Een baken in zee (3)
In het tweede artikel hebben wij een poging gedaan de vragen van onze tijd ten aanzien van het Schriftgezag in wat bredere en geestelijke kaders te plaatsen. Bepaalde ontwikkelingen werden gesignaleerd en gewezen werd op de samenwerking tussen de vragen en het hart van de mens.
In dit artikel willen wij de zaak afronden. Wij behoren dus zo met de vragen, voorzover zij wettig zijn te leven, dat zij geen struikelblok worden, noch voor onszelf, noch voor anderen, die aan onze zorgen zijn toevertrouwd. Velen, die voor ons geleefd hebben, en in leven en sterven aan God genoeg hadden, zijn door allerlei crises heengegaan, waarbij het geloof overwon. Zij zijn soms in stralende zekerheid heengegaan zonder dat zij op allerlei bijvragen een antwoord wisten te geven.
De manier van ons omgaan met deze vragen kan laten zien of wij bij de hoofdvragen dan wel bij de bijvragen leven. Zo beproeft God ons inzake onze ootmoed en nederigheid. De grensoverschrijdingen zijn uitingen van onze wortelzonde: de hoogmoed. Het is pure hoogmoed wijs te willen zijn boven hetgeen geschreven staat. Aan deze hoogmoed is de vrijzinnigheid te gronde gegaan. Haar wetenschappelijke invloed moge hier en daar ver reiken, haar geestelijke invloed is in de gemeenten verschrompelend klein. Dit is ontzettend, maar waar en een oordeel Gods.
Heeft de rechtzinnigheid van deze eeuw de gestrande vrijzinnigheid als een baken in zee onderkend?
Let op de ontwikkelingen in allerlei kerken. Kerken van gereformeerde signatuur in binnen-en buitenland verliezen haar gereformeerd karakter soms binnen enkele tientallen jaren. (Zie het artikel van de Australische predikant J. W. Deenick in het Gereformeerd Weekblad, Kok, Kampen in het no. van 19 augustus 1.1.)
Meestal begint dit veranderingsproces met het verzachten van enkele „harde" uitdrukkingen in de diverse belijdenisgeschriften. Dan is het een zaak van „verklaring" van deze uitdrukkingen. Een volgende fase is de verandering van de functie van de belijdenisgeschriften. Dan gaat men van de belijdenis, zoals die er ligt, naar de kern, naar de „geest en hoofdzaak". Men geeft allerlei uitdrukkingen prijs, terwijl men de kern wil bewaren. De heilsfeiten moeten in ieder geval buiten het geding blijven.
Het gevecht rondom de functie van de belijdenis is echter nog maar een voorpostengevecht. De eigenlijke strijd gaat over het gezag van de Heilige Schrift. Daarom heeft het gevecht om het gezag van de belijdenis meestal als achter- en ondergrond het gezag van de Heilige Schrift.
Wanneer het „menselijk" karakter van de Schrift dik onderstreept is, komt de Schrift zelf aan de beurt zoals wij reeds zagen.
Bij de afglijdingen hebben wij wel onderscheid te maken. Er zijn er, die met een vooropgezet begrip uit de wetenschap (Bultmann e.a.) de Schrift op een eigenmachtige wijze benaderen. Er zijn er ook, die onder de stelregel: de Schrift is haar eigen vertolkster, bij het hart van het Evangelie de wacht willen betrekken. Dan wil men vanuit de Schrift een antwoord geven op de vragen van de tijd. Dat is een lofwaardige bezigheid, mits men recht blijft onderscheiden. Het valt mij meermalen op, dat bepaalde theologen veel meer onder de indruk zijn van de resultaten van de wetenschap dan de mensen van het vak zelf. De vakmensen zijn soms veel bescheidener dan sommige theologen, die buiten adem raken, wanneer een resultaat van de wetenschap hen onder ogen komt, dat in strijd zou zijn met de Schrift. Een hoogleraar van naam, die de natuurwetenschap beoefent zei kortgeleden, dat hij met stomme verbazing zag naar allerlei theologen, die één voor één omvallen tengevolge van „resultaten", waarvan hij — een vakman — nog lang niet zeker was. En — zo voegde hij eraan toe — wanneer God mij — klein mensje — zegt: Zo en zo heb ik dat gedaan, dan heb ik dit in kinderlijk geloof te aanvaarden.
Het wordt tijd, dat bepaalde theologen wat meer onder de indruk komen van het majestueuze Woord Gods dan van resultaten, waarin het element van de veronderstelling nooit versterft. Bij dit alles is menige theoloog in zijn persoonlijk leven beter dan wat hij voortbrengt, zoals ook omgekeerd menigeen, die op komt voor de Schrift en de belijdenis, tegenvalt in de prediking enz.
