De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

In Gesprek

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

In Gesprek

8 minuten leestijd

Een vorige keer liep het gesprek over de reformatorische verlegenheid, die dr. C. Graaf land signaleerde, wanneer het over de problemen, vooral de wetenschappelijke problemen van onze tijd gaat. De grote aandacht voor het verleden kan wel eens een vlucht voor het heden betekenen. Naar mijn mening behoeft dat niet, het heden mag zelfs niet zo eenzijdig de aandacht trekken. Wij mensen, ook wij theologen, leven in de geschiedenis en daarin doen verleden en heden mee, in zekere zin ook de toekomst. De traditie waarin we staan, is een overdracht aan ons en een overdracht door ons. Het een kan niet zonder het ander. Dat geldt niet het minst van de traditie der confessie. We zijn hier heel dicht bij de Heilige Schrift, en zullen daarom zeer behoedzaam zijn, behoudend in de goede zin van het woord.

Wanneer ik ditmaal het gesprek nog even voortzet moet niemand denken, dat ik er behoefte aan heb, om speciaal dr. Graafland op de korrel te nemen. Dat zou onbillijk zijn, omdat anderen zijn bezorgdheid delen. Het zou bovendien de schijn wekken, dat wij tegenover, of ten minste ver uit elkaar staan. Die schijn moeten wij over en weer vermijden. Er is te veel dat ons bindt, en als we met elkaar spreken, houden we elkaar graag vast. Dat de woordvoerder het wederwoord mag verwachten, ligt in de aard van het gesprek. Het onder­ werp is stellig van veel bredere en diepere betekenis. Ik verbeeld mij niet, hier het verlossende woord te kunnen spreken, misschien kan ik een enkele verhelderende opmerking maken.

Het is inderdaad een feit, dat de huidige problematiek zich van alle zijden aan ons opdringt. Dat wil niet zeggen, dat ieder mens aan die problemen lijdt of tilt. Vaak blijkt het tegendeel 't geval. De doorsnee mens van deze tijd kent niet zo veel problemen, hij neemt overal vluchtig kennis van, en verwerkt het o zo oppervlakkig. Wie nagaat, waarover de mensen zich druk maken, komt niet veel verder dan het dagelijks bestaan, brood en spelen. Wat trekt een gevoel van onbehagen over heden en toekomst door ons allen heen, maar het woord probleem, als iets wat ons voor de voeten geworpen wordt en waarover we struikelen, als het niet opgeruimd wordt, is meestal niet op zijn plaats.

Ontegenzeggelijk lopen wij gevaar, in conferentie, publicatie, discussie, problemen op te kweken, als in een broeikas. Dat loont echter de moeite niet, bovendien is niemand er mee gediend. Dienaren des Woords — wat een hoge roeping — kunnen nauwelijks kennis nemen van de problematiek, kunnen die maar ten dele doordenken, en aan de oplossing komen ze zelden te pas. Die problematiek is nauwelijks breed vertakt in heel de wetenschap, en diepgeworteld in een ontwikkeling, die niet slechts het kerkelijke leven raakt. Het is te veel gevraagd, dat ieder zich daarin grondig verdiept; sommigen zullen dit voor ons moeten doen. Zij zullen hun arbeid dan alleen vruchtbaar verrichten als zij voeling houden met hun medebroeders en met de gemeente. Anders krijgen we probleem specialisten, en dat is noch voor hen, noch voor ons allen te hopen. Worden wij telkens opgeroepen de problemen aan te pakken en op te lossen, dan verlamt dat meer dan dat het ons ertoe aanmoedigt.

Dat ontslaat niemand van de plicht, om de problemen ernstig te nemen. Hij doe het naar de mate van de gaven die hem geschonken zijn en met de hulp die hem geboden wordt. Maar hij vertille er zich niet aan, daar zou de arbeid in het Woord alleen maar onder lijden. Het is echt niet overbodig hiertegen te waarschuwen. Menigeen raakte er zo in verstrikt, dat hij niet meer wist, hoe te preken. De gemeente werd met problemen overvoerd, en vermagerde; de predikant vond geen antwoorden meer en schaarde zich onder de vragers, die hij zo ook niet hielp.

In de problemen liggen demonen op de loer; en ik ben persoonlijk banger voor die demonen, dan voor de problemen. Het kan iemand overkomen, dat hij een boek dichtslaat en de deur van een vergaderkamer achter zich dicht trekt, om opgelucht adem te halen, wanneer hij het Woord gaat lezen en preken.

