te noemen om goed te zien, dat geen enkele prediking zo optimistisch is. Daar is ten eerste Rom. 8 : 38, 39: Want ik ben verzekerd, dat noch dood, noch leven... noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus onze Heere". Zet hier nu, wat men de lichte leer noemt, de optimistische, zet die hier eens tegenover. De predikers hiervan zijn veel pessimistischer. Zij geloven, dat er wel iets of iemand is, die de gelovige zou kunnen scheiden van de liefde Gods. Dat iets is de vrije wil des mensen. Zij menen, dat de gelovige zichzelf in het verderf kan brengen. Maar de gereformeerde prediking is, op grond van Gods Woord, zo optimistisch en zo licht, dat zij ontkent, dat de vrije wil sterker is dan God en dat de vrije wil het kind Gods uit de handen van Christus zou kunnen rukken. Om dit te geloven moet men wel een groot optimist zijn als men weet, wie de mens is. Daar is nog een andere tekst. Zij staat in Rom. 5 : 20b: En waar de zonde meerder geworden is, daar is de genade veel meer overvloedig geweest". Is dit pessimisme? De lichte leer is toch eigenlijk iets als de sprookjes van baron van Münchhausen, die zichzelf met paard en al, aan zijn eigen haar uit het moeras trok. Die machtige vrije wil is daar de baron zelf. Altijd moet daar de mens het op het beslissende punt, zelf doen. Men denke — om dit in het voorbijgaan te noemen — aan de nieuwe moraal, die in het jaar 1966 verkondigd wordt. De wet is daarin afgeschaft, maar het grote beginsel van alles is: even naar de liefde. Dat zegt echter de wet Gods ook, dus een eigenlijk nieuw beginsel is er niet. Maar wat leert Gods Woord ernaast? Dat er niemand is in wie deze liefde woont, zodat een mens wedergeboren moet worden om eerst een beginsel van liefde te hebben en straks de volmaakte liefde. Maar neen, de nieuwe moraal heeft geen wedergeboorte nodig, kent ze ook niet. Zij leert, dat de mens van nature al deze liefde reeds heeft. Hij hoeft ze nu alleen maar toe te passen. Wat een lichtzinnigheid om zo weinig te rekenen met de werkelijkheid. Maar ook wat een optimisme weer, in de gereformeerde leer, om te geloven, dat wij mensen, die verstoken zijn van waarachtige liefde tot God en de naaste, totaal vernieuwd kunnen worden, zodat haat in liefde verkeert.
Samenvattend wilde ik dit zeggen, dat het toch wel een wonderlijk volk is, dat zulke machtige dingen kan zeggen, zoals in zondag 21: „dat ik van de kerk een levend lidmaat ben en eeuwig zal blijven". De heiligen zijn heus niet van mening, dat er geen gevaren en dreigingen zullen zijn, maar wel, dat zij overwonnen zullen worden.
Is het niet gevaarlijk tot iemand te zeggen, dat hij onmogelijk verloren kan gaan, terwijl hij zo geneigd is dingen te doen, die naar het verderf voeren? Maakt deze leer geen zorgeloze mensen? Zou het niet beter zijn als God de mogelijkheid voor verloren gaan openliet? Ik meen van niet. Stel dat het bij ieder mens van hem zelf afhing, dan zou het kunnen gebeuren, dat al het werk van God Drie-enig tot behoud van zondaren tevergeefs zou zijn. In Johannes 14 lezen we, dat er in het huis des Vaders vele woningen zijn. Wat is echter het nut van deze woningen, wanneer er geen bewoners voor zijn? Beslissend in dit vraagstuk is natuurlijk, wat men meent van de vrije wil van de mens en de diepte van de val in Adam. De Schrift gaat er van uit, dat er niemand is, die God zoekt, niet tot één toe. Rom. 3:11. Daarom zegt het Woord Gods: Ik ben gevonden van degenen, die Mij niet zochten". Jes. 65 : 1. „God zoekt de ziele eerst, eer zij Hem zoeken konden. De ziel, die God zoekt is reeds van Hem gevonden". Maar kunnen de gevonden zielen dan niet meer afdwalen? Neen, dat kon maar één keer nl. toen zij in de lendenen Adams waren. Maar voor degenen, die in Christus zijn is er geen mogelijkheid van verloren gaan, van afvallen. Waarom niet?
