De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

ALWEER EEN DROOM

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

ALWEER EEN DROOM

8 minuten leestijd

„Toen ontzette zich Daniël, wiens naam Beltsazar is, bij een uur lang en zijn gedachten beroerden hem". Daniël 4 vers 19a.

„Toen ontzette zich Daniël, wiens naam Beltsazar is, bij een uur lang en zijn gedachten beroerden hem”. Daniël 4 vers 19a.

Nebukadnezar kan eindelijk op zijn lauweren rusten. Zijn veldtochten liepen allen op overwinningen en veroveringen uit, nu, geniet hij van de macht die hij verkreeg, van de rijkdom die hij aan Babel schonk. Hij is net een boom, geplant aan waterstromen, met altijd groenende bladeren. Laat hij daar nu van dromen! Alweer een droom. Alweer moet ik eraan toevoegen, een teken van de onrust, die zijn zekerheden aantast en ondermijnt. Voelt hij zich bedreigd en bedrogen? En kruipt dat gevoel in zijn droom naar boven. In ieder geval schrikt hij van zijn droom, net als de vorige keer.

Hij droomt van een boom, een reusachtige boom, waarvan de top tot in de hemel reikt en die over de hele aarde gezien wordt. Dat is nogal wat: tot in de hemel en over de hele aarde. Die boom beslaat de wereldruimte, het is een wereldboom. Zijn loof was fris en schoon, zijn vruchten waren overdadig veel. De levenskracht, waarvan de boom een beeld is grenst aan het ongelofelijke. Met zijn vruchten voedt hij de gehele mensheid, in zijn schaduw schuilen de dieren en in zijn takken nestelen de vogels. De schepping mag trots en gelukkig zijn met zo'n geweldige boom.

Zo groot en sterk voelt Nebukadnezar zich. Zozeer is hij ingenomen met zijn rijk, dat hij deze mooie droom droomt, deze vleiende droom. Hij is erdoor betoverd, hij vindt die boom prachtig. Hij droomt niet over het verwoestend geweld, waarmee veroveringen en inlijvingen gepaard gingen. Dat vergeet hij zo snel mogelijk. Behalve die grote boom, zijn er immers nog kleine bomen en struiken. Wat is daarvan geworden? Die grote boom benam hun het licht, zodat ze verdorden en verdwenen. Eigenaardig is dat, de schaduwzijden van zijn heerlijkheid blijven buiten beschouwing. Trouwens, Nebukadnezar maakt nooit melding van de oorlogen die hij voerde en van de steden die hij veroverde. Dat deden de koningen van Assur, die kraaiden hun overwinningen uit, die gaven er verslag van in obelisk en kleitablet. Echte vchtersbazen, die Assyriërs! Nebukadnezar voelt zich veel meer een bouwer. Hij bouwt aan de toekomst der mensheid hij heeft het goede met hen voor; dankzij zijn heerschappij zullen de volkeren in veiligheid en overvloed leven. Nebukadnezar de weldoener van de wereld. Daarom maakt hij van veldslagen en wegvoeringen geen melding, in zijn bouwwerken zal zijn naam vereeuwigd worden.

Die droom droomt de koning. Die droom bekoort het volk. Hoe velen hebben niet met hem meegedroomd, van een grote fiere boom, van een hoge kruin en brede takken, die steeds verder reikten. Het is nog niet zo lang geleden, dat er hardop gedroomd werd in Europa. Dat een heel volk door de droom bevangen tot de daad overging. Die droom werd wreed verstoord. Maar zijn wij sindsdien wakker geworden? De mensen dromen mee met de machthebbers. De droom van Amerika, de droom van Rusland. Wat dromen de miljoenen van Afrika en Azië? Macht tot in de hemel en over de hele aarde. Macht, die vrede en welvaart zal waarborgen aan de mensheid. Och, de droom is zo mooi. De boom wordt hoe langer hoe groter: Een wereldregering, van verenigde volkeren!

Waarom vinden wij eigenlijk deze droom, de eeuwen door, zo mooi? Omdat hij ons uit het hart gegrepen is! Ieder eist voor zich de eer op en ieder hoopt heimelijk, dat zijn boom doorgroeit tot in de hemel. De vader der leugenen — dromen is toch bedrog! — heeft het zaad van deze droom in ons aller hart gestrooid: Gij zult als God zijn. Daar streven we dan naar, ieder op zijn manier en in de ruimte, die hem toegemeten wordt, u ook, ik ook. Rijkdom en kennis spelen hun rol in deze droom, wij slepen er alles binnen, wat ons belangrijk kan doen schijnen. Zien wij onze kans, dan laten we de droom gelden. Wij maken ons breed, ten koste van anderen. Ten koste van, o nee, zo betogen wij herhaaldelijk: ten dienste van! De anderen mogen in onze schaduw leven, van onze vrucht eten. Wij verwachten van hen daarvoor enige dankbaarheid en wij klagen er dikwijls over, dat die anderen zo ondankbaar zijn. Zij begrijpen blijkbaar niet hoe goed wij het bedoelen.