Wij hebben wel te bedenken, dat wij bij het met leedwezen constateren van afwijkingen, onszelf goed in het oog houden. Want één van de belangrijkste uitingen van het belijden is de prediking. In de prediking doen wij elke week het zwaarste examen. Het mes snijdt naar alle kanten. Wij kunnen anderen oordelen en veroordelen (wat intussen iets anders is dan waarschuwen voor verkeerde ontwikkelingen) en zelf de gemeente nauwelijks voedsel toereiken in de prediking.
Dit alles en nog meer hebben wij te bedenken en op onszelf toe te passen. Daarbij dienen wij voor ogen te houden, dat soms in allerlei beschouwingen gevaarlijke dingen worden gezegd en geleerd, terwijl wij het oordeel over de persoon aan God hebben over te laten. Een ieder zie maar toe op zichzelf.
Maar dit alles neemt niet weg, dat wij elkander in de uiterste spankracht van de liefde hebben te waarschuwen voor een veranderend Schriftgeloof, dat afwijkt van de inhoud. Wij kunnen dan wel ergens halt houden: dicht bij het Evangelie of er verder van af. Wij kunnen spreken van het nemen van risico's en wijzen op het crisisgevoel van deze tijd. Maar belangrijker is de vraag: Is dit crisisgevoel uit God?
Dat zal waar zijn, wanneer het over valse zekerheden gaat. Maar de levende belijdenis van het gezag der Schrift, verweven met het geloof in Christus, is geen valse zekerheid. De crisis ontstaat daar, waar het geloof wegzinkt en inzinkt. Daarom is het zo'n ernstige zaak, die God zo hoog opneemt, dat Hij die straft met verblinding.
Want laten wij ons geen illusies maken inzake de vraag of er in deze verschuiving en afglijding een weg terug is. Die is er niet. Dit is niet een drijven van mensen in consequenties, die zij zelf niet willen. Want gesteld, dat iemand in deze verschuiving en afglijding ergens halthoudt, zelfs wanneer hij persoonlijk bij het hart van het evangelie bewaard blijft, dan heeft hij zoveel losgemaakt, dat hij óf zelf wordt meegesleurd of anderen (leerlingen, de volgende generatie) laat meesleuren. Ook hier kent men aan de vruchten de boom.
Ds. Van der Kam mag een deel van de rechtzinnigheid in de Hervormde Kerk prijzen omdat zij met prijsgave van de historiciteit van de zondeval en de Adamsfiguur toch het kind heeft behouden, meer dan schijn is dit niet. Want, wanneer wij vragen aan ds. Van der Kam, waar wij het onderscheidend licht vandaan halen voor wat historisch gebeurd is en wat niet, dan verwijst hij ons naar de vakgeleerden. Ook het Oude en Nieuwe Testament zijn — volgens hem — studiegebieden geworden van vakgeleerden en specialisten. Veel is op historisch gebied onzeker. De vakgeleerden hebben de taak om door te dringen in de symbolische en mythologische wijze, waarop de oosterling zich placht uit te drukken.
Niemand zal de vakgeleerden hun studie ontzeggen. Dat zij de kerk dienen èn dat zij hun grenzen weten. Aan dit laatste mankeert het nogal eens. De kerk leeft echter niet bij de gratie van de vakgeleerden, hoezeer zij naar de resultaten van hun studie luistert, maar bij de gratie van God in Christus door de Heilige Geest. De kerk beoordeelt alles naar de maatstaf van het geloof. In dit geloof heeft zij een orgaan om waarheid van leugen te onderscheiden. In ieder geval valt zij niet terug, dient zij althans niet terug te vallen, op de mening van de vakgeleerden, die wisselen met de „mode”.
Waar het ons hier om gaat is, dat een deel van de rechtzinnigheid deze rationalistische wortel, die bij ds. Van der Kam bloot komt, niet heeft overwonnen. Deze wortel dragen wij allen mee en wordt alleen overwonnen door de Geest.
Men kan dus wel zeggen: het oude modernisme ging veel te ver, of Bultmann gaat veel te ver, maar is er verweer tegen deze ontwikkeling? Hoe komt het, dat er op deze weg geen stilstand is? Omdat het een weg van God af is! Alleen door een persoonlijk ingrijpen van God is er wederkeer mogelijk. En dat kan. Want bij God zijn alle dingen mogelijk, ook dat glijdende theologen gaan zien, wat zij doen. Want dit zien zij niet, anders deden zij het niet. Wanneer God ingrijpt, komt er een reformatie! En het merkwaardige is dat elke reformatie begint bij de ontroerende zekerheid, dat de Schrift het Woord van God is en eindigt in het struikgewas van allerlei theorieën over de menselijkheid enz. van de bijbel.
Het zou interessant zijn de geschiedenis van de Hervormde Kerk daarop eens na te gaan. En het is ontstellend wanneer wij de motiefverschuivingen in de Geref. Kerken vanaf 1834 en 1886 tot nu toe volgen.
Nogmaals: moeten wij nog meer lessen hebben? Moet er nog meer losgeweekt worden? Moet er nog meer de ontkerstening in?