De verdienste van Christus.
Vanwege de verdienste van Christus niet. Voor wie nl. is Christus gestorven? Voor niemand? Is het zo, dat God Zijn Zoon gegeven heeft voor een aantal onbekende personen, die uit veel mensen kon bestaan? Is de verlossing een ongerichte poging Gods om een mogelijkheid van redding te scheppen?
Zo spreekt te Schrift niet. De Heere Jezus weet, dat er velen zalig zouden worden. Dat is het oogmerk Gods. „Gelijk de Zoon des mensen niet is gekomen, om gediend te worden, maar om te dienen, en zijn ziel te geven tot een rantsoen voor velen" (Matth. 20 : 28). Het werk van Christus was een gericht werk. Het was gericht op velen. De Vader zou hen trekken tot Christus. Het rantsoen is betaald voor een bepaald getal: niet allen. De Heere Jezus is gekomen voor Zijn volk. „Gij zult Zijn naam heten Jezus, want Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden". Het werk Gods in Christus was gericht op de gemeente Gods. „Zo hebt dan acht op uzelf en op de gehele kudde, over welke de Heilige Geest u tot opzieners gesteld heeft, om de gemeente Gods te weiden, welke Hij verkregen heeft door Zijn eigen bloed". (Hand. 20 : 28).
De verdienste van Christus is gericht op de uitverkorenen. Voor hen is de Heiland gestorven. Aan hen past de Heilige Geest het bloed van Christus toe. De Vader trekt de uitverkorenen tot de Zoon. Wanneer nu God Zelf er niet voor instaat, dat zij bij de Zoon blijven, dan zou de hele verdienste van Christus te vergeefs zijn. Trouwens dan zou ook het voornemen Gods, dat naar de verkiezing is, niet vast blijven. Daar stonden oudtijds twee opvattingen tegenover elkaar. De remonstranten stelden, dat de volharding een voorwaarde was om zalig te worden. Die voorwaarde moest de gelovige volbrengen door de kracht van zijn vrije wil. Als hij de volharding gepresteerd had, kreeg hij de beslissende verkiezing en rechtvaardigmaking. De gereformeerde leer luidt andersom. De ware gelovige krijgt de volharding als een vrucht der verkiezing als een gave Gods, die door de dood van Christus verworven is. De uitverkiezing zou wankel zijn, als de mens haar krachteloos kon maken. De verdienste van Christus zou ijdel zijn, als de gelovige, die met Christus verbonden is en voor wie de Heiland gestorven is, zichzelf kon scheiden van de liefde van Christus. De Heere Jezus heeft zich in de dood gegeven voor de uitverkorenen. Daarvan staat o.a. geschreven: De uitverkorenen hebben het verkregen, de anderen zijn verhard geworden" (Rom. 11 : 7). De Heiland heeft voor zijn uitverkorenen het eeuwige leven verworven door Zijn verdienste aan het kruis. Deze verdienste kan niet ijdel en vruchteloos worden gemaakt doordat de heiligen ophouden te geloven. God zorgt dat dit niet gebeurt. Hij schenkt de volharding, opdat het werk van Christus niet ijdel zij. Daarvan zegt de apostel: Die ook Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft Hem voor ons allen overgegeven, hoe zal Hij ons ook met Hem niet alle dingen schenken? " (Rom. 8 : 32).