Och, mijn beste lezer, de droom is bedrieglijk mooi. In werkelijkheid is het een waan, een ijdele, ledige waan. Neem nu die dieren en die vogels eens. Wat had Nebukadnezar zich aan veel wreedheid schuldig gemaakt, bij de uitbreiding van zijn machtsgebied. Wat een ongerechtigheid die ten hemel schreit. Wat een ellende. De ellendigen schreeuwen de schone waan van zo'n droom aan scherven. Aan de rivieren van Babel, daar zaten wij, ook weenden wij, zingen de ballingen uit Juda. Zij klagen Nebukadnezar aan, die hun volksbestaan vertrapte en hen wegsleepte naar dit vreemde land.

Wie zal het onrecht dat in naam van de macht werd gedaan, beschrijven. De geschiedenis is er vol van. Wij moeten telkens weer uit de droom geholpen worden; de ellendigen helpen ons, door hard te roepen hoe hinderlijk dat ook is, wanneer we diep slapen en prettig dromen. Vindt u de droom bovendien niet hoogmoedig, overmoedig bijna? De boom, die gij gezien hebt, dat zijt gij o koning. Dat ben ik, verklaart Nebukadnezar, wie zou het anders zijn. Hij slaat zich op de borst; bouwde hij die heerschappij niet, op de puinhopen van het Assyrische wereldrijk? Hij pocht op zijn Koninkrijk, dat zo schitterend en zo machtig is. Zijn Koninkrijk, dat is hij! De droom is een stille hulde aan zijn eigen ik.

Nebukadnezar droomt zijn droom ten einde. Het is avond, de hete zon heeft verzengend dagwerk verricht en is aan een wolkeloze hemel ondergegaan. De sterren zijn gezaaid als zilveren knoppen op het zwarte kleed van de nacht, de maan spreidt een matte schemer — zij spreidt die over Babel, de wereldstad van het oude Oosten. Heerlijk is het om in de koele avond van haar aanblik te genieten. Nebukadnezar wandelt langzaam heen en weer; zijn ogen weiden met welgevallen over zijn stad. En zacht mompelt hij voor zich heen: Is dit niet het grote Babel, dat ik gebouwd heb tot een huis des Koninkrijks, door de sterkte van mijn macht, tot de eer van mijn Koninkrijk! Hij wandelt, hij slaapwandelt zou ik zeggen. Hij droomt, en brengt zijn droom onder woorden.

Inderdaad, Babel is een prachtige stad. Bab-eli, de poort Gods! Heel wat anders dan Bethel, waar Jacob eens sliep en de poort van de hemel hem werd opengedaan. Heel wat luisterijker, reken maar. Het kent onder de steden zijns gelijke niet. Dat zijn we weer te weten gekomen, sinds de spade werd gestoken in de puinheuvel van de stad. Wat toen werd tevoorschijn gebracht, is verbazingwekkend. Hoewel de stad van de aarde weggevaagd, en op de kaart geschrapt is, kunnen wij ons van haar vroegere heerlijkheid een vrij volledig beeld vormen. Zijn oppervlakte besloeg dertien kilometer in het vierkant, binnen de muren. De bouwwerken zijn indrukwekkend, het meest nog door de kleuren. De gele muren, onderbroken door hemelsblauwe poorten; de roze paleizen en witte tempels. Een prachtig schouwspel. Ziet u de rivier die midden door de stad stroomt, en water levert voor de wereldberoemde tuinen. De heesters en planten worden regelmatig besproeid dankzij een vernuftig irrigatiesysteem. De straten waren breed en met tichelstenen geplaveid. In iedere tichelsteen heeft Nebukadnezar zijn naam laten stempelen. Denk u dat eens even in, op iedere straatsteen! Het zat hem wel hoog: Is dat niet het grote Babel, dat ik gebouwd heb.

Koningen hebben wel meer grote woorden gesproken. In de woorden van Nebukadnezar is zijn trots samengebald. Hij balt zijn vuist tegen de hemel, dat is het angstige van zijn droom, van zijn woord. Het waanzinnig angstige. U hoort het hem zeggen: ik, mij, mijn. Hij heeft het gedaan; hij heeft het alleen gedaan; hij heeft het alles voor zichzelf gedaan. Wij zijn geneigd dat hij met een hoofdletter te schrijven, zo hoog torent het uit boven allen, die om hem heen zijn, die voor hem gingen en na hem komen zullen. Nebukadnezar verkeert in de waan, dat hij de hoogste is. Hij rekent niet met de Allerhoogste, die heerschappij heeft over de koninkrijken der mensen en ze geeft wien Hij wil. Dat is de grondfout van zijn droom. U moet dit hoofdstuk maar eens in zijn geheel lezen, om te zien hoe het hier gaat spannen. Op het hoogtepunt, grijpt God in. Hij werd door de Koning met zoveel woorden uitgedaagd. En hij duldt geen mededingers. Hij laat hen een tijdlang begaan, dat wel. Hij schudt hen eens door elkaar, wanneer hij hen laat waarschuwen.

Hij ziet van ver met gramschap aan, de ijd'len waan der trotse zielen.

De droom is daarom nog niet uit, er volgt altijd wat op deze zelfverheerlijking. Wanneer het briesende paard zo steigert, worden de teugels van hogerhand strakgetrokken. Nebukadnezar zal het gewaar worden, dat er wel hoog, hoger en hoogst is en dat men het voornaamwoord ik, in alle vormen vervoegen kan. Doch dat Hij, die in de hemel woont, de Allerhoogste is.

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 september 1966

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

ALWEER EEN DROOM

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 september 1966

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's