Natuurlijk is dit de bedoeling van sommige vraagstellers binnen de gereformeerde gezindheid niet. Maar met bedoelingen van mensen zijn wij niet geholpen.
Toegepast op de zaak, die ds. Van der Kam noemt, nl. de historiciteit van de val en de Adamsfiguur, die toch waarlijk geen bijkomstige kwestie is in het reformatorisch belijden: mag gezegd worden: Niemand moet hier iets losmaken, alvorens hij zelf een duidelijk antwoord heeft op deze vragen en in staat is deze te beantwoorden. En wie heeft buiten wat de Heilige Schrift ons hierover leert, een duidelijk gezagsvol antwoord? Lever? Berkouwer? Kuitert? Teilhard de Chardin? Om van andere namen maar te zwijgen! Niemand mene, dat op deze weg een stilstand mogelijk is. De satan vernielt en vernietigt niet de eerste Adam als uiteindelijk doel, maar het is hem te doen om de tweede Adam: onze Heere Jezus Christus.
Het halt houden tussen de eerste en de tweede Adam is een wensdroom, een luchtspiegeling, een fata morgana. Nogmaals: er is op deze weg geen stilstand mogelijk. Dit is het oordeel Gods op onze ongehoorzaamheid.
Wee de kerk, die haar geloof laat modelleren door de resultaten van de wetenschap. Hoe zegenrijk soms de scholen zijn voor de kerk en hoe noodzakelijk deze scholen ook blijven, in sommige gevallen zijn zij een ramp voor de gemeenten, omdat zij vragen in de gemeenten indragen, waarop de scholen zelf geen antwoord weten of verkeerde antwoorden geven. Waarom? Omdat de meeste van deze vragen niet ontspruiten aan het geloof der kerk, maar aan de verduisterde rede van de mens. Op deze wijze worden de gemeenten van binnenuit uitgehold en verwoest als in de dagen van het modemisme. Dit is geen excuus zonder meer voor de gemeenten en geen veroordeling zonder meer van de scholen, maar het geloofsoordeel over de ontwikkeling der dingen, voorzover deze de inhoud van de Schrift raakt. Laten we echter bedenken dat in deze ontwikkeling de zonden van ons allen begrepen zijn.
Zien wij wat er allerwege aan de hand is? Zien wij, dat er via de loslating van het gezag van het Woord Gods een nieuwe vrijzinnigheid in opmars is? Zien wij de buien aan de lucht zitten, die de resten van de kerk dreigen weg te vagen? Zijn wij geestelijk weerbaar? Worstelen wij met de kerk? Zijn wij niet alleen op zoek naar de wetenschappelijke aanvat in deze strijd, maar ook naar de volle geestelijke wapenrusting? Met minder kan niemand toe!
Want in de strijd, die er is en er komt, zal het hardhandig toegaan.
Wat is nu het resultaat van deze artikelen? Dat wij zeggen: Wat zijn „zij" ver heen en wat zijn „wij" getrouw? Als dit het gevolg is, kunnen wij beter zwijgen. Farizeïsme is er reeds genoeg. Wie niet dagelijks aan zelfkritiek doet en zich niet laat gezeggen door het Woord Gods, is even boos als hij, die het mes zet in de Schrift. Ook onder ons wordt aan „Schriftkritiek gedaan, nl. het laten liggen van allerlei Schriftgedeelten. Wat hebben wij in de praktijk vaak een kleine bijbel! Daarover een andere keer nog wel eens uitvoeriger.
De dwalingen worden niet door een uitwendige Schriftopvatting bestreden, maar door het levend geloof, dat belijdt. Maar met de erkenning van deze waarschuwing geldt het woord van Luther: „Handen af van dit Woord Gods”!
Wat hebben wij zwaar gezondigd als kerk in het verleden en het heden, dat wij in de eerste plaats geslagen zijn met de verscheurdheid der kerk, zodat zij versnipperd is in allerlei delen. Wat worden wij in de tweede plaats gestraft in onze deelkerken, die allen hun eigen ontwikkeling meemaken en hun eigen deformaties beleven. En het merkwaardige is, dat terwijl er veel samenwerking is op allerlei terrein, intussen de ontwikkeling inzake de kernvragen van het geloof de verkeerde kant uitgaat.
Hier baten geen theorieën over de inspiratie, hoe goed deze ook geformuleerd zijn. Hier baat alleen een reformatie. Wanneer God gaat gaat blazen met Zijn Geest, dan zullen wij verlost worden van de verstrikkingen, waarin wij onszelf verstrikt hebben en de gebeden levend worden: Verlos ons, o God der legerscharen!
In deze strijd is ons enig rustpunt: Jezus Christus, gisteren en heden Dezelfde, en tot in eeuwigheid. Bij Hem vinden wij rust voor hart en hoofd en het wapen bij uitnemendheid. Dit wapen is niet vleselijk, maar geestelijk, want het is Gods Woord, dat het zwaard van de Geest wordt genoemd.
Katwijk aan Zee, G. Boer
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 oktober 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 oktober 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's