Kennen wij de bevrijdende kracht van de prediking? Op de kansel wijkt de beklemming. God zet in de ruimte, nadat de demonen ons in de engte dreven. Gelukkig de hoorder, die met veel vragen zit, en het antwoord vindt op de grote vragen! De grote vragen, die God aan de orde stelt, en waar de eigenlijke beslissingen vallen. Ik ben geneigd de vragen van deze tijd van minder belang te achten, dan de antwoorden, die ons in de Heilige Schrift, in de doctrina, die lering is, gegeven worden. Ik mag ze niet bagatelliseren, maar ze schrompelen toch in elkaar. Vanuit het centrum, komen ze aan de periferie te liggen. Het Woord Gods schept orde, ook in de problemen, en we zullen deze dankbaar eerbiedigen. De natuurwetenschap moge vragen stellen aan onze schriftbeschouwing; de Schrift heeft haar eigen overwicht. En het geloof leeft bij de Schrift. Het leeft óp, wanneer God spreekt.

En wie dit een teken vindt van een verdrongen verlegenheid, zou ik willen vragen, hoe hij van zijn verlegenheid wordt genezen? Wij overschreeuwen de vragen niet, wij brengen ze niet tot zwijgen. Het zou wel eens kunnen zijn, dat wij alleen, door deze bevrijding, er echt mee bezig kunnen zijn tot zegen van anderen. De problemen kunnen zo bovenop ons zitten, dat we eerst moeten bidden: Verlos mij van de overlast der vragen, dan zal ik U naar uw bevelen eren.

Mag ik in dit verband aan het woord van de Heere Jezus herinneren, dat Hij tot Martha sprak: „Gij bekommert en verontrust u over vele dingen, maar één ding is nodig". Martha rinkelt met borden en bekers, loopt heen en weer, lichtelijk geërgerd over haar zuster, die stil zit te luisteren, als ware er niets anders te doen. Christus neemt haar in bescherming: zij heeft het goede deel uitverkoren, hetwelk van haar niet zal v/orden weggenomen. Medebroeders in de bediening, die dit leest, zet u veel neer, aan Zijn voeten. En laten de vele dingen, telkens worden teruggebracht tot het ene nodige. Dat zal een stempel zetten op onze prediking, op ons pastoraat, en op het apostolaat. Het geloof, in gebed geoefend, zal zich mogen oprichten aan het Woord. Ik heb geloofd, daarom heb ik gesproken. Dat is tot stichting der gemeente. En het komt mij voor, dat wij alleen vanuit en met het Woord des Heeren de problemen kunnen onderkennen in hun orde en waarde, en nooit omgekeerd. De vraagstukken verlenen geen gewicht aan het woord, als zou dit of dat nu van minder gewicht zijn dan vroeger. Neen, het woord weegt de vraagstukken. En soms worden gewichtige vragen toch te licht bevonden.

Ik wil nog verder gaan. Er kan sprake zijn van een zekere vermoeidheid, wij kunnen het niet bijhouden, wij doen niet meer mee. Laat de verlegenheid nu eens vermoeidheid zijn. Mogen we dat anderen kwalijk nemen, als wij nog vol ijver en met vuur, ons in de strijd storten. Stelt, dat iemand in de voorhoede vecht, moet hij daarom de achterhoede in gebreke stellen? De veldheer denkt daar anders over. Kent u de geschiedenis van David? Hij achtervolgde de bende, die Ziklag geplunderd had en kwam aan de beek Besor. Vierhonderd man trokken verder, tweehonderd waren zo moe, dat ze over de beek Besor niet konden gaan. Toen David als overwinnaar tot hen terug keerde vroeg hij naar hun welstand. Dat verdroot sommigen van de vierhonderd die hem gevolgd waren en zij zeiden: Omdat ze met ons niet getogen zijn zullen wij hun van de buit die wij gered hebben niet geven. Maar David zeide: Alzo zult gij niet doen, mijn broeders met hetgeen ons de Heere gegeven heeft. Want gelijk het deel dergenen is, die in de strijd mede afgetogen zijn, alzo zal ook het deel dergenen zijn, die bij het gereedschap gebleven zijn, zij zullen gelijkelijk delen. Hij heeft dat zelfs tot een inzetting en tot een recht gezet in Israël tot op deze dag.

Het staat aan mij, noch aan iemand anders te beoordelen wie wel en wie niet optrekken in de voorste gelederen en wie bij het gereedschap blijven. Bij het gereedschap blijven is echter aan de strijd deelnemen en delen in de buit. Het blijven bij de doctrina en bij de confessie, vindt ook in het geval van vermoeidheid, in de ogen van onze Koning genade.

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 september 1966

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

In Gesprek

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 september 1966

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's