Die ons zijn niet alle mensen, maar de gelovigen. In het rapport van remonstranten en hervormd synodalen over „enige aspecten van de leer der uitverkiezing" wordt gesteld, dat Christus zich voor alle mensen, dus gericht op alle mensen, heeft overgegeven. Toen Hij leed en stierf aan het kruis waren dus alle mensen in Hem besloten. Het komt er nu maar op aan, dat wij deze objectieve stand van zaken erkennen. Dat lijkt wel erg rationalistisch. Het hele geloof is zo een erkenning geworden van een waarheid, waartoe ons verstand in staat is. Van inwendige roeping, van verlichting van het verstand of overbuiging van de wil is in deze uiteenzetting geen sprake. Daar is een objectieve stand van zaken. Deze stand moeten wij erkennen en dat kunnen wij ook erkennen. De menselijke vermogens reiken tot deze hoogte.
Van de mens moet dan ook de volharding komen, dat spreekt vanzelf. Het is merkwaardig zon stuk te lezen en te zien, dat het een gesloten systeem is, en het geloof een erkennen van een werkelijkheid die wij met ons verstand kunnen inzien. Men redeneert als volgt: „Wat in de Calvinistische leer ontbreekt is de objectieve veronderstelling van Christus als de Mens Gods, in Wie alle mensen besloten zijn. Wat hier ontbreekt is de rechtvaardiging en heiliging, die alle mensen a priori (voor hun geboorte, zou men kunnen zeggen) in Hem wedervaren is en waarvan men zonder enig voorbehoud zeker kan zijn. Want deze objectieve vooronderstelling betekent niet een apokatastasis pantoon (zaligheid voor allen zonder meer). Men wordt geroepen op deze objectieve voorstellingen subjectief in te gaan. Dat subjectieve ingaan schept niet de objectieve stand van zaken. Die objectieve stand van zaken is er. Maar die wil dan ook erkend zijn”.
Of dit nu bedoeld is als de nieuwe remonstrantse of de nieuwe hervormde leer zij in het midden gelaten. Ik wilde alleen maar laten zien hoe hier iedere volharding als gave buitengesloten is. Het is puur vrije wil en menselijk denkvermogen. Dit systeem klopt als een bus. Maar als het deksel op de bus is, sta ik er buiten. Ik zoek immers geen grond in een remonstrants-hervormd systeem, maar in Gods Woord.
In dat Woord lees ik nergens, dat alle mensen in Christus gerechtvaardigd en geheiligd zijn. Ik lees wel: Wij dan gerechtvaardigd zijnde door het geloof, hebben vrede bij God" (Rom. 5 : 1). De objectieve stand van het gerechtvaardigd zijn ontstaat door het geloof. Het geloof immers omhelst Christus. Het in gelijfd zijn in Christus is niet een natuurgegevenheid, waar mensen mee geboren worden, zoals zij met een verdorven natuur ter wereld komen, maar is een vrucht van het werk van de Heilige Geest, die de uitverkorene door een waar geloof in Christus inlijft. Dan is er de objectieve stand van zaken, die deze remonstrantse leer ten onrechte veronderstelt. Trouwens een objectieve stand van zaken wordt niet te niet gedaan door ons gebrek aan kennis ervan. Als het is, zoals deze nieuwe remonstrants-hervormde nota het zegt, dan is er inderdaad een wederoprichting aller dingen. Wanneer iemand in dit leven niet achter de ware stand van zaken komt, zal God hem toch toeroepen: Kom in, gij geheiligde en gerechtvaardigde. Wat jammer, dat je het nooit geweten hebt, maar dit gebrek aan wetenschap of erkenning neemt echt de objectieve stand niet weg". Of wel? Dat gaat dan mijn verstand te boven.
Ik houd mij maar aan de Schrift en de gereformeerde belijdenis, dat Christus geen halve zaligmaker is, die alleen een objectieve stand van zaken doet veronderstellen, maar dat God in Christus alle dingen schenkt: ook volharding.
De verdienste van Christus kan niet krachteloos gemaakt worden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 september 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 september 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's